Bloed
Het bloedtransport naar de lever.
Het bloedtransport naar de lever gaat
Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.
20
Biologie
VO Kerndoel 31: Processen in de natuur
VWO 1, VWO 2, VWO 3
NVON
cc-by-sa-40
Het bloedtransport naar de lever.
Het bloedtransport naar de lever gaat
Bloed van beenspier naar beenspier.
Als het bloed van een beenspier naar de longen en terug naar de beenspier stroomt, gaat het door de volgende bloedvaten:
1. longslagader,
2. aorta,
3. beenslagader,
4. onderste holle ader,
5. beenader,
6. longader.
De juiste volgorde is
De schematische bloedsomloop de mens.
Zie figuur B 2478 van de bijlage.
De tekening geeft schematisch de bloedsomloop van de mens weer.
Bevatten de gestippelde bloedvaten in de grote bloedsomloop zuurstofrijk of zuurstofarm bloed?
En de gestippelde bloedvaten in de kleine bloedsomloop?
afbeelding
afbeelding
Transport van insuline.
Een patiënt met suikerziekte krijgt voor zijn ziekte injecties met insuline in het bovenbeen. De insuline wordt naar de lever vervoerd door het bloed.
Als de insuline langs de kortste weg van het bovenbeen naar de lever gaat, hoeveel keer gaat het dan door het hart?
Is de insuline daarbij door de nieren gegaan?
afbeelding
Transport van glucose.
Een glucosemolecuul gaat via de kortste weg van de rechterkamer van het hart naar de lever en passeert daarbij een aantal bloedvaten.
1. een longader,
2. de poortader,
3. een nierader,
4. de leverader,
5. de leverslagader.
Door welke van de hierboven genoemde bloedvaten gaat dit molecuul?
Plaats van het ontstaan van een trombus.
Soms treedt bij de mens stolling van het bloed in een bloedvat op, terwijl er geen beschadiging van de vaatwand is. Dat kan gebeuren op plaatsen waar het bloed langzaam stroomt en ook op plaatsen waar de binnenwand van het vat een onregelmatig oppervlak heeft. Een stolsel dat zo ontstaat, wordt trombus genoemd. Van een trombus kan een stukje loslaten dat dan met het bloed wordt meegevoerd. Zo'n stukje kan in een nauw bloedvat blijven
steken en daardoor dat bloedvat afsluiten.
Bij een patiënt heeft een trombus een hersenslagadertje afgesloten.
Van de volgende vier plaatsen wordt overwogen of daar het trombus kan zijn ontstaan.
1. in een beenader,
2. in een kransslagader van het hart,
3. in de linkerboezem van het hart,
4. in een longader.
Op welke van de genoemde plaatsen kan deze trombus zijn ontstaan?
Verstopping door een bloedstolsel.
Tegen de wand van een beenader ontstaat een bloedstolsel.
Dit raakt los van de aderwand, stroomt mee met het bloed en veroorzaakt een verstopping.
Deze verstopping zal optreden in een vertakking van een
Organen verbonden door de poortader.
Tussen welke organen in het menselijk lichaam is de poortader een verbinding?
De weg van de nieren naar de longen.
Welke weg legt het bloed in het lichaam van de mens af, wanneer het stroomt van de nieren naar de longen?
De kortste weg van lever naar darmwand.
De kortste weg die het bloed bij de mens aflegt om te komen van de lever in de bloedvaten die naar de darmwand voeren, is via
Een schema met grote en kleine bloedsomloop.
Zie figuur B 1011 van de bijlage.
Het schema stelt de grote en kleine bloedsomloop voor. De pijlen geven de richting aan waarin het bloed stroomt.
Bij wat voor bloedvat staat pijl P?
afbeelding
Bloed uit de lever naar het hart.
In welke hartruimte van de mens komt het eerst bloed met glucose (suiker) die uit lever afkomstig is?
Een halsader.
Behoort een halsader tot de grote of tot de kleine bloedsomloop?
Bevat een halsader zuurstofarm of zuurstofrijk bloed?
Een halsader behoort tot
Bloedvaten in de borstholte
Hieronder worden vijf bloedvaten van de mens genoemd.
1. aorta,
2. leverslagader,
3. kransslagader,
4. poortader,
5. holle ader.
Welke van deze bloedvaten liggen geheel of gedeeltelijk in de borstholte?
Bloed uit de haarvaten van de dunne darm.
Bij de mens stroomt bloed uit de haarvaten van de dunne darm in de
Bloed vanuit een voetspier naar het hart.
Zie figuur B 1089 van de bijlage.
De tekening stelt een doorsnede voor van het hart van de mens met enkele aansluitende bloedvaten.
Via welk bloedvat van de grote bloedsomloop komt bloed vanuit een voetspier het hart binnen?
afbeelding
De weg van rechterhand naar linkerhand.
Enkele rode bloedcellen bevinden zich in een bloedvat van de rechterhand.
Even later bevinden deze cellen zich in een bloedvat van de linkerhand.
Welke van de onderstaande beweringen over de weg die deze bloedcellen van rechter- naar linkerhand afleggen is juist?
Zetpillen.
Sommige medicijnen worden toegediend in de vorm van zetpillen. Een zetpil wordt in de endeldarm gebracht. Het geneesmiddel uit de zetpil komt in het bloed van de bloedvaten van de endeldarm terecht. Deze bloedvaten monden uit in de onderste holle ader.
Twee beweringen over de verspreiding van het geneesmiddel uit deze zetpil door het lichaam zijn:
I. Stoffen uit deze zetpil kunnen in een been terechtkomen zonder door het hart te gaan.
II. Voordat een stof uit deze zetpil het hoofd bereikt, is deze zeker door de bloedvaten van de lever gegaan.
Bloedvaten rond de lever.
Het bloed in de leverader, het bloed in de leverslagader en het bloed in de poortader worden met elkaar vergeleken.
In welk bloedvat bevindt zich bloed met een laag zuurstofgehalte en wisselt het glucosegehalte het sterkst in de loop van een etmaal?
Koolmonoxide in het bloed.
Koolmonoxide komt bij het roken van een sigaret in het bloed terecht. Het reukloze, smaakloze en onzichtbare gas kan niet door het lichaam worden afgebroken. Het wordt in plaats van zuurstof in het bloed opgenomen.
Bevindt koolmonoxide zich tijdens het roken van een sigaret in een beenader?
En in een beenslagader?
afbeelding