Oefentoets Biologie: Voortplanting - algemeen | VWO 4/VWO 5/VWO 6

Deze oefentoets bevat 24 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

24

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VWO 4, VWO 5, VWO 6

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Voortplanting

Een kloon

Welke twee mensen vormen een kloon?

Voortplanting

Eigenschappen van chromosomen.

I. Chromosomen bevatten genen.
II. Chromosomen bevatten RNA.

Voortplanting

Celdeling & gen.

I. Celdeling wordt geregeld vanuit de chromosomen.
II. Elk gen bevat de informatie om een eiwit te maken.

Voortplanting

Delingsweefsel in een worteltop.

In een microscopisch preparaat van een worteltop van een ui wordt bij een vergroting van 400x gezocht naar delingsweefsel.
Er worden in het preparaat de volgende cellen gevonden:

1. cellen waarin een kern zichtbaar is.
2. cellen waarin chromosomen zichtbaar zijn.
3. cellen waarin een grote, centrale vacuole zichtbaar is.

Welke van deze cellen kunnen in het delingsweefsel voorkomen?

Voortplanting

Over delende cellen van een worteltop.

In een bepaald microscopisch preparaat van een worteltop van een ui verkeren de delende cellen voor 85% in de eerste, voor 8% in de tweede, voor 3% in de derde en voor 4% in de vierde fase van de celdeling.

Uit deze gegevens kan worden afgeleid dat

Voortplanting

Generatiewisseling.
Zie figuur A 847 van de bijlage.

De voorkiem van deze varens is haploïd. De varenplanten, kwallen en poliepen zijn diploïd.

In het schema zijn vier processen genummerd, zowel bij deze varens als bij deze holtedieren.

Bij welke van de processen 1, 3 en 4 vindt meiose plaats bij de varens?
En bij de holtedieren?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

Het eencellig plantje Acetabularia
Zie figuur A 10 van de bijlage.

In het eencellig plantje Acetabularia worden de gameten in de 'hoed' geproduceerd wanneer de cel 'rijp' is voor voortplanting. Wanneer de hoed van een rijpe cel (afb 1) wordt getransplanteerd (afb. 3) op een jonge cel (afb. 2), nadat deze laatste van zijn hoed is ontdaan, dan deelt de kern van de jonge cel zich (afb. 4) en worden er vervolgens gameten in de hoed gevormd.

Dit experiment bevestigt de hypothese dat de kern

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

Meiose bij draadwieren.
Zie figuur B 231 van de bijlage.

Sommige draadwieren zijn in volwassen stadia altijd haploïd. De figuur stelt schematisch voor de geslachtelijke voortplanting van een dergelijk wier.

Wanneer treedt hierbij meiose op?

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

De levenscyclus van Chlamydomonas.
Zie figuur B 1312 van de bijlage.

Chlamydomonas is een eencellig organisme dat in het water leeft. De afbeelding geeft de levenscyclus weer.
Het diploïde stadium is beperkt tot de zygote. Haploïde individuen kunnen onder bepaalde omstandigheden met elkaar versmelten en vormen dan een zygote. Deze zygote ondergaat een meiose en vormt vier nieuwe individuen. Deze nieuwe individuen kunnen door mitotische delingen weer andere nieuwe individuen vormen.
Twee individuen M en N van Chlamydomonas versmelten met elkaar.
Individu M heeft een bepaald aminozuur, arginine, nodig om te kunnen blijven leven.
Individu N heeft geen arginine nodig. Het al of niet arginine nodig hebben voor een normale groei wordt bepaald door een gen.

Welk percentage van de nakomelingen van de individuen M en N heeft arginine nodig om te kunnen blijven leven?

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

Voortplanting bij broodschimmels.
Zie figuur C 44 van de bijlage.

In de tekening staat schematisch de generatiewisseling aangegeven van een broodschimmel.
Uit de zygote ontstaan twee typen sporen, aangeduid met + en -.

Welke van de aangegeven levensvormen 1 t/m 4 is of welke zijn zeker haploïd?

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

Lengtegroei bij een aardappelplant.
Zie figuur A 3 van de bijlage.

Vier processen zijn:

1. celstrekking,
2. differentiatie,
3. plasmagroei,
4. specialisatie.

Welk van deze processen heeft vooral de grote lengtegroei van de stengel van de afgebeelde aardappelplant P veroorzaakt?

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

Het verschijnsel differentiatie.

Het verschijnsel differentiatie houdt verband met het feit dat

Voortplanting

Haploïde cellen

Haploïde cellen bevatten

Voortplanting

Bacteriële conjugatie.
Zie de figuren B 5886 en B 5887 van de bijlage.

Bacteriële conjugatie is een proces dat de uitwisseling van genetisch materiaal mogelijk maakt. tussen een donorstam (Hfr) en een ontvangende stam (zie afbeelding 1). De plaats waar de overdracht begint is voor een bepaalde donorstam altijd dezelfde. De bacteriële conjugatie stopt vanzelf na verloop van enkele tientallen minuten. De overdracht kan voortijdig gestopt worden door het mengsel van de bacteriën te schudden waarbij de sex-pili (conjugatieplaatsen) verbroken worden.
Men bestudeert de conjugatie tussen een donorstam en een ontvangende stam.
Enkele eigenschappen van de donorstam zijn:

- azir (resistent voor natrium azide),
- gal+ (in staat om galactose als energiebron te gebruiken),
- lac+ (in staat om lactose als energiebron te gebruiken)
- tonr (resistent voor infectie door een bacteriofaag)

Enkele eigenschappen van de ontvangende stam zijn:
- azis (gevoelig voor het azide),
- gal- (niet in staat om galactose te gebruiken),
- lac- (niet in staat om lactose te gebruiken)
- tons (gevoelig voor infectie)

De conjugatie wordt op variabele tijdstippen onderbroken en vervolgens wordt het fenotype van de ontvangende stammen vastgesteld (zie afbeelding 2).

Wat is de onderlinge volgorde van de vier genen vanaf de plaats waar de overdracht begint?

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Voortplanting

4/4 Vaccin tegen zwangerschap.

Over deze vorm van vaccinatie worden de volgende beweringen gedaan:

1. Deze vorm van vaccinatie is een voorbeeld van actieve immunisatie.
2. Deze vorm van vaccinatie is een voorbeeld van passieve immunisatie.
3. Bij deze vorm van vaccinatie spelen T-helpercellen een belangrijke rol.
4. Bij deze vorm van vaccinatie zijn alle ingespoten vaccinmoleculen betrokken bij het tot stand komen van de humorale immuniteit.
5. De antistof die bij deze vorm van vaccinatie wordt gevormd, bestaat voornamelijk uit een koolhydraat.

Welk van deze beweringen is of welke zijn juist?

Voortplanting

Voortplanting op twee manieren.

Wat is een voordeel van geslachtelijke reproductie boven ongeslachtelijke?

Geslachtelijke reproductie leidt, in vergelijking met ongeslachtelijke reproductie, in het algemeen tot

Groei en ontwikkeling

1/2 Groei van gistcellen.
Zie figuur B 5931 van de bijlage.

In het diagram hiernaast zijn twee grafieken weergegeven, die gaan over de ontwikkeling van gistcellen.
Eén van beide grafieken geeft het verloop van het aantal cellen in de tijd weer. De andere grafiek geeft de verandering van het aantal cellen in de tijd weer. De getallen op de Y-as hebben betrekking op één van de beide grafieken.

De snelste verandering in het aantal cellen van de populatie vond plaats

afbeeldingafbeelding

Groei en ontwikkeling

2/2 Groei van gistcellen.
Zie figuur B 5931 van de bijlage.

Tussen het 10e en het 12e uur is een steile helling in grafiek A aanwezig. In verband met die helling tussen het 10e en 12e uur wordt een aantal beweringen gedaan:

1. Er was een afname van het aantal gistcellen in de populatie.
2. De sterfte van de gistcellen overtrof het ontstaan van nieuwe gistcellen.
3. Er was een daling in de snelheid waarmee de populatie groeide.
4. De gistcellen hielden volledig op met voortplanting.
5. Al het voedsel was door de gistcellen verbruikt.

Welke van deze beweringen is juist of welke zijn juist in verband met deze steile helling? Kruis nummer(s) van de juiste bewering(en) aan.

afbeeldingafbeelding

Groei en ontwikkeling

Eiwitten in de cel.
Zie figuur B 5937 van de bijlage.

Eiwit X reguleert celvermeerdering. X komt voor in het cytoplasma en bevat geen signaalpeptide voor kernlocalisatie. In aanwezigheid van een groeihormoon verplaatst X zich naar de kern en activeert de relevante transcriptiefactoren.
Eiwit Y lijkt betrokken bij dit transport. De figuur toont de locatie van X en Y in gewone cellen en in mutanten zonder Y. M = membraan, C = cytoplasma en N = kern/nucleus.

Wat is de meest waarschijnlijke bewering over Y op basis van deze resultaten?

afbeeldingafbeelding

Groei en ontwikkeling

Skeletspierontwikkeling.

De volgende experimenten zijn ontworpen om de mechanismen van skeletspierontwikkeling te onderzoeken.
Experiment 1: Gekweekte spiercellen van de muis werden chemisch geïnduceerd om te fuseren met ongedifferentieerde menselijke cellen.

Resultaat 1: Veel van de gefuseerde cellen bezaten menselijke spierspecifieke eiwitten.
Resultaat 2: Ongefuseerde cellen bezaten geen menselijke spierspecifieke eiwitten.

Experiment 2: Delen van het cytoplasma van een menselijke spiercel worden geïnjecteerd in een ongedifferentieerde stamcel van de muis.

Resultaat: De cellen die geinjecteerd zijn met het menselijke cytoplasma brengen tijdelijk spierspecifieke eiwitten van de muis tot expressie. De expressie was echter na 24 uur verdwenen.

Wat suggereren de twee beschreven experimenten?

Groei en ontwikkeling

Staafjes en kegeltjes.
Zie figuur B 2048 van de bijlage.

In de afbeelding zijn een staafje en een kegeltje schematisch weergegeven. Staafjes zien er onder een microscoop anders uit dan kegeltjes. Bovendien verschillen ze in een aantal opzichten wat betreft hun functie.

Is het ontstaan van de verschillen tussen staafjes en kegeltjes tijdens de embryonale ontwikkeling een voorbeeld van differentiatie, van modificatie of van mutatie?

afbeeldingafbeelding