Oefentoets Biologie: Ecologie | VWO 1/VWO 2/VWO 3 | variant 6

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VWO 1, VWO 2, VWO 3

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Ecologie

Bacteriën in de bodem.

In een weidegebied komen diverse organismen voor, bijvoorbeeld konijnen, sprinkhanen, schapen, gras en bodembacteriën.

Wat is de rol van bodembacteriën in het weidegebied?

Ecologie

Voedselketen.

In een voedselketen gaat biomassa verloren. Hoe korter de voedselketen is, des te minder biomassa er verloren gaat.

In welke van de volgende situaties zal het verlies aan biomassa in de voedselketen eveneens veel minder zijn?

Ecologie

Bacteriën.

Er zijn veel soorten bacteriën en je treft ze overal op de aarde aan, bijvoorbeeld op de grond in een bos, op de bodem van een sloot en zelfs op de bodem van de diepzee.
Veel organismen zijn voor hun voedsel afhankelijk van bacteriën.
Op sommige plaatsen nemen speciale bacteriën dezelfde plaats in als planten op het land.

Welke van de volgende uitspraken is of zijn juist?

Ecologie

1/2 Kikkerhandel.
Zie figuur B 5289 van de bijlage.

Veel mensen vinden kikkerbilletjes erg lekker. De kikkerbilletjes zijn onder andere afkomstig uit landen als Bangladesh en India. Deze landen exporteren ruim 150 miljoen kikkers per jaar. Vroeger werden de kikkers gewoon in de vrije natuur gevangen. Omdat de handel in deze kikkers tegenwoordig verboden is, worden ze nu speciaal voor de export gekweekt.
Het wegvangen van kikkers had allerlei gevolgen. Doordat er minder kikkers waren, was er een grote toename van schadelijke insecten op de landbouwgewassen. Om die te bestrijden had men meer biociden nodig, waaronder het beruchte DDT. Als gevolg hiervan kreeg de plaatselijke bevolking biocidenvergiftiging. Dat kwam doordat het vee waarvan de bevolking het vlees at,gevoerd werd met planten waarin nog resten van biociden zaten.

Welke van de hier genoemde organismen vormen de consumenten van de tweede orde in het besproken gebied?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

2/2 Kikkerhandel.

Het vangen van kikkers voor de handel had gevolgen voor bepaalde ecosystemen in landen als India. Daardoor ging men het bestrijdingsmiddel DDT gebruiken.

Twee beweringen hierover zijn:

1. Door het wegvangen van de kikkers nam de totale biomassa van de landbouwgewassen toe.
2. DDT moest de schade tegengaan die door de kikkers veroorzaakt werd.

Welke bewering is of welke beweringen zijn juist?

Ecologie

Voedselproject in een woestijn.

Bij een voedselproject in een woestijngebied overweegt men water van grote diepte op te pompen en in bekkens te verzamelen. Dit water bevat veel keukenzout.
In dit water kan men, eventueel na toevoeging van andere mineralen, algen kweken.
Algen zijn planten die kunnen dienen als voedsel voor dieren en mensen.

Er worden drie situaties overwogen waarin de algen als voedsel kunnen worden gebruikt:

situatie 1: als voer voor vee dat wordt gehouden voor vleesproductie,
situatie 2: als voer voor in de bekkens te kweken consumptievissen,
situatie 3: voor menselijke consumptie.

Vergelijk deze drie situaties waarin de algen kunnen worden gebruikt. Ga ervan uit dat de groei van het aantal algen in deze situaties even groot is. In iedere situatie kan wellicht een andere hoeveelheid voedingsstoffen voor de mens ter beschikking komen.

Welke van deze situaties levert de grootste hoeveelheid voedsel voor de mens op?

Ecologie

Vegetariër.

Stel je hebt twee eilanden, eiland A en eiland B. Op beide eilanden wonen 1500 mensen.
De groeiomstandigheden en grootte van de eilanden A en B zijn gelijk.
Al het voedsel dat door de eilandbewoners en hun dieren wordt gegeten verbouwen ze zelf, er wordt niets geïmporteerd of geëxporteerd.
Op eiland A zijn alle bewoners vegetariër terwijl op eiland B de helft van de mensen vegetariër is.

Op welk van de eilanden is de meeste grond nodig voor een langdurige voedselvoorziening?

Ecologie

2/2 Kikkerpopulatie.

Het ringetje dat de kikkers om de poot krijgen, blijkt aan de strakke kant. De kikkers zijn trager geworden en hebben hier met name last van bij het springen en zwemmen.

Is de werkelijke populatie in dit geval juist geschat of is deze groter of is deze kleiner dan de berekende waarde?

Ecologie

Bestrijdingsmiddelen.
Zie figuur B 5290 van de bijlage.

In de afbeelding hiernaast zijn een volwassen langpootmug en een emelt te zien.
Een emelt is een larve van een langpootmug. Emelten leven vooral in vochtig grasland, twee tot drie centimeter onder de grond. Ze vreten jonge plantendelen aan, waardoor in grasland kale plekken kunnen ontstaan.
Emelten worden in het voorjaar veel door spreeuwen gegeten. Een stuk grasland is in Nederland meestal een monocultuur van grasplanten. De langpootmuggen kunnen zich daar goed in voortplanten.
Als het aantal emelten groot is, bestrijdt men ze soms met chemische bestrijdingsmiddelen. Niet alle emelten gaan daaraan dood. Aan het gebruik van deze middelen zijn nadelen verbonden. Een belangrijk nadeel is dat veel chemische bestrijdingsmiddelen niet-selectief zijn.

Bij welk organisme uit bovenstaande tekst zal na verloop van tijd de hoogste concentratie bestrijdingsmiddelen worden aangetroffen?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

Vogelveren.
Zie figuur B 5291 van de bijlage.

Ergens in Nederland vindt een wandelaar vogelveren. De witte stukken zijn erg weggesleten, de zwarte delen niet. De vinder ziet vaak zulke veren die niet van watervogels zijn.
Deze persoon weet wel wat af van de samenstelling van veren. Zwarte punten bevatten de kleurstof melanine en het eiwit keratine, dat samen met het zwarte pigment de veer sterker maakt, zodat de veren daar minder slijten.

Waar zal de vogel wiens veren gevonden zijn, voornamelijk leven?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

Brandnetels.

Bij brandnetels komen afwijkende planten met weinig bladgroen voor. Met deze brandnetels en met gewone brandnetels worden de volgende experimenten gedaan:

Experiment 1: vier gewone brandnetels worden samen opgekweekt;
Experiment 2: twee gewone brandnetels en 2 afwijkende worden samen opgekweekt;
Experiment 3: vier afwijkende exemplaren worden samen opgekweekt.

De drie experimenten worden onder gelijke omstandigheden uitgevoerd. Na zes weken wordt het gewicht van de planten bepaald. De resultaten staan in de tabel hieronder.
afbeeldingafbeelding

Uit de vergelijking van welke resultaten blijkt dat gewone brandnetels de groei van de afwijkende brandnetels nadelig beïnvloeden?

Dit blijkt uit vergelijking van de resultaten van

Ecologie

1/2 Insectenbestrijding.
Zie figuur B 5292 van de bijlage.

In de landbouw wordt schade aangericht door insectenplagen. Vooral de larven van sommige insecten zijn vraatzuchtig. Met behulp van sluipwespen is het vaak mogelijk het ontstaan van een plaag te voorkomen. Sluipwespvrouwtjes leggen hun eieren in larven van schadelijke insecten (gastheerlarven).
Een sluipwesplarve die uit het eitje komt, eet de gastheerlarve van binnenuit op. Op deze manier wordt de ene insectensoort met behulp van een ander bestreden.

Waardoor bestaat bij deze bestrijdingsmethode geen gevaar voor een
sluipwespenplaag?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

Rupsen als voedsel voor mezen.

Mezen eten rupsen. In een bepaald bos zijn er mezen en drie soorten rupsen P, Q en R .
De verdeling van deze rupsen is niet gelijk. Op bepaalde plaatsen komen veel meer rupsen van soort P voor dan rupsen van soorten Q en R. In een ander deel komen juist meer rupsen van soort Q voor.
In het deel van het bos waarin vooral rupsen van soort P voorkomen, eten de mezen alleen rupsen van soort P.
Waar vooral veel rupsen van soort Q voorkomen, eten de mezen uitsluitend rupsen van soort Q.
De mezen verplaatsen zich nauwelijks over grote afstanden in het bos. Zij blijven binnen hun eigen territorium.

Welke bewering geeft of welke beweringen geven een mogelijke verklaring voor de sterke voorkeur van de mezen voor rupsen van een bepaalde soort in een bepaald deel van het bos?

1 Rupsen van verschillende soorten zitten op verschillende plaatsen in bomen. Het loont niet voor de mezen te gaan zoeken op plaatsen waar rupsen van de minst voorkomende soort zitten.
2 Mezen vormen een zoekbeeld voor de rupsensoort die het meest voorkomt. Door deze selectieve aandacht worden de rupsen van de soort die weinig voorkomt niet opgemerkt.
3 Rupsen van de soort die het minste voorkomt, wordt als voedsel minder gewaardeerd door de mezensoort.
4 De mezen hebben geleerd dat zij zelf minder gevaar lopen aan predatoren ten prooi te vallen als zij steeds op dezelfde manier rupsen zoeken.
5 De mezen hebben geleerd dat door dit eetgedrag de kans groter is dat rupsen van een weinig voorkomende soort later talrijk voorkomen.

Ecologie

Daphnia’s.
Zie figuur B 5293 van de bijlage.

In een laboratorium kweekt men Daphnia’s (watervlooien) in een bekerglas met voedingsstoffen. Gestart wordt met 10 Daphnia’s. Er is voldoende voedingsstof aanwezig om Daphnia’s minstens 200 dagen te laten leven en zich te laten voortplanten.
De kweektemperatuur is constant en voldoende hoog.
Het aantal Daphnia’s per 50 mL wordt gedurende 180 dagen geteld; dit wordt uitgezet in een grafiek.
De draagkracht voor een soort is het maximale aantal van deze soort dat gedurende een lange tijd kan overleven. Voor de watervlooien is 200 dagen een lange tijd.
Bekijk de grafiek.

Wat is de draagkracht voor Daphnia’s in de gebruikte voedingsoplossing?

afbeeldingafbeelding