Oefentoets Biologie: Ziekten | HAVO 4/HAVO 5 | variant 3

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

HAVO 4, HAVO 5

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Ziekten

2/3 Geneesmiddel per pleister.
Zie figuur B 1593 en figuur C 105 van de bijlage.

Gedurende drie weken worden pleisters geplakt. Daarna één week niet, waarna de procedure wordt herhaald.
Gedurende de laatste tien dagen van de genoemde drie weken wordt de behandeling met pleisters aangevuld met de inname van tabletten met een hormoon dat kunstmatig bereid is. De werking van dit hormoon vertoont grote overeenkomsten met een hormoon dat tijdens de natuurlijke ovulatiecyclus wordt gevormd. In de afbeelding B 1593 is het behandelingsschema weergegeven. Na het stoppen met de toediening van beide hormonen op dag 21 treedt een menstruele bloeding op in de daarop volgende week.

Het opwekken van de bloeding is noodzakelijk in verband met door oestradiol veroorzaakte veranderingen in de baarmoeder. Het via de tabletten ingenomen kunstmatig bereide hormoon komt overeen met een natuurlijk hormoon. Het tijdelijk niet slikken van deze tabletten zorgt ervoor dat een menstruele bloeding optreedt.

Leg dit uit, waarbij je de naam geeft van het natuurlijke hormoon waarmede het hormoon uit de tabletten overeenkomt.




-

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Ziekten

3/3 Geneesmiddel per pleister.

De genoemde hormonen bootsen de menstruatiecyclus slechts gedeeltelijk na. Het is niet zo dat de op deze wijze behandelde vrouwen weer vruchtbaar worden.

Leg uit dat de behandeling bij deze vrouwen er niet toe leidt dat ze opnieuw vruchtbaar worden.

Ziekten

1/4 Geneesmiddelen testen.
Zie figuur E 28 van de bijlage.

In de afbeelding is schematisch weergegeven op welke manier de werkzaamheid van een geneesmiddel voor een bepaalde ziekte getest wordt. Het antwoord op de kernvraag bij punt drie zou afgeleid kunnen worden uit de twee grafieken onderaan. De tekenaar heeft de assen van de grafieken echter niet benoemd.

Stel dat het middel tegen hoofdpijnaanvallen werkt.

Wat moet er dan op de X-as van beide grafieken staan?
En wat moet er op de Y-as van beide grafieken staan?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Ziekten

2/4 Geneesmiddelen testen.

Om een verantwoorde conclusie te kunnen trekken over de werking van het geneesmiddel, moet het aantal proefpersonen in beide groepen groot zijn.

Geef twee andere criteria waaraan de beide groepen proefpersonen moeten voldoen.

Ziekten

3/4 Geneesmiddelen testen.

Het geneesmiddel waarvan in de afbeelding sprake is, wordt toegediend in de vorm van pillen die met water worden ingenomen.

Het is niet waarschijnlijk dat het werkzame bestanddeel een eiwit is. Leg uit om welke reden.

Ziekten

4/4 Geneesmiddelen testen.

Waarop zal een geneesmiddel tegen hoofdpijn met name effect hebben?

Ziekten

1/4 Maden in het ziekenhuis.

Het komt nogal eens voor dat grote huidwonden slecht genezen. Afgestorven weefsel remt de heling en kan zelfs zeer schadelijk zijn. De bacteriën in het afgestorven weefsel produceren toxines die het gezonde weefsel binnendringen. Amputatie kan dan noodzakelijk zijn. Tot voor kort was de enige remedie bestrijding met antibiotica en verwijderen van afgestorven weefsel. Door de opkomst van antibiotica-resistente bacteriestammen en de schade aan het gezonde weefsel bij chirurgische ingrepen heeft men teruggegrepen op een oude techniek: behandeling met maden.
Maden zijn larven van vliegen, die veel voedsel nodig hebben. De made van de Vleesvlieg (Lucilia sericata) is gespecialiseerd in dood organisch materiaal als voedsel. In een aantal ziekenhuizen gebruikt men speciaal gekweekte steriele maden bij lastige wonden. Het speeksel van deze maden lost het dode weefsel op (het levende niet), waarna de maden het gevormde mengsel (inclusief bacteriën) opzuigen.

Leg uit hoe, door het gebruik van antibiotica, de bacteriestammen die resistent zijn voor antibiotica, de overhand hebben genomen.

Ziekten

2/4 Maden in het ziekenhuis.

Welke van de onderstaande vier stoffen zijn zeker in het speeksel van de maden te vinden?

Ziekten

3/4 Maden in het ziekenhuis.

De lijfarts van Napoleon, baron Larrey, meldde al dat soldaten die op het slagveld waren achtergebleven met wonden die vol maden zaten, vaak een beter wondherstel hadden dan hun collega's die meteen naar het veldhospitaal waren afgevoerd om door chirurgen te worden behandeld.

Wat kun je over de melding van baron Larrey zeggen?

Ziekten

4/4 Maden in het ziekenhuis.

In de gebruiksaanwijzing die bij de behandeling met maden wordt verstrekt, staat dat bepaalde factoren van het wondmilieu tot een lagere effectiviteit van de madentherapie kunnen leiden. Genoemd wordt onder andere een verminderde luchtcirculatie door een te strak of te dik verband.

Leg uit dat de effectiviteit van de behandeling daardoor lager wordt.

Ziekten

1/3 Een plantaardig geneesmiddel tegen malaria.
Zie figuur B 6836 van de bijlage.

De ziekte malaria wordt veroorzaakt door de malariaparasiet, een eencellig diertje dat door de malariamug onder mensen wordt verspreid. De parasiet kan in een rode bloedcel van een mens binnendringen. In de rode bloedcel plant de parasiet zich ongeslachtelijk voort. Als gevolg van de infectie gaat de bloedcel te gronde, waarbij de parasieten vrijkomen. De parasieten zoeken dan weer andere bloedcellen op. Doordat geïnfecteerde bloedcellen uitsteeksels gaan vormen, raken diverse haarvaten verstopt. De stofwisselingsproducten van de parasiet die in het bloed komen, veroorzaken koortsaanvallen.
Bij vrijwel alle geneesmiddelen tegen malaria is resistentie van de malariaparasiet waargenomen, zelfs bij middelen die pas enkele jaren worden gebruikt. Een nieuw middel zou artemisinine kunnen zijn, een extract uit een plant: een eenjarige Artemisia-soort.
Artemisinine vernietigt de malariaparasiet.
Iemand die met malaria is besmet, is tot minder activiteit in staat dan vóór de besmetting, ook als hij of zij geen koorts heeft.

Leg uit waardoor de genoemde veranderingen met betrekking tot de bloedcellen hiertoe leiden.

afbeeldingafbeelding

Ziekten

2/3 Een plantaardig geneesmiddel tegen malaria.

Bij de eerste toepassing van een nieuw geneesmiddel in een bepaald gebied heeft men geen last van resistente malariaparasieten, maar nadat het geneesmiddel enige tijd gebruikt is, wel.

Leg uit waardoor na enige tijd veel malariaparasieten in zo'n gebied resistent zijn.

Ziekten

3/3 Een plantaardig geneesmiddel tegen malaria.

Het extract artemisinine wordt uit de groene delen van de artemisiaplant verkregen. De opbrengst per plant is zeer gering. Uitgaande van planten uit de natuur zou men steeds nieuwe rassen kunnen verkrijgen met een steeds hogere opbrengst van artemisinine. Dit kan door de plant jarenlang geslachtelijk voort te planten.

Beschrijf in een aantal stappen een dergelijke werkwijze, die geen gebruik maakt van moderne biotechnologie.

Ziekten

1/4 Griep.

Griep wordt veroorzaakt door een influenzavirus.
Mensen voor wie het krijgen van griep een extra risico voor de gezondheid oplevert, doen er verstandig aan een ‘griepspuit' te halen. Ze krijgen dan een vaccin toegediend.

Wat is het werkzame bestanddeel van een vaccin tegen griep?

Ziekten

2/4 Griep.

Ook voor ziekenhuispersoneel is een griepspuit belangrijk. Ziekenhuispersoneel kan slecht worden gemist.

Leg uit waarom, afgezien hiervan, het nog meer van belang is dat juist ziekenhuispersoneel wordt gevaccineerd.

Ziekten

3/4 Griep.

Het slijmvlies van de luchtwegen is van belang voor de bescherming van de longen.

Noem drie functies die het slijmvlies in de luchtwegen in verband hiermee heeft.

Ziekten

4/4 Griep.
Zie figuur B 1373 van de bijlage.

Door een influenzavirus ontstaan vaak ontstekingen in het slijmvlies van de luchtpijp, waardoor het dekweefsel wordt beschadigd. De afbeelding B 1373 geeft twee tekeningen weer van het slijmvlies van de luchtpijp van de mens.
Tekening P geeft het slijmvlies van een gezonde luchtpijp weer. Deze heeft een regelmatige bekleding van dekweefselcellen met trilharen. Tekening Q geeft het beschadigde slijmvlies weer van een patiënt met griep.
Een van de mogelijke gevaren van griep is het optreden van een bacteriële superinfectie. Daarmee wordt bedoeld dat na infectie met het influenzavirus ook een infectie optreedt door bacteriën. Dergelijke bacteriën komen bij gezonde personen ook voor, maar hun aanwezigheid leidt doorgaans niet tot ziekteverschijnselen.

Verklaar met behulp van de afbeelding B 1373 waardoor de kans op een bacteriële infectie groot is bij een al aanwezige infectie met het influenzavirus.

afbeeldingafbeelding

Ziekten

1/4 Hepatitis.

Hepatitis-B is een ernstige vorm van leverontsteking die wordt veroorzaakt door een virus. Men is er in geslaagd het gen met de erfelijke informatie voor een deel van het hepatitis-B-virus in te bouwen in planten. Planten met dit ingebouwde gen produceren nu ook dat deel van het hepatitis-B-virus. Dit deel van het hepatitis-B-virus werkt bij de mens als antigeen. Men wil nagaan of proefdieren die deze gemodificeerde planten eten, immuun worden voor het hepatitisvirus. In de darmwand bevinden zich speciale lymfeknopen waarin antigenen worden
opgenomen die met het voedsel de darm binnenkomen. Tegen deze antigenen worden antistoffen geproduceerd.
Dieren zouden dus immuun kunnen worden voor hepatitis-B als het antigeen uit de gemodificeerde planten door deze lymfeknopen wordt opgenomen.

Je mag er bij de volgende vragen van uit gaan dat immuniteit bij dieren op dezelfde wijze ontstaat als bij de mens.

In welke stof in de gemodificeerde planten is het gen uit het hepatitis-B-virus ingebouwd?

Ziekten

2/4 Hepatitis.

Is er sprake van actieve immunisatie of van passieve immunisatie als er bij dieren door het eten van gemodificeerde planten immuniteit voor hepatitis-B tot stand komt? Geef een verklaring voor je antwoord.

Ziekten

3/4 Hepatitis.

Bij hepatitis-A is immunisatie mogelijk door inspuiting van antistoffen in het bloed. Toediening van deze antistoffen via de mond heeft geen effect.

Leg uit waardoor toediening van deze antistoffen via de mond geen effect heeft.