Oefentoets Biologie: Ademhaling | HAVO 1/HAVO 2/VWO 1/VWO 2 | variant 5

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

HAVO 1, HAVO 2, VWO 1, VWO 2

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Ademhaling

Ademhalingsorganen bij dieren.

In onderstaand schema staan onder andere vier organen die voor de ademhaling gebruikt worden.

In welke regel staan de juiste organismen onder de juiste organen genoemd?

afbeeldingafbeelding

Ademhaling

Vissen.

Over de vissen en hun bloedsomloop kan het volgende worden gesteld:

Ademhaling

Gaswisseling.

Via welke organen kan bij een volwassen kikker gaswisseling plaatsvinden?

Ademhaling

Gaswisseling.

Tijdens de ontwikkeling van kikkervisje tot volwassen kikker vindt de gaswisseling plaats via verschillende organen.

Welk orgaan wordt of welke organen worden in elk stadium gebruikt voor de gaswisseling?

Ademhaling

Uitademlucht.

De door de mens uitgeademde lucht bevat onder andere zuurstof, stikstof en kooldioxide.

De juiste percentages van de uitgeademde gassen zijn gewoonlijk

afbeeldingafbeelding

Ademhaling

Lucht.

Bij een onderzoek bepaalt men de samenstelling van de lucht die een proefpersoon in- en uitademt. Van de lucht die de proefpersoon inademt, is de volgende samenstelling gemeten:

79% stikstof,
21 % zuurstof,
0,04% koolstofdioxide.

Wat kan de samenstelling zijn van de lucht die de proefpersoon uitademt?

afbeeldingafbeelding

Ademhaling

In- en uitademlucht.

Als men bij de mens de samenstelling van de in- en uitgeademde lucht met elkaar vergelijkt, blijkt onder andere dat de uitgeademde lucht bevat

afbeeldingafbeelding

Ademhaling

In- en uitademlucht.

Hieronder volgen vier beweringen over de samenstelling van de in- en uitgeademde lucht bij de mens.

1. De ingeademde lucht bevat zuurstof;
2. De ingeademde lucht bevat koolstofdioxide;
3. De uitgeademde lucht bevat zuurstof;
4. De uitgeademde lucht bevat koolstofdioxide.

Welke van deze beweringen zijn juist?

Ademhaling

Longblaasjes en bloed.
Zie figuur B 2489 van de bijlage.

De tekening stelt enkele longblaasjes met haarvaten van een zoogdier voor. De pijlen geven de richting van de bloedstroom weer.
Drie beweringen over het bloed bij plaats P en plaats Q zijn:

1. Bij P bevat het bloed meer zuurstof dan bij Q.
2. Bij P bevat het bloed minder zuurstof dan bij Q.
3. Bij P bevat het bloed minder koolstofdioxide dan bij Q.

Welke van deze beweringen is of welke zijn juist?

afbeeldingafbeelding

Ademhaling

Zuurstof.

Over de zuurstofmoleculen die bij een mens bij een rustige inademing in de luchtwegen terechtkomen, worden vier uitspraken gedaan:

1. Alle ingeademde zuurstofmoleculen bereiken de longblaasjes, deels door diffusie, deels door stroming.
2. Alle ingeademde zuurstofmoleculen komen uiteindelijk in het bloed terecht.
3. Een gedeelte van de ingeademde zuurstofmoleculen verlaat het lichaam weer bij de eerstvolgende uitademing, zonder in de longblaasjes geweest te zijn.
4. Een gedeelte van de ingeademde zuurstofmoleculen komt in de cellen van de wand van de luchtwegen terecht, de rest komt via de longblaasjes in het bloed terecht.

Welke uitspraak is juist?

Ademhaling

Gasspanningen.

Iemand houdt gedurende enige tijd de adem in.

Wat gebeurt er als gevolg hiervan met de zuurstof-, de koolstofdioxide- en de stikstofspanning van de lucht in de longblaasjes?

Ademhaling

Gasspanningen.

Wanneer iemand in rust opzettelijk enige tijd snel en diep adem heeft gehaald, verdwijnt de normale ademprikkel en treedt een kortdurende ademstilstand op.

Wat gebeurt er met de zuurstof-, de koolstofdioxide- en de stikstofspanning in de lucht in de longblaasjes gedurende die ademstilstand?

Ademhaling

Inademing.

Over de zuurstofmoleculen die bij een mens bij een rustige inademing in de luchtwegen terechtkomen, worden vier uitspraken gedaan:

1. Alle ingeademde zuurstofmoleculen bereiken de longblaasjes, deels vanzelf, deels door stroming.
2. Alle ingeademde zuurstofmoleculen komen uiteindelijk in het bloed terecht.
3. Een gedeelte van de ingeademde zuurstofmoleculen verlaat het lichaam weer bij de eerstvolgende uitademing, zonder in de longblaasjes geweest te zijn.
4. Een gedeelte van de ingeademde zuurstofmoleculen komt in de cellen van de wand van de luchtwegen terecht, de rest komt via de longblaasjes in het bloed terecht.

Welke uitspraak is juist?

Ademhaling

Koolmonoxide.

Koolmonoxide vormt een hechtere binding met hemoglobine dan zuurstof.

Wanneer een persoon lucht met koolmonoxide inademt, zal de gaswisseling tussen bloed en weefselcellen

Ademhaling

Longen en spieren.
Zie figuur B 958 van de bijlage.

De pijlen in de tekeningen geven de gaswisseling aan in een longblaasje en in een spiervezel.

Welke pijl bij het longblaasje geeft de richting aan waarin de meeste zuurstof verplaatst wordt en welke bij de spiervezel?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Ademhaling

Een orgaan.
Zie figuur B 812 van de bijlage.

De tekening stelt schematisch een orgaan in het lichaam van de mens voor met een aanvoerend en een afvoerend bloedvat.

Welk orgaan is dat?

afbeeldingafbeelding

Ademhaling

Onderzoek naar de hartslag.

Tijdens een practicumles onderzoeken leerlingen de invloed van inspanning op de frequentie van de hartslag. De volgende onderzoeken worden gedaan:

1. Direct nadat een proefpersoon tien diepe kniebuigingen heeft gemaakt wordt bij hem het aantal hartslagen per minuut geteld.
2. Twee minuten nadat een proefpersoon tien diepe kniebuigingen heeft gemaakt wordt bij hem het aantal hartslagen per minuut geteld.
3. Bij een proefpersoon wordt het aantal hartslagen per minuut geteld vlak vóór en direct nadat hij tien diepe kniebuigingen heeft gemaakt.
4. Bij alle leerlingen van de groep wordt direct nadat zij elk tien diepe kniebuigingen hebben gemaakt, het aantal hartslagen per minuut geteld. Hieruit wordt het gemiddelde berekend.

Bij welk van deze vier onderzoeken is de invloed van inspanning op de frequentie van de hartslag het beste te bepalen?

Ademhaling

Onderzoek naar de hartslag en ademhaling.

Een aantal proefpersonen maakt twintig diepe kniebuigingen. Vóór en direct na die kniebuigingen wordt gedurende een minuut het aantal hartslagen en ademhalingsbewegingen bij deze proefpersonen geteld.
Twee minuten later wordt er weer geteld.
Van de tellingen wordt het gemiddelde uitgerekend.

Achter welke letter kunnen alle resultaten juist zijn?

afbeeldingafbeelding

Ademhaling

Meet je longen.
Zie figuur A 13 van de bijlage.

In de getekende proefopstelling bevindt zich aanvankelijk in de klok 6 liter water. Nadat een proefpersoon zo diep mogelijk heeft ingeademd en daarna via het slangetje zo diep mogelijk heeft uitgeademd, daalt de waterstand tot er nog 1 liter water in de klok aanwezig is.

Met deze demonstratie wordt aangetoond dat bij de proefpersoon

afbeeldingafbeelding

Ademhaling

Longvolume.
Zie figuur B 19 van de bijlage.

In het diagram is het longvolume van een persoon weergegeven gedurende een bepaalde tijd.

Zijn op tijdstip T de spieren van het middenrif samengetrokken?
Zijn op tijdstip T de tussenribspieren die de ribben omlaag bewegen samengetrokken?

afbeeldingafbeelding