Oefentoets Biologie: Dierfysiologie | VWO 4/VWO 5/VWO 6 - variant 3

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VWO 4, VWO 5, VWO 6

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Dierfysiologie

Kangoeroes.

Kangoeroes likken in de warmte de vacht op hun poten en buik.

Waardoor geeft dit een verkoelend effect?

Dierfysiologie

Spitsmuis.

De insectenetende spitsmuis is de kleinste onder de zoogdieren.

Iedere dag moet dit diertje ongeveer zijn eigen lichaamsgewicht aan voedsel opeten omdat

Dierfysiologie

Aalscholvers.

Aalscholvers produceren, anders dan veel andere watervogels, geen grote hoeveelheden vet voor hun veren.
Dat betekent dat zij na het vissen veel tijd moeten besteden aan het drogen van hun vleugels.

Wat is de meest waarschijnlijke verklaring hiervoor?

Dierfysiologie

1/2 Vier zoogdieren.

In de tabel hieronder staan het ademhalingsritme, het hartritme en de lichaamstemperatuur van vier zoogdiersoorten P, Q, R en S.
afbeeldingafbeelding

In de linkerkolom staat een rij van 1 t/m 4, volgens afnemende verhouding oppervlak/volume.

Zet de soorten P, Q, R en S in de juiste volgorde van afnemende verhouding.

  • P

  • Q

  • R

  • S

  • 1

  • 2

  • 3

  • 4

Dierfysiologie

2/2 Vier zoogdieren.

In de tabel hieronder staan het ademhalingsritme, het hartritme en de lichaamstemperatuur van vier zoogdiersoorten P, Q, R en S.
afbeeldingafbeelding

In de linkerkolom staat een rij van 1 t/m 4, volgens afnemend bloedvolume.

Zet de soorten P, Q, R en S in de juiste volgorde van afnemende verhouding.

  • S

  • Q

  • R

  • P

  • 1

  • 2

  • 3

  • 4

Dierfysiologie

Mug onder water.

Indien je een larve van de steekmug met de kop onder water houdt, dan zal deze muggenlarve

Dierfysiologie

Longen.

Dieren met een constante lichaamstemperatuur hebben meer ingewikkeld gebouwde longen dan dieren met een wisselende lichaamstemperatuur.

Dit is zo doordat

Dierfysiologie

Ademhaling bij poliepen.
Zie figuur B 5077 van de bijlage.

Holtedieren, zoals de hiernaast afgebeelde zoetwaterpoliep, zijn opgebouwd uit twee cellagen.

Deze dieren hebben geen speciale ademhalingsorganen nodig doordat

afbeeldingafbeelding

Dierfysiologie

Tegenstroom.

Het uitwisselen van gassen bij vissen berust op het tegenstroomprincipe.

Welk van de volgende vier beweringen daarover is of welke zijn juist?

Dierfysiologie

Zalmen.

Zalmen verblijven een gedeelte van hun leven in zoetwater en een gedeelte in zoutwater.

Als zalmen trekken van zoetwater naar zoutwater, welk van de volgende gebeurtenissen vindt dan niet plaats?

Dierfysiologie

Gewicht en snelheid.
Zie de figuren B 5079 en B 5080 van de bijlage.

Afbeelding 1 hiernaast toont de relatie tussen lichaamsgewicht (in gram)en stofwisselingssnelheid van verschillende dieren (in J/(g.h).
Afbeelding 2 toont het O2 -verbruik van verschillende dieren (in mL/(g.h) als functie van de loopsnelheid (in km/h) .

Welk van de volgende beweringen is of welke zijn juist?

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Dierfysiologie

1/3 Winterslaap.
Zie figuur B 5081 van de bijlage.

Sommige dieren houden een winterslaap in een periode dat er weinig voedsel te vinden is. Een van hen is de bruine beer.
Gedurende een maand of vier eet en drinkt hij niet en heeft hij geen uitscheiding. Aan de beer in winterslaap is veel onderzoek gedaan. Gebleken is dat zijn temperatuur, ademhalingsfrequentie en hartslag dan een stuk lager zijn dan normaal.
Hiernaast zie je een deel van een cardiogram van een beer in winterslaap.

Bepaal het aantal hartslagen per minuut van deze beer.
Dat aantal is .. slagen per minuut. Geef de berekening.

afbeeldingafbeelding

Dierfysiologie

2/3 Winterslaap.

Tijdens zijn winterslaap moet de beer zo weinig mogelijk warmte afstaan aan de omgeving. Voor de warmte die een beer per tijdseenheid afgeeft, geldt:
DQ / Dt = k DT

Hierin is:
· DQ / Dt de hoeveelheid warmte die per seconde wordt afgestaan (in J/s of W),
· k een constante die afhangt van de isolerende eigenschappen van de beer (in W/°C),
· DT het verschil tussen de lichaamstemperatuur van de beer en de omgevingstemperatuur (in °C).

Moet de constante k bij een beer in winterslaap zo klein mogelijk of zo groot mogelijk zijn? Licht je antwoord toe.

Dierfysiologie

3/3 Winterslaap.
Zie figuur B 5082 van de bijlage.

Tijdens zijn winterslaap moet de beer zo weinig mogelijk warmte afstaan aan de omgeving. Voor de warmte die een beer per tijdseenheid afgeeft, geldt:
DQ / Dt = k DT

Noem twee eigenschappen van een beer die van invloed zijn op de grootte van k .

afbeeldingafbeelding

Dierfysiologie

Temperatuur en dieren.
Zie figuur B 5986 van de bijlage.

In het diagram hiernaast zie je de lichaamstemperatuur van de dieren A, B, C en D bij verschillende omgevingstemperaturen.

Welke van de volgende beweringen is op grond van de grafieklijnen juist?

afbeeldingafbeelding

Dierfysiologie

Dieren in de kou.

Welk van de volgende eigenschappen is geen aanpassing van dieren aan het leven in de kou?

Dierfysiologie

Spieren en zuurstofverbruik.
Zie figuur B 2052 van de bijlage.

Bij een zuurstofspanning van 20 kPa in de lucht wordt een zuurstofverbruik van een zoogdier in rust in Nederland gemeten bij verschillende temperaturen. In de afbeelding zijn drie diagrammen getekend.

In welke van deze diagrammen is het zuurstofverbruik van dit zoogdier bij verschillende temperaturen juist weergegeven?

afbeeldingafbeelding