Oefentoets Biologie: Plantenanatomie - kieming | VMBO theoretische leerweg, 3/VMBO theoretische leerweg, 4 | variant 2

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VMBO theoretische leerweg, 3, VMBO theoretische leerweg, 4

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Plantenfysiologie

Kiemproeven.

In afgesloten schalen zijn vier proeven (1 t/m 4) met zaden gedaan.

afbeeldingafbeelding

Uit de resultaten van deze vier proeven is af te leiden, dat

Plantenfysiologie

Kiemingsproeven.
Zie figuur B 957 van de bijlage.

In vijf bakjes worden droge erwten onder verschillende omstandigheden gelegd om na te gaan of ze kiemen. De bakjes 2, 3, 4 en 5 zijn luchtdicht afgesloten.

In welke bakjes zullen zich uit de erwten kiemplantjes kunnen ontwikkelen?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Kieming bonenzaad.
Zie figuur B 775 van de bijlage.

In de tekeningen zijn vier stadia van de ontkieming van een zaad van een bonenplant weergegeven.
De zaadlobben in de stadia 1, 2 en 3 bevatten zetmeel.
De bladeren in de stadia 3 en 4 bevatten bladgroen.

Heeft het zaad water nodig voor de ontkieming?
En zuurstof?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Kieming bonenzaad.
Zie figuur B 775 van de bijlage.

In welke stadia vindt verbranding plaats?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Kiemingsproeven.
Zie figuur B 728 van de bijlage.

In een proefopstelling (zie tekening) bevinden zich zaden van een bepaalde plant.
De zaden kiemen.
De ontwikkeling van de kiemplantjes in schaal 2 gaat sneller dan die in schaal 1.

Welke van onderstaande conclusies uit deze proef is juist?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Kieming van zaad.

Als zaden kiemen krijgen ze de energie die ze daarvoor nodig hebben uit

Plantenfysiologie

Kiemingsproef.
Zie figuur B 1700 van de bijlage.

In een hoog bekerglas, waaromheen een kartonnen koker wordt geplaatst (zie nevenstaande figuur) bevindt zich uitgekookt water. De temperatuur van het water en van de omgeving bedraagt 20°C. Op een stokje is een aantal erwten geprikt. Het blijkt dat alleen de erwten die zich direct onder de waterspiegel bevinden, na enkele dagen zichtbaar gaan kiemen.

Dat de erwten in dieper gelegen waterlagen niet zichtbaar gaan kiemen komt omdat daar

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Kiemingsproeven.

Het volgende experiment wordt uitgevoerd.

We nemen 2 glazen potten (I en II). In elke pot doen we evenveel bonen die door wateropname gezwollen zijn.
Pot I zetten we op een warme plaats (25°C). Pot II zetten we op een koude plaats (10°C).
Alle bonen ontvangen evenveel licht.

Welke van onderstaande beweringen met betrekking tot dit experiment is juist?

Plantenfysiologie

Kiemingsproef.
Zie figuur B 1911 van de bijlage.

Iemand heeft twee reageerbuizen die zijn gevuld zoals in de afbeelding is aangegeven.

In welke van de weergegeven buizen zullen de zaden ontkiemen?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Een proef met erwten.
Zie figuur B 2303 van de bijlage.

Tien erwten (groep 1) wegen samen 20 gram. Deze erwten worden in een droogstoof gelegd. In die droogstoof verdampt al het water uit die erwten. Ze wegen dan samen nog 10 gram.
Tien andere erwten (groep 2) wegen samen ook 20 gram. Zij worden op nat papier gelegd. Na een week zijn het kiemplantjes geworden en wegen zij samen 40 gram. Ook deze plantjes gaan in de droogstoof. Als ze eruit komen, wegen ze samen nog 5 gram. De kiemplantjes zijn nu helemaal verdroogd.
In de afbeelding is deze proef schematisch weergegeven.
De erwten die zijn gekiemd voor ze de droogstoof ingingen (groep 2), hebben een ander gewicht na het drogen dan de erwten die ongekiemd zijn gedroogd (groep 1).

Wat is hiervoor de verklaring?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Een ontkiemende maïskorrel.

Een maïskorrel ontkiemt in de bodem en neemt daarbij water op.
Enkele stoffen zijn: glucose, koolstofdioxide en zuurstof.

Welke van deze stoffen neemt de maïskorrel nog meer uit de omgeving op, vóórdat het kiemplantje boven de grond komt?

Plantenfysiologie

Kieming.

Om te kunnen kiemen moeten zaden opnemen:

Plantenfysiologie

Kiemende boon.

Het worteltje van een kiemende bruine boon groeit de vochtige grond in.

Uit welke stof(fen) verkrijgen de cellen van dit worteltje de energie voor deze groei?

Plantenfysiologie

Kiemingsproef.

In een met lucht gevulde, afgesloten thermosfles bevindt zich een aantal kiemende bonen.
Tijdens de kieming worden regelmatig de temperatuur en het koolstofdioxidegehalte van de lucht in de thermosfles gemeten.

Welke veranderingen treden op?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Kieming.

Is voor het kiemen van zaden koolstofdioxide nodig?
En licht?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Kiemingsproeven.
Zie figuur B 726 van de bijlage.

In vier opstellingen worden droge maïskorrels op natte watten gelegd (zie tekening).

In welke opstellingen zullen zich uit de maïskorrels kiemplantjes gaan ontwikkelen?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Kiemingsproeven.
Zie figuur B 727 van de bijlage.

De volgende proefopstelling staat in het donker.

Kunnen in bak 1 uit de zaden kiemplantjes ontstaan?
En in bak 2?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Groei van bonenplanten.

Enkele factoren die een rol spelen bij de groei van bonenplanten zijn:

1. licht,
2. water,
3. zuurstof,
4. voedsel in zaadlobben.

Welke van deze factoren zijn noodzakelijk voor de kieming van bonen?

Plantenfysiologie

Kiemingsproef.

In een met lucht gevulde, afgesloten thermosfles bevindt zich een aantal kiemende bonen. Tijdens de kieming worden regelmatig de temperatuur en het koolstofdioxidegehalte van de lucht in de thermosfles gemeten.

Welke veranderingen treden hierin op?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Kieming.

Tijdens de kieming vinden in een zaad de volgende processen plaats:

1. opname van water;
2. omzetting van zetmeel in glucose;
3. opname van zuurstof;
4. verbranding.

Welke van deze processen vinden ook plaats in een volwassen plant?