Oefentoets Biologie: Gedrag - Algemeen | HAVO 3/HAVO 4/HAVO 5 - variant 6

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

HAVO 3, HAVO 4, HAVO 5

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Gedrag

1/5 Broedende vogels.
Zie figuur B 2731 van de bijlage.

In Noord-Holland bevindt zich de ruïne Nuwendoorn. De in 1960 teruggevonden resten van deze oude burcht uit de tijd van Floris V bestaan uit de contouren van een kasteel, een slotgracht en een waterput. In de jaren tachtig is er een heemtuin aangelegd. Een heemtuin is een tuin waarin wilde planten uit de omgeving zijn samengebracht. Het gebied is ongeveer 1 ha groot. Zie de afbeelding.
In het hele terrein Nuwendoorn heeft de mens ingegrepen en komen dus geen natuurlijke ecosystemen voor.
Indien men het beheer van het terrein zou stoppen zou in de verschillende kunstmatige ecosystemen een climaxvegetatie kunnen ontstaan.

Welk ecosysteem op het terrein van Nuwendoorn moet de langste successiereeks ondergaan om zich tot een climaxvegetatie te ontwikkelen?

afbeeldingafbeelding

Gedrag

2/5 Broedende vogels.

In de periode maart-juni 1997 werd het gebied door Mary Markx geïnventariseerd op de aanwezigheid van broedvogels. De inventarisatie werd uitgevoerd door het aantal zingende vogels van elke soort te bepalen.
Dit aantal is een maat voor het aantal nesten.
In de tabel hieronder staan de resultaten van de inventarisatie.
afbeeldingafbeelding

Leid uit de tabel af hoeveel vogelpopulaties er minimaal in dit gebied vertegenwoordigd zijn.
Uit hoeveel vogelgeslachten (genera) behoren deze populaties?

Gedrag

3/5 Broedende vogels.
Zie figuur B 2732 van de bijlage.

Twee van de beschreven broedvogels, de kleine karekiet en de heggenmus, worden geparasiteerd door de koekoek (zie de afbeelding). Het koekoeksvrouwtje legt haar ei in een nest van de genoemde vogels, waarbij het koekoeksjong door de pleegouders wordt verzorgd. Andere jongen zijn er niet want het koekoeksjong verwijdert alle andere eieren of jongen uit het nest. Opvallend is dat de nakomeling later weer een nest van dezelfde pleegoudersoort opzoekt.
In veel schoolboeken wordt de opengesperde bek van het koekoeksjong die aan de binnenkant rood is gekleurd, beschreven als een voorbeeld van een supranormale prikkel voor de pleegouder.

Leg uit dat alleen veldwaarnemingen niet voldoende zijn om de conclusie te rechtvaardigen dat de open rode bek van het koekoeksjong een supranormale prikkel voor de ouders is.

afbeeldingafbeelding

Gedrag

4/5 Broedende vogels.

Nicholas Davies en Michael Brooke voerden een aantal experimenten uit waarbij ze steeds twee karekietnesten aan elkaar vastmaakten, een met een karekietenjong en een met een koekoeksjong. Er was steeds slechts een karekietenouderpaar dat de zorg voor beide jongen op zich kon nemen. Het paar bleek beide jonge vogeltjes evenveel voedsel aan te bieden. De presentatie in de schoolboeken is dus op grond van de resultaten van de experimenten van Davies en Brooke onjuist.

Hoe zou de presentatie die in de schoolboeken is opgenomen, voor de experimenten van Davies en Brooke, eigenlijk genoemd moeten worden?

Gedrag

5/5 Broedende vogels.

Opvallend is dat koekoeken die hun eieren leggen in het nest van een karekiet, eieren produceren die heel erg veel lijken op die van de karekiet. Bij koekoeken die hun eieren leggen in het nest van een heggenmus lijken de eieren niet op die van een heggenmus.
Davies en Brooke ontdekten met behulp van experimenten dat heggenmussen, in tegenstelling tot karekieten, weinig neiging vertonen 'vreemde eieren' uit het nest te verwijderen. Ook vonden zij dat slechts 2% van de heggenmusnesten door koekoeken wordt bezocht tegen 16% van de karekietnesten. Zij opperden dat de relatie tussen heggenmus en koekoek pas veel later in de evolutie tot stand gekomen is dan die tussen karekiet en koekoek.
Deze mening is gebaseerd op feiten uit de tekst hierboven.

Noem drie feiten uit deze tekst die deze mening ondersteunen.

Gedrag

1/5 Donkere manen.

De manen van mannetjesleeuwen verschillen zowel in lengte als in kleur. In een warm gebied hebben leeuwen veelal korte en blonde manen, in een kouder gebied lange en donkere manen. Leeuwen met lange, donkere manen hebben een hogere testosteronconcentratie in hun bloed en zijn gezonder en beter doorvoed dan leeuwen met korte en lichte manen.

Welke van de genoemde factoren die in verband gebracht worden met de lengte en de kleur van de manen, is abiotisch?

Gedrag

2/5 Donkere manen.

Leg uit dat het voor leeuwen in koude gebieden voordelig is om lange manen te hebben.

Gedrag

3/5 Donkere manen.
Zie figuur B 3747 van de bijlage.

Onderzoekster Peyton West formuleerde de volgende hypothesen:

1. mannetjes met lange manen zijn aantrekkelijker voor vrouwtjes dan mannetjes met korte manen;
2. de kleur van de manen speelt geen rol wat betreft de aantrekkingskracht op vrouwtjes.

Zij liet een Nederlandse speelgoedfabrikant vier leeuwenmannetjespoppen maken (zie de afbeelding). Zij hadden manen die verwisseld konden worden, in vier soorten: kortharige en langharige blonde manen en kortharige en langharige donkere manen.
Deze vier modellen stelde zij twee aan twee op in het veld. Daarna lokte zij leeuwen door het geluid van hyena's bij een prooivangst te laten horen: voor leeuwen is dat als het luiden van de etensbel. Zij keek nu welke modellen het meest door de vrouwtjes benaderd werden.

Welke resultaten van de modelexperimenten bevestigen de twee hypothesen van West?

afbeeldingafbeelding

Gedrag

4/5 Donkere manen.

In de warme perioden in hun leefgebied blijken leeuwen met lange en donkere manen sperma te produceren van lage kwaliteit (veel abnormale zaadcellen). De kwaliteit van het sperma van leeuwen met korte blonde manen die daar ook leven, is beter. Toch zijn er in verhouding meer leeuwtjes van vaders met lange, donkere manen.
Hieronder staan twee mogelijke verklaringen voor dit vreemde verschijnsel.

1. Vrouwtjes kiezen vaker voor mannetjes met lange donkere manen.
2. Mannetjes met lange donkere manen verdedigen hun jongen beter.

Welke van die verklaringen kan of welke kunnen juist zijn?

Gedrag

5/5 Donkere manen.
Zie figuur B 3748 van de bijlage.

Leeuwen jagen door hard achter hun prooien aan te rennen. Zo proberen ze een Thomsongazelle of zebra in te halen en te grijpen. Maar ook de prooi rent hard. Die heeft het voordeel dat hij meestal met een voorsprong begint. In de afbeelding zie je welke afstand een Thomsongazelle en een leeuw vanuit stilstand kunnen afleggen. De verschillende lijnen gaan uit van een bepaalde voorsprong in meters voor de Thomsongazelle. Een leeuw kan circa 5 seconden voluit sprinten.

Wat is naar schatting de grootste voorsprong voor de Thomsongazelle, waarbij de leeuw hem in 5 seconden nog net te pakken kan krijgen?

afbeeldingafbeelding

Gedrag

1/2 Futen.
Zie figuur B 1408 van de bijlage.

De Engelse onderzoeker Huxley beschreef het gedrag van futen. Hij nam onder andere de zogenaamde pinguïndans waar. De mannelijke en vrouwelijke partner zwemmen daarbij met de hals over het water gestrekt op elkaar af, met nestmateriaal (waterplanten) in de snavel. Dan rijzen ze al watertrappelend borst-aan-borst omhoog uit het water (zie afbeelding B 1408 boven).

Tot welk type sociaal gedrag behoort de pinguïndans?

afbeeldingafbeelding

Gedrag

2/2 Futen.
Zie figuur B 1408 van de bijlage.

Huxley nam aan dat het op elkaar afzwemmen en omhoogrijzen zich door ritualisering heeft ontwikkeld uit een borst aan borst gevecht (zie afbeelding B 1408 onder).
Mannelijke futen voeren namelijk ook borst aan borst gevechten uit. Zij tonen hierbij geen nestmateriaal, maar slaan elkaar met de vleugels en pikken naar elkaar met geopende snavel.
Het borst aan borst gevecht maakt deel uit van een bepaald type sociaal gedrag.

Tot welk type sociaal gedrag behoort dit vechtgedrag?

afbeeldingafbeelding

Gedrag

1/3 Veelvormigheid bij kemphanen.
Zie figuur C 140 van de bijlage.

Bij kemphanenmannetjes komen verschillende kleuren kragen voor. De mannetjes met donkere kragen (onafhankelijke mannetjes) proberen op gemeenschappelijke baltsplaatsen een territorium te veroveren (zie de afbeelding, links). Vrouwtjes paren alleen met onafhankelijke mannetjes die een territorium bezitten. Er zijn ook mannetjes met witte kragen (satellietmannetjes, zie de afbeelding, rechts). Deze mannetjes vechten niet om een territorium, maar zoeken de territoria van de onafhankelijke mannetjes op en worden daar getolereerd, waarschijnlijk doordat ze de vrouwtjes aantrekken. De vrouwtjes paren ook met de satellietmannetjes en worden ook door hen bevrucht. De vrouwtjes zorgen ver buiten de baltsplaats in hun eentje voor de jongen. Satellietmannetjes worden nooit onafhankelijke mannetjes en onafhankelijke
mannetjes worden nooit satellietmannetjes.

Noem een voordeel dat satellietmannetjes van het beschreven gedrag hebben ten opzichte van onafhankelijke mannetjes.
Leg ook uit waardoor dat een voordeel is.

afbeeldingafbeelding

Gedrag

2/3 Veelvormigheid bij kemphanen.

Twee beweringen over satellietmannetjes zijn:

1. Satellietmannetjes zijn kemphanen van een andere soort dan de onafhankelijke mannetjes.
2. Bij de onafhankelijke mannetjes vindt zeer waarschijnlijk meer selectie op agressie plaats dan bij de satellietmannetjes.

Welke van deze beweringen is of welke zijn juist?

Gedrag

3/3 Veelvormigheid bij kemphanen.

Het is niet waarschijnlijk dat het verschil in gedrag tussen onafhankelijke mannetjes en satellietmannetjes het resultaat is van leerprocessen.

Geef een argument waarom dit niet waarschijnlijk is.

Gedrag

1/5 Manenloze leeuwen.
Zie figuur B 3792 van de bijlage.

"Prachtig!" zei hij, nadat hij ze enige tijd had bestudeerd, "hiervoor zijn we gekomen. Ze hebben ècht geen manen." Aan het woord is Craig Packer, dè deskundige op het gebied van de Serengetileeuw. Hij bestudeerde ook de leeuwen in Tsavo National Park, het oudste en grootste natuurreservaat van Kenia.
Kenmerkend verschil tussen de leeuwen in Tsavo en Serengeti (een natuurreservaat in Tanzania) is dat de mannelijke dieren in Tsavo beduidend minder manen hebben dan die in Serengeti. Packer is geïnteresseerd in het ontstaan van deze verschillen.
Uit onderzoek is gebleken dat bij Serengetileeuwen een relatie bestaat tussen manen en kracht: hoe langer de manen, hoe krachtiger. Voor dit onderzoek wordt gebruik gemaakt van poppen (zie de afbeelding) van mannelijke leeuwen die voorzien kunnen worden van manen van verschillende lengte en van verschillende kleuren.
Als een mannelijke leeuw in Serengeti geconfronteerd wordt met twee poppen met verschillende manenlengtes, benadert hij meestal de pop met de kortere manen.

Leg uit hoe het komt dat de leeuw meestal de pop met de kortere manen benadert.

afbeeldingafbeelding

Gedrag

2/5 Manenloze leeuwen.

Op welke wijze zullen Serengetileeuwen de relatie tussen de lengte van de manen en lichamelijke kracht geleerd hebben?

Gedrag

3/5 Manenloze leeuwen.

Tsavoleeuwen zijn gemiddeld groter en sterker dan leeuwen in Serengeti. Sommige biologen geven hiervoor een evolutionaire verklaring. Voor leeuwen in Tsavo is het belangrijkste voedsel de Kaapse buffel (een groot sterk dier). Er zijn daar minder kleinere prooidieren dan in Serengeti.

Leg met behulp van bovenstaande informatie uit dat Tsavoleeuwen gemiddeld groter zijn dan Serengetileeuwen.

Gedrag

4/5 Manenloze leeuwen.

Onderzoekers tasten nog in het duister over de verklaring voor de korte lengte van de manen bij de leeuwen in Tsavo. De temperatuur in Tsavo is hoger dan in Serengeti. Gebruikmakend van dit gegeven kan een hypothese geformuleerd worden met betrekking tot het verschil in manenlengte.

Hoe luidt deze hypothese?

Gedrag

5/5 Manenloze leeuwen.

De onderzoekers zelf zijn er nog niet uit of het verschil in lengte van de manen erfelijk is, of door de omgeving wordt veroorzaakt.

Beschrijf een experiment waarmee je dit kunt onderzoeken. Je hebt de beschikking over 14 jonge mannetjes (welpen) uit Tsavo National Park.
Beschrijf ook bij welk resultaat de conclusie moet worden getrokken dat het verschil erfelijk is.