Genetica
Overerving.
De wijze van overerving bij geslachtelijke voortplanting bevordert
Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.
20
Biologie
VO Kerndoel 31: Processen in de natuur
VWO 4, VWO 5, VWO 6
NVON
cc-by-sa-40
Overerving.
De wijze van overerving bij geslachtelijke voortplanting bevordert
De invloed van het milieu.
Om de invloed van het milieu op bepaalde eigenschappen na te gaan kan men het beste werken met
Erfelijke aanleg.
Van een bepaalde diersoort bestaan gedurende een aantal generaties alleen vrouwtjes. Deze planten zich voort door middel van onbevruchte eieren. Het diploïde chromosomenaantal wordt hierbij gehandhaafd doordat de meiotische deling alleen plaatsvindt met tetraploïde (4n) cellen. Deze cellen worden tetraploïd door een mitose, waarbij de kern zich deelt, maar de cel niet. De twee kernen die zo ontstaan versmelten vervolgens.
Uitgaande van één vrouwtje van de betreffende diersoort worden zonder bevruchting enkele generaties diploïde nakomelingen gekweekt. Over die nakomelingen worden de volgende uitspraken gedaan:
1. Al deze nakomelingen hebben hetzelfde genotype.
2. Deze nakomelingen kunnen voor een eigenschap niet heterozygoot zijn, maar alleen homozygoot.
3. Onder deze nakomelingen kunnen geen recombinanten voorkomen.
Welke van deze uitspraken is of welke zijn zeker juist?
Een kloon.
Hieronder staan vier gevallen waarin nakomelingen ontstaan.
1. Een volledig homozygote aardappelplant vormt aardappelknollen.
2. Van een heterozygote geranium worden stekken gesneden.
3. Een volledig homozygote maïsplant vormt na zelfbestuiving zaden.
4. Uit een zygote van een mens ontwikkelt zich een ééneiige tweeling.
In welke van deze gevallen zijn de nakomelingen onderling genetisch identiek, aangenomen dat er geen mutaties optreden?
Genen voor de spijsvertering.
Bij de mens bestaat een bepaald gen voor de vorming van een spijsverteringsenzym. De volgende cellen van een volwassen mens worden onderzocht op de aanwezigheid van dit gen:
1. de cellen van het darmslijmvlies,
2. de spiercellen in de darmwand,
3. de sensorische zenuwcellen in de zenuwknopen bij het ruggenmerg.
In welke van deze cellen is dit gen gewoonlijk aanwezig?
Lichaamskleur.
Bij een bepaalde diersoort komen individuen met een gele en individuen met een zwarte lichaamskleur voor. Een onderzoeker beschikt over vier dieren van deze soort:
- een geel mannetje P,
- een zwart mannetje R,
- een geel vrouwtje Q,
- en een zwart vrouwtje S.
De onderzoeker brengt tussen deze dieren een aantal paringen tot stand. De resultaten zijn weergegeven in onderstaande tabel.
afbeelding
Is het allel voor gele lichaamskleur dominant of het allel voor zwarte lichaamskleur of is dat niet uit de gegevens te bepalen?
Een gen.
Als men het woord gen gebruikt, bedoelt men
Genlocus.
Bij het gebruik van het woord genlocus bedoelt men
Selectie.
Selectie toepassen op de nakomelingen van een kruising van twee individuen uit eenzelfde kloon
Mitochondriale overerving.
Onder meer bij ratten erven enkele eigenschappen niet over via chromosomen, maar via genetisch materiaal dat zich in de mitochondriën bevindt. Een zygote bevat alleen mitochondriën die afkomstig zijn van de moeder.
Een vrouwtjesrat met fenotype Q1
wordt gekruist met een mannetjesrat met fenotype Q2
. De desbetreffende eigenschap wordt via genetisch materiaal in de mitochondriën overgeërfd. Alle nakomelingen bezitten fenotype Q1
.
Kan op grond van deze kruising geconcludeerd worden dat het gen voor fenotype Q1
dominant is over het gen voor fenotype Q2
?
Zal de reciproke kruising (vrouwtje met fenotype Q2
x mannetje met fenotype Q1
) dezelfde resultaten leveren: alleen nakomelingen met fenotype Q1
?
afbeelding
Mitochondriale overerving.
Voor een aantal eigenschappen van organismen bevindt de erfelijke informatie zich niet in chromosomen, maar in mitochondriën. De mitochondriën in een zygote zijn alleen van de moeder afkomstig. Een vrouwtjesrat met eigenschap Q wordt gekruist met een mannetjesrat met eigenschap R. Voor beide eigenschappen bevindt zich de erfelijke informatie in de mitochondriën. Alle nakomelingen (de tweede generatie) bezitten eigenschap Q wel en eigenschap R niet. Door onderlinge voortplanting van de tweede generatie individuen ontstaat een derde generatie.
Welke resultaten kunnen in die derde generatie verwacht worden?
Een grotere opbrengst.
Een kweker heeft twee maïsrassen R en S. De individuen van elk ras zijn voor alle bekende eigenschappen homozygoot. De kweker bestuift een plant van ras R met stuifmeel van een plant van ras S. Alle planten van deze F1
-generatie leveren een grotere opbrengst dan elk van de ouders. Daarom wil de kweker zeer veel individuen met het genotype van deze F1
-planten hebben. Hij denkt aan vier kweekmethoden, die hieronder genoemd zijn:
1. bestuiving van individuen van ras R met stuifmeel van ras S;
2. zelfbestuiving van de F1
-planten die hij al heeft;
3. kruisbestuiving tussen de F1
-planten die hij al heeft;
4. ongeslachtelijke voortplanting van de F1
-planten die hij al heeft.
Welke van deze methoden levert of welke leveren uitsluitend planten met het gewenste genotype, aangenomen dat er geen mutaties optreden?
Fenotype.
Het fenotype van een organisme komt tot stand alleen door
Een kloon.
Van een kloon kan men in het algemeen zeggen dat
Homozygoot.
Twee individuen, die voor drie eigenschappen heterozygoot zijn, worden gebruikt.
Welk deel uit de nakomelingschap is voor de drie kenmerken homozygoot?
Gameetvorming.
Hoe groot is het aantal verschillende typen gameten dat een plant kan maken met een genotype AaBbCcdd, wanneer er sprake is van onafhankelijke overerving en koppeling (zonder crossing-over)?
afbeelding
Gameetvorming.
Tijdens de vorming van mannelijke gameten bij fruitvliegjes komt het wel eens voor dat er gameten ontstaan met twee geslachtschromosomen en andere zonder geslachtschromosomen. Dit komt omdat bij de meiose twee geslachtschromosomen naar de ene pool gaan. Men noemt dit verschijnsel non-disjunction (=niet uit elkaar gaan).
Welke bewering is op grond van bovenstaande gegevens juist?
Gameetvorming.
Indien bij de mens (2n = 46) géén crossing-over zou optreden, zou het theoretisch maximum voor het door één individu te vormen aantal verschillende typen gameten bedragen
Gameetvorming.
Een bepaald dier is voor drie eigenschappen, waarvan de genen gekoppeld zijn, heterozygoot.
Hoeveel verschillende soorten gameten kunnen bij dit dier maximaal ontstaan na meiotische delingen, waarbij per meiose eenmaal crossing-over optreedt?
Gameetvorming.
Door een diploïd organisme worden 16 genetisch verschillende typen gameten gevormd. Er heeft geen crossing-over plaatsgevonden.
Hoeveel chromosomen komen ten minste voor in de lichaamscellen van dit organisme?