Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.
Leidt uit de informatie af in welke periode tussen 1961 en 1985 in Nederland mensen besmet zijn geraakt met rabiës. En door welke diersoorten kunnen ze besmet zijn geraakt volgens de informatie?
Schrijf je antwoord zó op: periode: …………………………………………………. diersoorten: ……………………………………………..
Ziekten
17/23 Ziek van de natuur.
Verschillende diersoorten in de natuur kunnen besmet zijn met het rabiësvirus. Vossen probeert men in te enten tegen rabiës door lokaas met vaccin te verspreiden in gebieden met veel vossen.
Leg uit waarvoor men juist vossen probeert in te enten.
Ziekten
18/23 Ziek van de natuur.
Als iemand in contact is geweest met een dier dat hondsdolheid heeft, bestaat het gevaar, dat hij besmet is met het rabiësvirus.
Moet zo iemand behandeld worden door actieve immunisatie of door passieve immunisatie? Leg je antwoord uit.
Ziekten
19/23 Ziek van de natuur.
Zal iedereen die door een teek gebeten wordt de ziekte van Lyme krijgen? Leg je antwoord uit met behulp van informatie 4.
Ziekten
20/23 Ziek van de natuur.
Is een teek die een hond bijt een consument, een producent of een reducent?
Ziekten
21/23 Ziek van de natuur.
Noem twee orgaanstelsels die volgens de informatie door de ziekte van Lyme aangetast kunnen worden.
Ziekten
22/23 Ziek van de natuur. Zie figuur A 955 van de bijlage.
Nora brengt haar vakantie door op een camping bij de duinen. Ze maakt een lange wandeling in de omgeving. Als ze weer terug is op de camping merkt ze, dat er een teek op haar been zit.
In de afbeelding A 955 is een plattegrond weergegeven van het gebied waar Nora heeft gewandeld. Vier delen zijn aangegeven met een cijfer.
In welk van die delen zal de kans dat Nora de teek opliep het grootst zijn geweest? Leg je antwoord uit.
afbeelding
Ziekten
23/23 Ziek van de natuur.
Door bloedonderzoek kan soms vastgesteld worden of iemand de ziekte van Lyme heeft. Nora overweegt, een week nadat ze de teek opgelopen heeft, om zo'n bloedonderzoek te laten doen.
Kan dan door zo'n bloedonderzoek vastgesteld worden of Nora besmet is met de bacterie die de ziekte van Lyme veroorzaakt? Leg je antwoord uit.
Ziekten
1/4 De hielprik.
Pasgeboren kinderen krijgen binnen een week na de geboorte een hielprik. Er wordt dan wat bloed afgenomen en opgestuurd naar een laboratorium. Het bloed wordt getest op verschillende erfelijke ziekten. Het gaat om weinig voorkomende ziekten die meestal goed te behandelen zijn, als ze tijdig worden ontdekt.
Om welke reden wordt de hielprik vrijwel meteen na de geboorte gedaan en niet na bijvoorbeeld een paar weken?
Ziekten
2/4 De hielprik.
Mensen met sikkelcelanemie worden wel behandeld met een bloedtransfusie. Ze voelen zich dan tijdelijk beter.
Leg uit waardoor iemand met sikkelcelanemie niet geneest door zo'n bloedtransfusie.
Ziekten
3/4 De hielprik. Zie figuur B 4499 van de bijlage.
Een aandoening die met de hielprik ontdekt kan worden, is sikkelcelanemie. Hierbij zijn rode bloedcellen misvormd. Daardoor kunnen ze hun taak minder goed uitvoeren dan gezonde rode bloedcellen. Deze misvormde cellen worden sikkelcellen genoemd (zie de afbeelding B 4499).
Welke taak wordt door sikkelcellen minder goed uitgevoerd dan door ‘gezonde' rode bloedcellen?
afbeelding
Ziekten
4/4 De hielprik.
Sikkelcelanemie wordt bepaald door een recessief gen. Iemand die heterozygoot is voor deze eigenschap, wordt een drager genoemd. Een drager heeft de ziekte niet.
Twee ouders die beiden drager zijn, krijgen een kind.
Hoe groot is de kans dat dit kind sikkelcelanemie zal hebben? Deze kans is [invulveld] %
Ziekten
1/5 Radiodiagnostiek. Zie figuur B 2906 van de bijlage.
In een folder van het ziekenhuis staat: "Radiodiagnostiek is: het stellen van een diagnose met behulp van straling. Zo leren we de aard en de plaats van een ziekte kennen." Bij radiodiagnostiek wordt onder andere gebruik gemaakt van röntgenstralen. Bij een hoge dosis kunnen deze stralen schadelijk zijn voor de mens. Ook in de dagelijkse omgeving van de mens komt straling voor. Het gaat hier om kleine hoeveelheden uit verschillende stralingsbronnen. afbeelding Op het uitwerkblad, zie figuur B 2906 staat een cirkel afgebeeld.
Maak van deze cirkel een cirkeldiagram met de gegevens uit de bovenstaande tabel. Zet in het diagram de namen van de stralingsbronnen erbij.
afbeelding
Ziekten
2/5 Radiodiagnostiek.
Als gevolg van straling kunnen genen veranderen.
Hoe heet zo'n verandering in een gen?
een [invulveld]
Ziekten
3/5 Radiodiagnostiek. Zie figuur A 711 van de bijlage.
De afbeelding is een röntgenfoto van een kniegewricht. De letters P en Q geven twee botten aan.
Geef de namen van bot P en van bot Q. bot P = [invulveld] bot Q = [invulveld]
afbeelding
Ziekten
4/5 Radiodiagnostiek. Zie figuur A 712 van de bijlage.
Om andere organen dan botten goed op een röntgenfoto te kunnen zien, maakt men gebruik van zogenaamde contrastmiddelen. Zo gebruikt men bariumpap om delen van het verteringskanaal zichtbaar te maken. Van een patiënt wordt de slokdarm onderzocht. Men laat de patiënt bariumpap doorslikken. Als de bariumpap zich in de slokdarm bevindt, wordt er een röntgenfoto van de borstholte gemaakt.
In de afbeelding A 712 is schematisch een aantal organen in de hals en de borstholte weergegeven.
Welk cijfer geeft het orgaan aan waarin de bariumpap zich bij deze patiënt bevindt, als er een röntgenfoto wordt gemaakt?
afbeelding
Ziekten
5/5 Radiodiagnostiek. Zie figuur B 3177 en figuur B 2907 van de bijlage.
Bij een andere vorm van radiodiagnostiek wordt gebruik gemaakt van een zogenaamde CT-scan. De patiënt wordt hiervoor op een tafel gelegd die in een soort 'ring' wordt geschoven. In de ring zit een apparaat, dat röntgenstralen uitzendt. Met behulp van een computer worden dwarsdoorsneden van het lichaam zichtbaar gemaakt.
In de afbeelding B 2907 zijn twee van zulke CT-scans weergegeven.
Hoeveel scans van de borstholte zijn hier afgebeeld?
afbeeldingafbeelding
Ziekten
1/2 Aspirine in de maag.
Sommige mensen met hoofdpijn nemen aspirine in als medicijn. Aspirine moet worden opgelost in water vóór het inslikken. Aspirine wordt vanuit de maag in het bloed opgenomen.
In welk bloedvat of in welke bloedvaten komt de aspirine die wordt opgenomen het eerst terecht?
Ziekten
2/2 Aspirine in de maag.
Welke van de volgende beweringen over de maagwand is of welke zijn juist?
1. De maagwand maakt een voedselverterend enzym. 2. De maagwand maakt zoutzuur waardoor vetten verteerd worden. 3. De maagwand maakt zoutzuur waardoor bacteriën gedood worden.
Ziekten
1/3 Medicijn uit aardappels.
In ontwikkelingslanden sterven veel jonge kinderen als gevolg van diarree. Meestal wordt diarree veroorzaakt door het eten van voedsel dat besmet is met een bacterie die de dikke darm aantast. De kinderen overlijden dan vooral door uitdroging.
Als de dikke darm door een infectie niet goed functioneert, bevat de ontlasting veel water.