Oefentoets Biologie: Assimilatie-dissimilatie - Algemeen | VWO 5/VWO 6 | variant 2

Deze digitale toets over fotosynthese en dissimilatie richt zich op studenten biologie en behandelt onderwerpen zoals O2- en CO2-uitwisseling, seizoensgebonden stofwisseling en de rol van chloroplasten en mitochondriën in planten. Test je kennis met uitdagende vragen en experimentele gegevens. - 20 vragen

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VWO 5, VWO 6

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

O2- en CO2-uitwisseling bij lichtsterkte

O2 -uitwisseling bij verschillende verlichtingssterkten.
Zie figuur B 171 van de bijlage.

In het diagram is de CO2 -uitwisseling van een plant met het milieu bij verschillende verlichtingssterkten weergegeven. Aangenomen wordt, dat de dissimilatie-activiteit niet beïnvloed wordt door de verlichtingssterkte.

Hoeveel mol glucose wordt er per tijdseenheid gevormd door fotosynthese bij verlichtingssterkte P?
Blijft de hoeveelheid organische stof van de plant bij verlichtingssterkte Q gelijk of neemt deze toe?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Seizoensgebonden verschillen in stofwisseling bij planten

1/3 Assimilatie en dissimilatie.
Zie figuur B 1990 van de bijlage.

In een experiment worden de volgende gegevens verkregen over de mate van assimilatie en dissimilatie van een bepaalde plantensoort in Nederland (zie afbeelding).

Waardoor is de dissimilatie van deze plantensoort in de winter lager dan in de zomer? Verklaar je antwoord met behulp van het verloop van stofwisselingsprocessen in de cellen.

afbeeldingafbeelding

Fotosynthese en dissimilatie bij planten

2/3 Assimilatie en dissimilatie.

Ten einde nadere gegevens over de assimilatie en dissimilatie van deze plantensoort te verkrijgen wordt experiment 2 gedaan. Hierbij wordt een plant van deze soort in een luchtdicht afgesloten ruimte geplaatst.
Het O2 -gehalte van de lucht in deze ruimte wordt continu gemeten. Tijdens experiment 2 wordt de verlichtingssterkte gevarieerd, alle andere omstandigheden blijven gelijk.

Zie figuur B 1991 van de bijlage.

De resultaten van metingen in experiment 2 zijn weergegeven in de afbeelding.
Er wordt van uitgegaan dat alleen aërobe dissimilatie van glucose plaatsvindt en dat de verlichtingssterkte geen invloed heeft op de intensiteit van de dissimilatie.

Gedurende welke van de aangegeven perioden heeft de plant bij de fotosynthese meer glucose gevormd dan er is verbruikt bij de dissimilatie?

afbeeldingafbeelding

Processen in de chloroplast bij licht

3/3 Assimilatie en dissimilatie.
Zie figuur B 1992 van de bijlage.

In de afbeelding is een chloroplast weergegeven.

Vier processen zijn:

1. splitsing van water in een chemische reactie
2. de lichtreacties,
3. de donkerreacties,
4. omzettingen door enzymen.

Welke van deze processen komen in een chloroplast in het licht voor?

afbeeldingafbeelding

Genotype van Beukenbladeren vergelijken

1/3 Beukenbladeren.
Zie figuur A 304 van de bijlage.

De bovenste afbeelding stelt delen voor van dwarsdoorsneden van twee bladeren P en Q van dezelfde beuk. Beide bladeren zijn 6 cm lang en 4 cm breed en hebben dezelfde vorm.
In het afgebeelde diagram in de figuur A 304 is het verband weergegeven tussen de verlichtingssterkte en de afgifte en opname van zuurstof door de bladeren P en Q. Er wordt aangenomen dat de dissimilatie-activiteit onafhankelijk is van de verlichtingssterkte en dat er in deze boom geen mutaties zijn opgetreden.

Is het genotype van de cellen van blad P hetzelfde als dat van de cellen van blad Q of is dit niet te zeggen?

afbeeldingafbeelding

Zuurstofproductie bij fotosynthese van bladeren

2/3 Beukenbladeren.

Produceert het hele blad P bij verlichtingssterkte X bij de fotosynthese per uur evenveel zuurstof als blad Q of meer of minder zuurstof dan blad Q?

afbeeldingafbeelding

Verlichtingssterkte en fotosynthese bij bladeren

3/3 Beukenbladeren.

Is de verlichtingssterkte bij Y een beperkende factor voor de fotosynthese in blad P, in blad Q of in beide bladeren?

afbeeldingafbeelding

Donkerreacties van fotosynthese bij geraniumplanten

1/3 Een geraniumplant.

In een experiment worden twee geraniumplanten P en Q in potten eerst gedurende twee dagen in een donkere kamer geplaatst. Aansluitend daarop wordt plant P gedurende vijftien minuten belicht, plant Q blijft in het donker.

Hebben gedurende deze laatste vijftien minuten alleen in plant P, alleen in plant Q of in beide planten donkerreacties van de fotosynthese plaatsgevonden?

NADH2-vorming bij geraniumplanten

2/3 Een geraniumplant.

In een experiment worden twee geraniumplanten P en Q in potten eerst gedurende twee dagen in een donkere kamer geplaatst. Aansluitend daarop wordt plant P gedurende vijftien minuten belicht, plant Q blijft in het donker.

Wordt gedurende deze laatste vijftien minuten alleen in plant P, alleen in plant Q of in beide planten NADH2 gevormd?

ATP-vorming bij geraniumplanten in het donker

3/3 Een geraniumplant.

In een experiment worden twee geraniumplanten P en Q in potten eerst gedurende twee dagen in een donkere kamer geplaatst. Aansluitend daarop wordt plant P gedurende vijftien minuten belicht, plant Q blijft in het donker.

Is gedurende het gehele experiment ATP gevormd in plant P?
En in plant Q?

Kenmerken van gistcellen versus bacteriën

1/2 Gistcellen.
Zie figuur A 370 van de bijlage.

In de afbeelding zijn schematisch een doorsnede van een gistcel en een doorsnede van een bacterie weergegeven.

Noem drie kenmerken die in de afbeelding zijn getekend, op grond waarvan gistcellen in een ander rijk worden ingedeeld dan bacteriën.

afbeeldingafbeelding

Leven van gisten: aëroob en anaëroob

2/2 Gistcellen.

Gisten kunnen zowel aëroob als anaëroob leven. Hierover worden twee beweringen gedaan:

1. onder anaërobe omstandigheden produceren gisten minder ATP per molecuul glucose dan onder aërobe omstandigheden,
2. zowel onder anaërobe als onder aërobe omstandigheden kunnen gisten CO2 produceren.

Welke van deze beweringen is of welke zijn juist?

CO2-opname en -afgifte bij planten

1/3 CO2 -opname en -afgifte.

Een onderzoeker voerde drie experimenten uit ter bestudering van de invloed van de temperatuur en de verlichtingssterkte op de CO2 -opname en -afgifte van planten met bladgroen in een kas. Bij alle experimenten wordt aangenomen dat de intensiteit van de dissimilatie onafhankelijk is van de verlichtingssterkte en dat uitsluitend aërobe dissimilatie van glucose plaatsvindt.
In experiment 1 werd in de kas de CO2 -opname en -afgifte van een plant gemeten bij verschillende temperaturen. De CO2 -opname werd steeds bepaald bij een verlichtingssterkte Y en de CO2 -afgifte werd bepaald in het donker. De hoeveelheid licht bij verlichtingssterkte Y was gedurende het experiment niet beperkend voor de fotosynthese.
De CO2 -opname en -afgifte werden uitgedrukt in mg/gram drooggewicht van de plant/uur. De resultaten van de meting zijn weergegeven in onderstaande tabel.

afbeeldingafbeelding

Bij welke temperaturen geeft deze plant, bij verlichtingssterkte Y, O2 aan de omgeving af?

Vergelijking van optimumtemperaturen fotosynthese en dissimilatie

2/3 CO2 -opname en -afgifte.

Aangenomen wordt dat zowel de optimumtemperatuur van de fotosynthese als de optimumtemperatuur van de dissimilatie liggen bij de onderzochte temperaturen.

Is de temperatuur waarbij de fotosynthese het optimum bereikt lager dan, gelijk aan of hoger dan de temperatuur waarop de dissimilatie het optimum bereikt?

CO2-opname en -afgifte bij verschillende temperaturen

3/3 CO2 -opname en -afgifte.
Zie figuur B 1480 van de bijlage.

In experiment 2 werd bij 10°C het verband bepaald tussen de verlichtingssterkte en de CO2 -opname en -afgifte. De resultaten van deze bepalingen zijn weergegeven in het afgebeelde diagram.

Zie figuur C 102 van de bijlage.

In experiment 3 werd experiment 2 herhaald bij 20°C. De resultaten van experiment 3 werden met een onderbroken lijn in het diagram van de afbeelding opgenomen.

In welk van de diagrammen van de afbeelding zijn de resultaten van de experimenten 2 en 3 juist weergegeven?

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

ATP-vorming in bladcellen

1/3 Organellen in een bladcel.

In de bladcellen van een zaadplant bevinden zich onder andere chloroplasten en mitochondriën. De werking van een chloroplast wordt vergeleken met de werking van een mitochondrium in een badcel van deze plant.

In welk organel of in welke organellen wordt ATP gevormd?

Co-enzymen in bladcellen en organellen

2/3 Organellen in een bladcel.

In welk organel of in welke organellen komen co-enzymen voor die waterstof kunnen binden?

Diffusie van gemerkt water in bladcellen

3/3 Organellen in een bladcel.

Deze plant staat in het licht en neemt water op, dat gemerkt is doordat een deel van de zuurstofatomen bestaat uit atomen van het isotoop 18 O.

Bij welk organel of bij welke organellen zal gemerkt water door de membranen diffunderen?

Organellen in autotrofe planten

1/3 Organellen in een cel.

Chloroplasten en mitochondriën zijn twee typen organellen die in levende cellen kunnen voorkomen.

Komen in autotrofe planten chloroplasten voor?
En mitochondriën?

ATP-productie in cellulaire organellen

2/3 Organellen in een cel.

Wordt ATP alleen gevormd in chloroplasten, alleen in mitochondriën of in beide typen organellen?