Voortplanting
Het aantal chromosomen in een kern van een stuifmeelbuis.
Voor een bepaalde zaadplant geldt: 2n = 36.
Hoeveel chromosomen bevinden zich in een kern in een stuifmeelbuis van deze plant?
Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.
20
Biologie
VO Kerndoel 31: Processen in de natuur
HAVO 4, HAVO 5
NVON
cc-by-sa-40
Het aantal chromosomen in een kern van een stuifmeelbuis.
Voor een bepaalde zaadplant geldt: 2n = 36.
Hoeveel chromosomen bevinden zich in een kern in een stuifmeelbuis van deze plant?
De reductie van het aantal chromosomen bij vorming van eicellen.
Zie figuur A 452 van de bijlage.
In de afbeelding staan schematisch aangegeven de ontwikkelingsstadia van de eicel in de zaadknop.
De reductie van het aantal chromosomen treedt op tussen de stadia
afbeelding
Chromosomen in de cellen van een helmhokje.
Zie figuur B 651 van de bijlage.
In de figuur staat een foto van één afzonderlijk helmhokje.
Het chromosomenbezit van de losliggende cellen in het helmhokje is
afbeelding
Meiotische deling bij de lelie.
De eicel ontwikkelt zich bij zaadplanten uit een diploïde (2n) embryozakmoedercel. Er treedt een meiotische deling op van de embryozakmoedercel. Drie van de vier kernen vormen samen één nieuwe kern. Er zijn nu twee kernen. Daarna ondergaan beide kernen een mitose. De hierbij gevormde kernen ondergaan eveneens een mitose.
Hoeveel kernen zijn er nu en hoeveel chromosomen heeft elke kern?
Chromosomen van een vrouwelijke voortplantingscel van een plant.
Het aantal chromosomen in de kern van een mannelijke voortplantingscel van een organisme is 4.
Bij deze organismen vindt de geslachtsbepaling plaats op dezelfde wijze als bij de mens.
Hoe groot is het aantal chromosomen in de kern van een vrouwelijke voortplantingscel van een organisme van dezelfde soort?
Chromosomen in een rijpe stuifmeelkorrel.
Zie figuur B 646 van de bijlage.
De tekening stelt een dwarsdoorsnede van het bovenste deel van een meeldraad (de helmknop) voor.
De cellen bij P hebben kernen met 26 chromosomen.
Hoeveel chromosomen komen voor in een kern van een rijpe stuifmeelkorrel?
En hoeveel in de cel aangegeven met Q?
afbeelding
afbeelding
Reductiedelingen bij een zaadplant.
In welke organen van een zaadplant kunnen reductiedelingen optreden?
Mitose en meiose in zaadplanten.
Enkele delen van zaadplanten zijn:
1. helmknoppen,
2. stuifmeelbuizen,
3. zaadbeginsels,
4. zaadlobben.
In welke van deze delen kunnen zowel mitose als meiose optreden?
Een ontkiemende stuifmeelkorrel.
Zie figuur B 527 van de bijlage.
In het schema is het ontstaan en de ontkieming van een stuifmeelkorrel weergegeven.
De verschillende stadia zijn met letters aangegeven.
Vindt meiose plaats tussen de stadia P en R of tussen de stadia S en U?
Hoeveel eicellen kan de ontkiemende stuifmeelkorrel bevruchten?
afbeelding
afbeelding
Ontwikkeling van een zaadbeginsel.
Zie figuur B 517 van de bijlage.
In het schema is de ontwikkeling weergegeven van een zaadbeginsel van een plant.
Tussen welke stadia treedt meiose-I op?
afbeelding
Mitotische en meiotische delingen in een zaadplant.
In een zaadplant komen mitotische en meiotische delingen voor.
Welke delingen kunnen in helmknoppen voorkomen?
En welke in stampers?
afbeelding
Genotypes bij aardappelplanten.
Zie figuur A 197 van de bijlage.
De tekening geeft een aardappelplant weer. De aardappel waaruit de plant is gegroeid, is aangegeven met cijfer 2. Een nieuw gevormde aardappel is aangegeven met cijfer 3.
Kunnen er in deze plant cellen voorkomen met een ander genotype dan de cellen in orgaan P, als mutaties buiten beschouwing worden gelaten?
Zo ja, in welk of in welke van de aangegeven organen?
afbeelding
Genotypes bij enten
Van een plant met het genotype GG wordt een stuk stengel (de ent) afgesneden. Deze ent wordt bevestigd op een andere plant van dezelfde soort (de entstam) met het genotype gg. Van de uitgegroeide ent wordt na een paar jaar een stuk afgesneden; dit stuk vormt wortels en gaat bloeien. Er treedt zelfbestuiving op. Aangenomen wordt dat er geen mutaties voorkomen.
Welk genotype hebben de zaden die dan ontstaan?
Genotypes bij kiemplanten.
Een bepaalde zaadplant is heterozygoot voor verschillende eigenschappen. De plant vormt na zelfbestuiving zaden. Uit deze zaden groeien kiemplanten. Er treden geen mutaties op. Bij de volgende cellen wordt onderzocht wat het genotype is voor deze eigenschappen:
1. cellen van de zaadhuid bij een zaad,
2. cellen van de vruchtwand van een vrucht met zaad,
3. cellen van de zaadlobben bij een zaad,
4. cellen van de wortel van één van de kiemplanten.
Bij welke van deze cellen is het genotype hetzelfde als dat van de ouderplant?
Een stamper met een stuifmeelbuis.
Zie figuur B 2359 van de bijlage.
De afbeelding stelt schematisch een doorsnede voor van een stamper met een stuifmeelbuis van een diploïde plant.
In welke van de aangegeven delen kunnen haploïde kernen voorkomen?
afbeelding
Een afbeelding.
Zie figuur B 420 van de bijlage.
Aan vier leerlingen wordt gevraagd wat de afbeelding voorstelt.
Leerling 1 zegt: de afbeelding stelt een helmhokje van een zaadplant voor.
Leerling 2 zegt: de afbeelding stelt een ovarium van een vrouw voor.
Leerling 3 zegt: de afbeelding stelt een zaadbeginsel van een zaadplant voor.
Leerling 4 zegt: de afbeelding stelt een embryo in de baarmoeder van een vrouw voor.
Welke leerling geeft het juiste antwoord?
afbeelding
De levenscyclus van een mos.
Zie figuur B 599 van de bijlage.
Het schema stelt de levenscyclus van een mos voor.
Waar in dit schema vindt meiose plaats?
afbeelding
Het kweken van planten met uitsluitend ingesneden bladeren.
Een kweker heeft een tomatenplant met ingesneden bladeren. Het allel voor ingesneden bladeren is dominant over dat voor niet-ingesneden bladeren.
De kweker wil uit deze ene plant meer planten kweken met ingesneden bladeren. De volgende methodes staan tot zijn beschikking:
1 . groeipunten van deze plant op een voedingsmedium opkweken tot jonge planten (weefselkweken maken),
2. zelfbestuiving toepassen bij deze plant,
3.deze plant kruisen met een andere plant met ingesneden bladeren,
4. delen van deze plant op bladloze onderstammetjes van andere planten plaatsen, zodanig dat deze uitgroeien tot hele planten (enten).
Bij welke van de genoemde methodes weet de kweker zeker dat alle nieuwe planten, afgezien van eventuele mutaties, ingesneden bladeren zullen hebben?
Appelbomen, met appels van twee verschillende rassen.
Er zijn appelbomen die appels van twee verschillende rassen, b.v. Cox Orange en James Grieve kunnen voortbrengen. Deze bomen zijn verkregen door
Ent van een opgekweekte homozygote pruimenboom.
Men ent een tak van een opgekweekte homozygote pruimenboom op een wilde onderstam.
In de vruchtbeginsels van de bloemen die op deze tak ontstaan, ontwikkelen zich eicellen.
Wat kan men voorspellen van deze eicellen?
Deze eicellen zullen hoogstwaarschijnlijk