Oefentoets Biologie: Assimilatie-dissimilatie | Kooldioxide/zuurstof | VMBO theoretische leerweg, 4 | variant 3

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VMBO theoretische leerweg, 4

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Assimilatie_dissimilatie

Vier reageerbuizen met waterpest.

Vier reageerbuizen bevatten elk een even groot takje waterpest (een plant met bladgroen).
Deze vier reageerbuizen staan bij kamertemperatuur een uur in een proefopstelling zoals die in de tabel is weergegeven.

afbeeldingafbeelding

In welke buis is na dit uur de minste koolstofdioxide over?

Assimilatie_dissimilatie

Levende organismen in afgesloten bakken.
Zie figuur B 1858 van de bijlage.

In vier even grote afgesloten bakken bevinden zich levende organismen (zie tekeningen).
De bakken zijn met lucht gevuld en staan één uur in het zonlicht.

Welke bak bevat na dat uur de minste koolstofdioxide?

afbeeldingafbeelding

Assimilatie_dissimilatie

Glazen bakken met gras of paddenstoelen.

Twee afgesloten glazen bakken zijn met lucht gevuld.
In de ene bak bevindt zich gras; in de andere bak bevinden zich paddenstoelen.
Zowel gras als paddenstoelen leven.

Er zijn vier opstellingen mogelijk:

1. Beide bakken staan in het licht.
2. Beide bakken staan in het donker.
3. De bak met gras staat in het zonlicht; de bak met paddenstoelen staat in het donker.
4. De bak met gras staat in het donker; de bak met paddestoelen staat in het zonlicht.

Bij welke opstellingen zal in beide bakken het koolstofdioxidegehalte toenemen?

Assimilatie_dissimilatie

Glazen bakken met gras of champignons.

In vier met lucht gevulde glazen bakken groeien levende planten of schimmels. De bakken zijn afgesloten.

In bak 1 groeit gras; de bak staat in het zonlicht.
In bak 2 groeit gras; de bak staat in het donker.
In bak 3 groeien champignons; de bak staat in het zonlicht.
In bak 4 groeien champignons; de bak staat in het donker.

In welke bak of in welke bakken neemt de hoeveelheid koolstofdioxide zeker toe?

Assimilatie_dissimilatie

Een aquarium met planten.

In een aquarium bevinden zich in het water alleen planten met bladgroen. Eerst staat het aquarium in het licht; op tijdstip t wordt het in het donker gezet. Voortdurend wordt het CO2 -gehalte van het water gemeten.

Zie figuur B 881 van de bijlage.

Welk diagram geeft het verloop van het CO2 -gehalte juist weer?

afbeeldingafbeelding

Assimilatie_dissimilatie

Plant en een dier in een ruimte.
Zie figuur A 82 van de bijlage.

In vier ruimten worden een plant en een dier geplaatst, zoals aangegeven in de figuren. Alle planten hebben eenzelfde gewicht, alle dieren ook. Na een uur zijn alle organismen nog in leven. De dieren hebben zich rustig gedragen.

In welke ruimte is dan het kooldioxidegehalte het hoogst?

afbeeldingafbeelding

Assimilatie_dissimilatie

Het percentage CO2 in een luchtholte van een blad.

Gedurende een bepaalde periode neemt het percentage CO2 in een luchtholte van een blad af van 0,04% tot 0,02%. De lucht rondom het blad bevat gedurende deze periode 0,04%.

Vindt er gedurende deze periode in het blad fotosynthese plaats?
En verbranding?

Assimilatie_dissimilatie

Koolstofdioxideproductie.
Zie figuur B 1092 van de bijlage.

Bij een onderzoek naar de koolstofdioxideproductie bij organismen wordt de volgende proef gedaan met drie afgesloten reageerbuizen.

In de reageerbuizen bevindt zich het volgende:

- In buis 1 lucht met daarin een vers blad; deze buis staat in het donker.
- In buis 2 lucht met daarin een vers blad; deze buis staat in het licht.
- In buis 3 lucht met daarin enkele insecten; deze buis staat in het licht.

Na de proef zijn de bladeren en de insecten niet van uiterlijk veranderd.

In welke van deze buizen neemt in het half uur na het begin van de proef de hoeveelheid koolstofdioxide zeker toe?

afbeeldingafbeelding

Assimilatie_dissimilatie

Amoeben en oogdiertjes.
Zie figuur B 784 van de bijlage.

In twee bakken (1 en 3) bevinden zich amoeben en oogdiertjes. In twee andere bakken (2 en 4) bevinden zich alleen oogdiertjes. Deze oogdiertjes zijn eencelligen met bladgroen.
Het aantal organismen in iedere bak is even groot.
De bakken 1 en 2 worden in het licht geplaatst.
De bakken 3 en 4 in het donker.

Welke bak bevat na 24 uur het minste koolstofdioxide?

afbeeldingafbeelding

Assimilatie_dissimilatie

Groene bladeren en wespen.
Zie figuur B 927 van de bijlage.

Men neemt drie glazen buizen 1, 2 en 3. In de buizen 1 en 2 wordt een levend groen blad gedaan; in buis 3 enkele levende wespen. Men sluit de drie buizen af en zet buis 1 in het donker; de buizen 2 en 3 worden in het volle daglicht gezet. Alle andere omstandigheden zijn voor de drie buizen gelijk.
Na een uur wordt de hoeveelheid kooldioxide in de drie buizen bepaald.

De hoeveelheid kooldioxide is dan

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Assimilatie_dissimilatie

Groene waterplanten en vissen.

Twee afgesloten glazen bakken met leidingwater staan in het licht.
In bak 1 worden groene waterplanten gezet. In bak 2 worden vissen gezet.

Wat gebeurt er dan met de hoeveelheid kooldioxide in het water?

De hoeveelheid kooldioxide in het water van

afbeeldingafbeelding

Assimilatie_dissimilatie

Slakken en groene waterplanten.
Zie figuur A 168 van de bijlage.

De vier afgebeelde reageerbuizen staan in het licht.

In welke buis zal na een uur het koolstofdioxidegehalte het hoogst zijn?

afbeeldingafbeelding

Assimilatie_dissimilatie

Paardenbloemen en champignons.
Zie figuur B 982 van de bijlage.

Bij een proef worden planten in twee met lucht gevulde glazen bakken gebracht. Daarna worden de bakken afgesloten. Bak 1 bevat paardenbloemen en bak 2 champignons.

In welke bak (bakken) neemt de hoeveelheid koolstofdioxide toe als beide bakken in het zonlicht staan?
En als beide bakken in het donker staan?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Assimilatie_dissimilatie

Zuurstof en/of koolstofdioxide produceren en/of verbruiken.

Een bepaald organisme kan zuurstof produceren en verbruiken.
Hetzelfde organisme kan koolstofdioxide produceren en verbruiken.

Welk van onderstaande organismen kan dit zijn?

Assimilatie_dissimilatie

Vier reageerbuizen in een proefopstelling.
Zie figuur B 1697 van de bijlage.

Vier reageerbuizen staan in een proefopstelling zoals hiernaast is aangegeven.
De buizen bevatten evenveel water en lucht van gelijke samenstelling.
Buizen 2 en 4 bevatten bovendien een levend groen blad van dezelfde grootte.
Buizen 3 en 4 worden in het donker gezet.

Welke buis zal na een dag de grootste hoeveelheid kooldioxide bevatten?

afbeeldingafbeelding

Assimilatie_dissimilatie

Vier reageerbuizen met organismen.
Zie figuur B 1774 van de bijlage.

In vier reageerbuizen met water bevinden zich organismen (zie tekening).
In enkele buizen neemt de hoeveelheid koolstofdioxide in het water toe.

In welke buizen gebeurt dit?

afbeeldingafbeelding

Assimilatie_dissimilatie

Plant met bladgroen.
Zie figuur B 1787 van de bijlage.

Een onderzoeker zet een plant met bladgroen in het donker. Daarna laat hij de hoeveelheid licht geleidelijk toenemen. Hij bepaalt de hoeveelheid opgenomen en afgegeven koolstofdioxide. De resultaten zijn in één van de diagrammen juist weergegeven.

Welk diagram is dit?

afbeeldingafbeelding

Assimilatie_dissimilatie

Kappen van oerwouden

Op grote schaal worden tegenwoordig oerwouden gekapt en worden de oceanen ondoorzichtiger door het lozen van allerlei vervuilende stoffen. Bovendien breiden de woestijnen zich uit.

Wat kan hiervan het gevolg zijn voor het CO2 -gehalte in de atmosfeer?
En voor het O2 -gehalte?

afbeeldingafbeelding

Assimilatie_dissimilatie

Afgifte van stoffen aan de lucht.

Enkele stoffen die in planten met bladgroen voorkomen zijn:

1. water (waterdamp)
2. zuurstof
3. koolstofdioxide.

Welke van deze stoffen kan een plant met bladgroen aan de lucht afgeven?

Assimilatie_dissimilatie

Experiment met planten en paddestoelen.

Tijdens een practicum voeren vier groepen leerlingen elk een experiment uit. Daarbij wordt regelmatig het O2 - en het CO2 -gehalte van de lucht in een afgesloten ruimte gemeten.

- Groep 1 zet enkele planten met bladgroen in de afgesloten ruimte in het zonlicht.
- Groep 2 zet enkele planten met bladgroen in de afgesloten ruimte in het donker.
- Groep 3 zet enkele paddestoelen in de afgesloten ruimte in het zonlicht.
- Groep 4 zet enkele paddestoelen in de afgesloten ruimte in het donker.

De leraar vraagt de leerlingen in een diagram het O2 - en het CO2 -gehalte van de lucht weer te geven.

Zie figuur B 829 van de bijlage.

Eén groep heeft als juiste uitkomst van hun experiment de diagrammen gemaakt.

Welke groep is dit?

afbeeldingafbeelding