Oefentoets Biologie: Genetica - geslachtsgebonden | HAVO 4/HAVO 5 | variant 4

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

HAVO 4, HAVO 5

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Genetica

Vachtkleur bij katten.

De vachtkleur bij katten wordt bepaald door een X-chromosomaal gen.
Een lapjeskat heeft per lichaamsdeel één allel voor zwarte vacht en één allel voor gele vacht.
Een zwarte kater wordt gekruist met een lapjeskat.

Hoe groot is de kans dat de eerste nakomeling een gele vrouwtjeskat is?

Genetica

Kleurenblind.

Het allel voor een bepaalde vorm van kleurenblindheid bij de mens is X-chromosomaal en recessief.
Hierover worden de volgende beweringen gedaan:

1. Als een vrouw kleurenblind is, is haar vader kleurenblind en haar moeder òf eveneens kleurenblind òf heterozygoot.
2. De kans dat een dochter uit een huwelijk tussen een heterozygote vrouw en een kleurenblinde man kleurenblind is, is 50%.

Welke van deze beweringen is of welke zijn juist?

Genetica

Fruitvliegjes bestralen.

Bij bananenvliegjes hebben de vrouwtjes twee X-chromosomen in de kern van een lichaamscel en de mannetjes een X- en een Y-chromosoom.
Door radioactieve straling veranderde bij een mannelijk bananenvliegje een dominant allel in een recessief allel.
Dit gebeurde in het X-chromosoom van een cel waaruit spermacellen ontstaan.
Dit mannetje paart met een vrouwtje bij wie dit recessieve allel niet voorkomt.
Zij krijgen nakomelingen: de F1 -generatie. Vervolgens ontstaat daaruit nog een F2 -generatie. Aangenomen wordt dat geen andere mutaties dan de genoemde plaatsvinden.

In welke generatie zou voor het eerst een vliegje gevonden kunnen worden waarbij dit recessieve allel in het fenotype tot uiting komt?
Is dit dan het geval bij de mannetjes of bij de vrouwtjes van die generatie?

Genetica

Fruitvliegjes.

Bij Drosophila is het allel voor rode ogen dominant over dat voor bruine ogen. Het allel voor rechte vleugels is dominant over dat voor gekrulde vleugels. Een aantal mannetjes met rode ogen en rechte vleugels wordt gekruist met een aantal vrouwtjes met bruine ogen en gekrulde vleugels.
De resultaten zijn als volgt:

- 260 mannetjes en 267 vrouwtjes met rode ogen en rechte vleugels,
- 263 mannetjes en 266 vrouwtjes met rode ogen en gekrulde vleugels,
- 265 mannetjes en 265 vrouwtjes met bruine ogen en rechte vleugels,
- 259 mannetjes en 269 vrouwtjes met bruine ogen en gekrulde vleugels.

Welke van de volgende uitspraken over de betrokken allelen is juist?

Genetica

Kanaries.

Bij kanaries komt een allel voor dat X-chromosomaal en recessief is. Embryo's die geen allel E bezitten, sterven in een vroeg stadium. Bij vogels hebben mannetjes twee X-chromosomen per lichaamscel en vrouwtjes één X- en één Y-chromosoom.
Een kanarievrouwtje paart met een homozygoot kanariemannetje.

Hoe groot is de kans dat het eerst-uitgekomen kanariemannetje heterozygoot is voor deze eigenschap?

Genetica

Fruitvliegjes.

In een proef met fruitvliegjes wordt een witogig mannetje gekruist met een homozygoot roodogig vrouwtje.
Het allel voor rode oogkleur is gelegen op het X-chromosoom.

Welke fenotypen hebben de mannetjes van de F1 ?

Genetica

Katten.

Katten met genotype BB en B- zijn zwart, met genotype Bb geelbruin en met genotype bb en b- geel. Het gen ligt op het X-chromosoom.

Als men een geelbruine poes met een zwarte kater kruist zullen er in de nakomelingschap

Genetica

Kleurenblindheid.

Kleurenblindheid wordt veroorzaakt door een recessief X-chromosomaal allel. In een gezin kunnen de vader en de moeder kleuren zien. Hun kind is kleurenblind.

Is dit kind een jongen of een meisje?
Welke ouder bezit het allel voor kleurenblindheid?

afbeeldingafbeelding

Genetica

Bananenvliegjes.

Bij bananenvliegjes wordt de oogkleur onder andere bepaald door een gen, gelegen in het X-chromosoom. Het allel voor rode oogkleur is dominant over het allel voor witte oogkleur.

Bij welke van de volgende kruisingen zullen alle mannelijke nakomelingen witogig zijn?

Genetica

Vlinders.
Zie figuur B 1455 van de bijlage.

Bij het vlindergeslacht Abraxas (zie de afbeelding) bezitten de vrouwtjes per lichaamscel één X- en één Y-chromosoom; de mannetjes bezitten per lichaamscel twee X-chromosomen. De kleur van de vleugels wordt bepaald door een X-chromosomaal allelenpaar. Het allel voor normale vleugelkleur is dominant over het allel voor bleke vleugelkleur.
Een mannetje met normaal gekleurde vleugels paart met een vrouwtje met bleek gekleurde vleugels. Er ontstaat een talrijke nakomelingschap (F1 ) die voor 100% normaal gekleurde vleugels heeft.
De mannetjes en de vrouwtjes uit de F1 paren onderling. Er ontstaat weer een talrijke nakomelingschap (F2 ).

Welke fenotypen zijn te verwachten in deze F2 en in welke percentages zullen deze fenotypen voorkomen?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Genetica

X-chromosomaal.

Bij Drosophila is het allel voor rode ogen dominant over dat voor witte ogen; deze allelen zijn X-chromosomaal.
Een roodogig mannetje wordt gepaard met een roodogig vrouwtje; dit vrouwtje had één witogige ouder.

Is het mogelijk dat er onder de directe nakomelingen witogige mannetjes voorkomen?
En witogige vrouwtjes?

afbeeldingafbeelding

Genetica

Fruitvliegjes en konijnen.

Iemand doet een onderzoek naar de overerving van bepaalde eigenschappen bij fruitvliegjes en konijnen.
De eigenschappen die hij onderzoekt, worden ieder slechts door één allelenpaar bepaald.
Hij voert de volgende proeven uit:

Proef 1. Enkele fruitvliegjes met normale vleugels paren. De mannetjes hebben alle hetzelfde genotype en de vrouwtjes hebben alle hetzelfde genotype. Er ontstaan de volgende nakomelingen:

- 68 vrouwtjes met normale vleugels,
- 34 mannetjes met normale vleugels,
- 38 mannetjes met zeer kleine vleugels.

Proef 2. Twee zwarte konijnen paren. Zij krijgen de volgende nakomelingen:

- 3 witte vrouwtjes,
- 2 witte mannetjes,
- 1 zwart mannetje.

In welke van deze proeven gaat het om een eigenschap die zeker niet door X-chromosomale allelen wordt bepaald?

Genetica

Vachtkleur bij katten.

Bij de huiskat is er een X-chromosomaal allelenpaar voor de vachtkleur: een allel voor een rode vacht en een allel voor een zwarte vacht. Heterozygote katten hebben een intermediair fenotype: ze zijn rood-zwart.
Ook in een ander chromosomenpaar komt een allelenpaar voor dat van invloed is op de vacht. Allel G geeft een (wit-)gevlekte vacht en allel g geeft een effen (niet-witte) vachtkleur. G is dominant over g. Een dier dat rood-zwart èn wit-gevlekt is, wordt een 'lapjeskat' genoemd.
Iemand wil lapjeskatten fokken. Hij heeft de beschikking over de volgende kattenparen:

1. een rode wit-gevlekte poes en een zwarte effen kater,
2. een zwarte effen poes en een rode wit-gevlekte kater,
3. een zwarte wit-gevlekte poes en een rode effen kater.

Bij welk van deze kattenparen zijn de vrouwtjes die worden geboren zeker lapjeskatten?

Genetica

Oogkleur.

Bij fruitvliegjes is het allel voor rode oogkleur dominant over dat voor witte oogkleur. Deze allelen zijn X-chromosomaal.
Een vrouwtje met rode ogen wordt gekruist met een mannetje met witte ogen (P-generatie).
De roodogige dieren van de F1 paren onderling. Hieruit ontstaat een F2 . Er wordt van uitgegaan dat er geen mutaties plaatsvinden.

Komen in deze F2 witogige mannetjes voor?
En witogige vrouwtjes?

Genetica

1/2 Erfelijkheid.

Bij een bepaalde soort muizen zijn er twee X-chromosomale allelen die de vachtkleur bepalen. Er zijn drie fenotypen voor vachtkleur mogelijk: grijs, wit en zwart. Vrouwtjes muizen hebben twee X-chromosomen, mannetjes muizen hebben een X en een Y-chromosoom.
Een grijze en een zwarte muis worden vele malen gekruist. Alle witte jongen zijn mannetjes.

Is de grijze muis de moeder of de vader?
Is de grijze muis homozygoot of heterozygoot?

Genetica

2/2 Erfelijkheid.

Welk fenotype kan of welke fenotypen kunnen voorkomen bij dochters van dit paar?

Genetica

1/2 Hemofilie.
Zie figuur B 1442 van de bijlage.

Bij de mens komt een bloedafwijking voor, die hemofilie wordt genoemd. Deze afwijking wordt veroorzaakt door een X-chromosomaal recessief allel: Xh . Het gevolg van deze afwijking is dat verminderde bloedstolling optreedt.
In de afbeelding is een stamboom getekend van een familie waarin hemofilie voorkomt.
Van de vrouwen 5, 9 en 11 is bekend dat ze draagster zijn van het allel voor hemofilie.

Wat zijn de genotypen van de personen 1 en 8?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Genetica

2/2 Hemofilie.

Persoon 11 trouwt met een man met normale bloedstolling. Ze krijgen een dochter.

Hoe groot is de kans dat deze dochter ook draagster is van het allel voor hemofilie?

afbeeldingafbeelding

Genetica

1/4 Hemofilie.
Zie figuur A 43 van de bijlage.

Bij hemofilie, ook wel 'bloederziekte' genoemd, stolt het bloed na een verwonding niet of slechts heel langzaam doordat in het bloed een stollingsfactor ontbreekt. Het gen voor deze stollingsfactor is X-chromosomaal.

Alexis, de zoon van de laatste Russische tsaar, Nicolaas II, leed aan hemofilie. In de afbeelding A 43 is een deel van de stamboom van zijn familie weergegeven. Uit deze stamboom blijkt dat het allel dat hemofilie veroorzaakt in deze familie afkomstig is van koningin Victoria van Engeland.

Wat moet in de volgende zin op de plaats van de puntjes worden ingevuld?

Bij de bloedstolling speelt/spelen behalve stollingsfactoren in het bloedplasma ook ..... een grote rol.

afbeeldingafbeelding

Genetica

2/4 Hemofilie.

In 1995 werden in Jekaterinenburg skeletten opgegraven. Bij die plaats werd het tsarengezin in 1918 door de communisten geëxecuteerd. Om na te gaan of de opgegraven skeletten echt van het tsarengezin zijn, is DNA uit die skeletten vergeleken met DNA van prins Philip, echtgenoot van de huidige koningin van Engeland en verwant aan de tsarenfamilie (zie de afbeelding). Het tsarengezin bestond uit Nicolaas II, tsarina Alexandra, hun zoon Alexis en hun vier dochters.
Voor het vergelijken van het DNA gebruikte men geen DNA uit de kernen maar DNA uit de mitochondriën.
Mitochondriën bevatten eigen DNA, dat onafhankelijk is van het DNA in de kern. Bij de bevruchting dringt alleen de kern van een spermacel de eicel binnen.
Mitochondriën van de spermacel komen niet in de eicel terecht.

Noem de functie van de mitochondriën in een cel.