Oefentoets Biologie: Ziekten - ziekteverwekkers | VWO 4/VWO 5/VWO 6

Deze digitale toets over spermakwaliteit en de impact van oplosmiddelen is gericht op studenten in de gezondheidszorg en biomedische wetenschappen, en biedt inzicht in epidemiologische onderzoeken en de invloed van milieufactoren op vruchtbaarheid. - 24 vragen

Aantal vragen

24

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VWO 4, VWO 5, VWO 6

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Spermakwaliteit en blootstelling aan oplosmiddelen

1/5 Spermakwaliteit.
DE ONVRUCHTBAAR VERKLAARDE SCHILDER BEKIJKT ZIJN KINDEREN.

Het was schrikken dit weekend voor schilders, autospuiters, drukkers en andere beroepslui die dikwijls blootstaan aan oplosmiddelen: ze riskeren er hun vaderschap mee, luidde het bericht, de kwaliteit van hun sperma is minder dan die van niet blootgestelde mannen.

'Kindjes maken gaat drukker slecht af', kopte de Volkskrant zaterdag, waarna andere media het onheilspellende bericht spoorslags overnamen.
Amper een paar uur later trok het Academisch ziekenhuis Utrecht bij monde van gynaecoloog prof. dr. E. R. te Velde de angel uit het alarm: "Een absoluut voorbarige conclusie", verzekerde hij, "hier wordt onderzoek onder mannen die werken met oplosmiddelen én vruchtbaarheidsproblemen hebben van toepassing verklaard op de ganse bevolking, op tienduizenden schilders, drukkers en tapijtleggers."[...]
De voorzichtigheid van Te Velde lijkt niet overdreven: "Vandaag vinden we wél een verband tussen blootstelling van mannen aan pesticiden of oplosmiddelen en de langere tijd die hun vrouwen erover doen om zwanger te worden, morgen vinden we dat verband weer niet. Tot nu toe is het beeld ontzettend diffuus, en dat verandert niet als je beseft hoeveel factoren van invloed zijn op de vruchtbaarheid."[...]
Hoed je voor dit soort uitglijders, leren epidemiologen.[...]
Wat te denken? Epidemiologie is hét vak met valkuilen: "In zo'n onderzoek ga je uit van een klinische populatie, in dit geval van paren die reeds een vruchtbaarheidsprobleem hadden. Als je de resultaten domweg extrapoleert naar de algehele bevolking, dan trek je volstrekt voorbarige conclusies", herhaalt Te Velde nog eens. "Stel dat deze mannen van nature aanleg hebben voor een beroerde zaadkwaliteit en oplosmiddelen geven net dat zetje waardoor ze geen kinderen kunnen verwekken dan weet je toch nog niets over de zaadkwaliteit van de gemiddelde schilder. Laat staan over diens vruchtbaarheid."[...]

(Trouw, 22 maart 1999).

-

Epidemiologie en milieufactoren

2/5 Spermakwaliteit.

Wat onderzoekt een vak als epidemiologie heden ten dage?

Onderzoeksverschuiving in Spermakwaliteit

3/5 Spermakwaliteit.

Welke onderzoeksverschuiving heeft zich in het vak voorgedaan in relatie met vroeger?

Onderzoek naar Spermakwaliteit en Oplosmiddelen

4/5 Spermakwaliteit.

Welke vier zaken moeten minstens onderzocht worden voordat een verband als in het artikel tussen het gebruik van oplosmiddelen en spermakwaliteit mag worden gelegd?

Epidemiologische valkuil bij spermakwaliteit

5/5 Spermakwaliteit.

Welke 'epidemiologische valkuil' wordt in het artikel bedoeld?

Volgorde van besmetting door bacteriofaag

Bacteriofaag.
Zie figuur B 5980 van de bijlage.

Nevenstaande tekeningen geven schematisch de besmetting van een bacterie door een bacteriofaag (virus) weer.

Wat is de juiste volgorde van de afbeeldingen van deze besmetting?

afbeeldingafbeelding

Invloed van infecties op atherosclerose

Atherosclerose.
Zie figuur B 5505 en figuur B 5506 van de bijlage.

Uit recent onderzoek op het gebied van atherosclerose (slagaderverkalking) is gebleken dat infecties met bacteriën of virussen de ziekte kunnen verergeren. Om dit verschijnsel te onderzoeken hebben onderzoekers muizen met de bacterie Chlamydia pneumoniae of met het Cytomegalovirus (CMV) geïnfecteerd. De ontwikkeling van atherosclerose in deze muizen werd vergeleken met die in muizen zonder een infectie, door te kijken naar plaquevorming. Een plaque is een plek waar bij atherosclerose de wand van het bloedvat verandert en uiteindelijk dichtslibt.

Genoteerd werd de totale oppervlakte van plaques en de ernst van deze plaques. Plaquesoorten 1 tot en met 3 tellen als vroege plaques, soorten 4 en 5(a en b) zijn gevorderde (ernstige) plaques. In de diagrammen in de afbeeldingen B 5505 en B 5506 hiernaast en in de tabel 1 hieronder zijn resultaten van de experimenten weergegeven.
afbeeldingafbeelding
Een groep studenten bespreekt de resultaten en trekt de volgende conclusies:

I. Besmetting met C.pneumoniae leidt tot een toename in het aantal vroege plaques.
II. Besmetting met CMV leidt tot een toename in de totale oppervlakte van alle plaques tezamen.

Wat kun je zeggen over beide conclusies? I is en II is

-

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Complicaties van hard neussnuiten

Neusverkoudheid.

Een neusverkoudheid is vervelend, al is het maar vanwege het herhaald neussnuiten dat daar een gevolg van is. En de verleiding is vaak groot de neus te snuiten met geweld, te horen aan het lawaai dat daarbij geproduceerd kan worden. Toch is het hard snuiten niet zonder gevaar. De verhoogde druk kan bijvoorbeeld het neusslijmvlies beschadigen.

Noteer het nummer van de complicatie die nog meer is te verwachten of de nummers van de complicaties die nog meer zijn te verwachten als gevolg van het harde snuiten.

1. middenoorontsteking
2. kaakbijholtenontsteking
3. netvliesbeschadiging

Onderzoek naar vitamine-deficiëntie en infecties

1/6 Onderzoek naar deficiëntie en infectie.

Lees onderstaande tekst.

In 1898 werd J. Eijkman de eerste hoogleraar microbiologie aan de Utrechtse universiteit. In 1924 kreeg hij de Nobelprijs voor zijn ontdekking dat vitamine-B-deficiëntie oorzaak was van de ziekte beri-beri. Het onderzoek daarnaar deed Eijkman in Nederlands Indië (het huidige Indonesië) waar hij als militair arts-bacterioloog was aangesteld bij het leger. Hij meende – in navolging van Louis Pasteur – een bacterie te kunnen isoleren die de beri-beri zou veroorzaken. Het bleek echter dat zijn proefdieren – kippen die aan deze zenuwaandoening leden – weer gezond werden als ze ongepelde rijst als voer kregen. In het zilvervliesje rond de rijstkorrel bevindt zich blijkbaar een stof die noodzakelijk is voor een normale ontwikkeling. Deze stof werd vitamine B genoemd.

Na de ontdekking in 1928 door A. Fleming in Londen van een stof die door een culture van de schimmel Penicillium werd geproduceerd en de groei van bacteriën remde, zijn vele van deze antibiotica-producerende micro-organismen geïsoleerd. Maar in de medische praktijk bleek ook spoedig dat bacteriën makkelijk resistentie kunnen ontwikkelen tegen afweerstoffen. Berucht is inmiddels de MRSA-infectie die vooral ziekenhuispatiënten kunnen oplopen. Deze meticilline-resistente stam van Staphylococcus aureus kan bij mensen met verminderde weerstand tot ontwikkeling komen als zijn concurrentiepositie gunstiger wordt door gebruik van antibiotica. Deze Staphylococcus hoort namelijk tot de normale flora van de menselijke huid en slijmvliezen. De bacterie is meestal onschadelijk maar veroorzaakt soms kleine ontstekingen of een steenpuist.

Als bij een verzwakte zieke deze bacterie een grotere infectie vormt, is bestrijding noodzakelijk. Soms blijkt de bacterie een resistentie te hebben tegen alle gangbare antibiotica. Zelfs een van de laatste redmiddelen het antibioticum meticilline helpt niet. Voor een bacterioloog zijn er dan nog twee laatste redmiddelen maar die worden alleen in uiterste nood toegepast. Immers zou ook tegen deze middelen resistentie ontwikkeld worden door bacteriën dan is er geen bestrijding meer mogelijk. Indien MRSA-infectie in een ziekenhuis wordt geconstateerd dan sluit men de betreffende afdeling en ontsmet men het betrokken personeel volledig. De patiënten worden geïsoleerd.

Bacteriologen typeren een S. aureus-stam door op de bacterieculture een testbatterij los te laten van bacteriofagen (bacterievirussen) die ieder een voorkeur hebben voor een bepaalde stam van de bacterie (en zich daarin dan vermenigvuldigen ten koste van die bacterie). De typering levert namen op als faagtype e, of T of III-29. Deze laatste heeft de afgelopen zes jaar in zeventien ziekenhuizen epidemietjes veroorzaakt. Het identificeren van een MRSA is van belang om de besmettingsroute te kunnen achterhalen. Zo is nu faagtype Z-115 in opkomst. Z-115 is waarschijnlijk afkomstig uit Frankrijk.

Zie volgende scherm

Deficiëntie en infectie: beri-beri en vitamine B

4/6 Onderzoek naar deficiëntie en infectie.

Kruis het nummer aan van de juiste uitspraak of de nummers van de juiste uitspraken naar aanleiding van de ziekte beri-beri en van vitamine B.

1. Bacteriën die kippen infecteren, kunnen geen mensen infecteren.
2. Beri-beri is een gebreksziekte.
3. Vitamine B wordt een vitamine genoemd omdat het in kleine hoeveelheden voorkomt in plantendelen die de mens kan eten.
4. Beri-beri komt vooral voor in de tropen doordat bacteriën zich in die gebieden sneller kunnen voortplanten.

MRSA-infecties en bacteriële resistentie

5/6 Onderzoek naar deficiëntie en infectie.

Kruis het nummer van de juiste uitspraak of de nummers van de juiste uitspraken aan over een Mrsa-infectie.

1. Als gevolg van mutaties kunnen nog resistentere Mrsa-stammen ontstaan.
2. Mrsa-infecties ontstaan alleen wanneer bacteriën van de soort Staphylococcus aureus in het ziekenhuis meer voorkomen dan bacteriën van andere soorten.
3. Mrsa-infecties zijn het uiteindelijke gevolg van een genetisch selectieproces.
4. Zieke en gezonde personen zijn niet instaat antistoffen te maken tegen bacteriën die de Mrsa-infecties veroorzaken.

Typen van Staphylococcus aureus bij patiënten

6/6 Onderzoek naar deficiëntie en infectie.

In een testbatterij wordt van drie patiënten P, Q en R een Staphylococcus aureus-cultuur getypeerd door gebruik te maken van de bacteriofagen typen e, T, III-29 en Z-115.
De werkwijze bij de test is dat reageerbuizen met een voedingsoplossing worden beënt met de S.aureus-cultuur. Na 12 uur bebroeden zijn de bacteriën voldoende ontwikkeld en worden ze beënt met de genoemde faag. Enkele uren later is het onderstaande resultaat af te lezen.
afbeeldingafbeelding

Welk van onderstaande conclusies met betrekking tot deze drie patiënten is of welke zijn juist?

1. Patiënt P bezit een S.aureus van zowel faagtype T als van faagtype e.
2. Patiënt R is in het bezit van S.aureus-faagtype e.
3. Van patiënt Q is op grond van deze gegevens geen typering mogelijk.
4. Van patiënt P is op grond van deze gegevens geen typering mogelijk.

Adenovirus als behandeling tegen kanker

Verkoudheidsvirus tegen kanker.

Het adenovirus, een betrekkelijk gewoon virus dat infecties van de luchtwegen veroorzaakt, zou ingezet kunnen worden bij de behandeling van kanker. Als het virus een beetje verminkt wordt, kan het zich vermenigvuldigen in lichaamscellen die tot kankercellen geworden zijn en die kankercellen daardoor vernietigen. Adenovirussen bestaan uit een streng DNA met een omhulsel. Ze dringen cellen binnen om zich daar te vermenigvuldigen. Ze nemen de kopieermachine van de cel over en dwingen de cel tot verdubbeling van DNA. Niet alleen het eigen DNA, maar ook dat van het virus wordt hierbij verdubbeld.
Het belangrijkste wapen dat een cel heeft tegen de aanval van virussen is het p53-gen. Dat zorgt ervoor dat een cel zich niet deelt wanneer het DNA beschadigd is, of wanneer er vreemd DNA in de cel zit. Het adenovirus heeft hiertegen een simpele tegenzet: het legt het p53-gen lam met een bepaald eiwit: het E1B-eiwit. In tumorcellen is de werking van het p53-gen uitgeschakeld. Daardoor kunnen ze zich ongeremd delen. Tegen deze tumorcellen worden nu gemuteerde adenovirussen ingezet die het E1B-eiwit missen.
bron: Het Parool

Twee beweringen over de werking van een 'middel' tegen kanker dat besproken wordt in dit artikel, zijn:
1. Het gemuteerde adenovirus infecteert gezonde cellen niet en kankercellen wel.
2. De gemuteerde adenovirussen kunnen kankercellen infecteren en zich daarin vermenigvuldigen, doordat het p53-gen in kankercellen is uitgeschakeld.

Welke van deze beweringen is of welke zijn juist?

Symptomen en Onderzoek bij de Dokter

Komt een vrouw bij de dokter.

Een vrouw bezoekt haar dokter nadat zij verschillende veranderingen in haar lichaam heeft waargenomen in een periode van 6 maanden. Ze heeft gemerkt dat ze is afgevallen, problemen heeft met veranderingen in temperatuur, onregelmatig menstrueert en lijdt aan slapeloosheid en algehele zwakheid.

Wat zal de dokter bij haar onderzoeken naar aanleiding van deze symptomen?

Pathogenen en hun bijbehorende ziektes

Pathogenen.

Welk type pathogeen (ziekteverwekker) veroorzaakt de verschillende ziektes hieronder?

Mazelen wordt veroorzaakt door een .
De bof wordt veroorzaakt door een .
Rode hond wordt veroorzaakt door .

Wat is plaque in weefselkweek?

Plaque.

Wat wordt met het begrip 'plaque' bedoeld?

Myxomatose bij konijnen: verklaringen voor sterftecijfer

Myxomatose.

Tijdens de ontwikkeling van de konijnenziekte myxomatose in Australië liep het sterftecijfer bij de konijnen in zeven jaar terug van 99,5% tot 25%.
Hieronder staan twee verklaringen daarvoor.

I. De konijnen worden resistent als ze de ziekte met veel moeite te boven komen en geven dat door aan de jongen;
II. Het percentage zeer virulente myxoma-virussen neemt in de loop der jaren af.

Welke verklaring is of welke zijn juist?

SARS: Genetica en Eiwit Scheiding

1/2 SARS.
Zie figuur B 5516 en figuur A 1203 van de bijlage.

De ziekte SARS (Severe Acute Respiratory Syndrome) is te wijten aan een infectie aan de luchtwegen bij de mens met een voorheen onbekend corona-virus. De besmetting vindt plaats via hoestdruppels of direct contact. Het SARS-virus is een RNA-virus met een enkele streng RNA van 30.000 nucleotiden.
Het virusgenoom is in kaart gebracht, waarbij men gebruik gemaakt heeft van de eiwitten waarvoor het codeert (zie figuur B 5516).
In figuur A 1203 is de levenscyclus van een corona-virus afgebeeld.

- Welke betekenis kan een verandering in het gen voor het S-glycoproteïne hebben voor het vermogen van het virus om een cel te infecteren?
- Hoe kun je de verschillende eiwitten van dit virus van elkaar scheiden?

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Antistoffen bij SARS-vaccinaties

2/2 SARS.
Zie figuur B 5517 van de bijlage.

Men werkt aan de ontwikkeling van verschillende vaccins tegen SARS.
De ene vorm bestaat uit injectie met een leeg virus (zie afbeelding figuur B 5517-links).
De andere vorm bestaat uit een DNA-vaccin, dat via de mond wordt ingenomen. Hierbij wordt een onschuldig verkoudheidsvirus (adenovirus) gebruikt, waarbij een gen voor het S-glycoproteïne is ingebouwd (zie afbeelding figuur B 5517-rechts). Dit vaccin wordt in de slijmvliescellen van de luchtwegen gebracht.

Welke antistoffen ontstaan bij de twee vaccinaties? Leg je antwoord uit.

afbeeldingafbeelding

Ziekteverwekkers: Bacteriën en Virussen

1/2 Ziekteverwekkers.

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Hierboven staan twee exemplaren van de voornaamste ziekteverwekkers afgebeeld.

Wat zijn dit volgens jou?

-

Dodelijke ziekteverwekkers en hun bronnen

2/2 Ziekteverwekkers.

Waarin komen de meeste dodelijke ziekteverwekkers voor?

Dat is in .

Parasieten: Bacteriën en Virussen

Parasieten.

I. Bacteriën zijn altijd parasieten.
II. Virussen zijn altijd parasieten.

Welke bewering is of welke zijn goed?

Herkenning van gastheercellen door retrovirussen

Infectie.
Zie figuur B 5523 van de bijlage.

De buitenzijde van een retrovirus wordt gevormd door een deel van het celmembraan van de cel waarin hij zich heeft vermeerderd. Retrovirussen parasiteren dikwijls op één bepaald type gastheercel. In het celmembraan van een gastheercel zijn de volgende stoffen aanwezig: cholesterol, fosfolipiden, glycolipiden en glycoproteïnen.

Aan welke van deze stoffen in het celmembraan herkent een retrovirus de gastheercel?
Aan

afbeeldingafbeelding

Kinkhoest versus Pokken: Identificeer de Ziekteverwekkers

Kinkhoest of pokken?
Zie figuur A 1204 van de bijlage.

Hiernaast staan twee foto's van ziekteverwekkers. De ene foto is van de kinkhoestbacterie, de andere is van het pokkenvirus.

Vertel welke foto bij welke ziekte hoort en waaruit je dat hebt afgeleid.

afbeeldingafbeelding