Oefentoets Biologie: Immuniteit | VMBO theoretische leerweg, 3/VMBO theoretische leerweg, 4 | variant 1

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VMBO theoretische leerweg, 3, VMBO theoretische leerweg, 4

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Ziekten

1/10 Beroepsziekten.

INFORMATIE 1 ONDERZOEK NAAR BEROEPSZIEKTEN IN NEDERLAND
Zie figuur B 4545 hieronder.
afbeeldingafbeelding

Een beroepsziekte is een ziekte of aandoening die hoofdzakelijk het gevolg is van arbeid of arbeidsomstandigheden.
Er is in drie bedrijfstakken een onderzoek gedaan naar vier groepen beroepsziekten. Men heeft onderzocht hoe groot het percentage zieke werknemers is dat te maken heeft met een beroepsziekte uit zo'n groep (zie afbeelding).
De tabel hieronder geeft een overzicht van het aantal meldingen van beroepsziekten in enkele bedrijfstakken in het jaar 2000.

afbeeldingafbeelding

Zie volgende scherm



-

Ziekten

2/10 Beroepsziekten.
Zie figuur B 4546 hieronder.

INFORMATIE 2 LONGZIEKTEN
Zie figuur B 4546 hieronder.
afbeeldingafbeelding

Als mensen op hun werk veel in aanraking komen met stoffen waarvoor ze overgevoelig zijn, kunnen ze een longziekte oplopen. Zulke stoffen veroorzaken dan een allergische reactie van de bronchiolen (zie de afbeelding hierboven). Bronchiolen zijn de kleinste vertakkingen van de luchtwegen in de longen.
De paprikalong is zo'n beroepsziekte en wordt veroorzaakt door stuifmeel van paprikaplanten. Deze aandoening komt veel voor bij werknemers in de paprikateelt.
In de voedingsmiddelenindustrie wordt veel met enzymen gewerkt. Zo wordt in bakkerijen een bepaald enzym aan het meel toegevoegd. Dit enzym blijkt na inademing bij sommige werknemers ook een allergische reactie van de ademhalingsorganen op te wekken.
Een andere longziekte is tuberculose. Mensen die in de gezondheidszorg werken, lopen het risico besmet te raken met de bacterie die deze ziekte veroorzaakt. Zo'n bacterie kan door hoesten worden overgebracht.

Zie volgende scherm

Ziekten

3/10 Beroepsziekten.

INFORMATIE 3 LEVERZIEKTEN
Zie figuur B 4547 hieronder.
afbeeldingafbeelding

Hepatitis is een verzamelnaam voor verschillende soorten ontstekingen van de lever. Vooral mensen die door hun werk veel in aanraking komen met bloed, lopen het risico besmet te raken met een virus dat hepatitis B veroorzaakt. Sinds 1981 bestaat er een vaccin tegen hepatitis B, waarmee onder andere werknemers in de gezondheidszorg ingeënt worden. In een brochure van de GGD staat weergegeven hoe besmetting met hepatitis B kan plaatsvinden (zie de afbeelding).

INFORMATIE 4 BESMETTING MET ZIEKTEVERWEKKERS UIT DIEREN

Leptospirosen zijn bacteriën die in het lichaam van verschillende soorten dieren kunnen voorkomen. Soms worden de dieren er ziek van, maar meestal hebben ze er geen last van. Als mensen in contact komen met besmette dieren, kunnen leptospirosen via wondjes het lichaam binnendringen. Ze verspreiden zich met het bloed naar de organen en kunnen ernstige ziekten veroorzaken.
De ziekte van Weil wordt door zo'n bacterie uit ratten veroorzaakt. Mensen die werken aan de riolering of als rattenvanger, lopen het risico ermee besmet te worden.
Koeien kunnen aan mensen bacteriën overdragen die "melkerskoorts" veroorzaken. Werknemers op boerderijen lopen ook de kans om besmet te worden met bacteriën die "modderkoorts" veroorzaken. Deze bacteriën worden onder andere overgebracht door veldmuizen.
Het is niet eenvoudig om aan te tonen welke soort leptospirose zich in het bloed van een besmet persoon bevindt. Om dit vast te stellen wordt bloed in een laboratorium onderzocht.

Zie volgende scherm

Ziekten

4/10 Beroepsziekten.

INFORMATIE 5 RSI

RSI, ook wel "muisarm" of "toetsenbordziekte" genoemd, is de afkorting van Repetitive Strain Injury. Mensen met RSI hebben vaak pijn in de polsen, de nek en de schouders. Bij langdurig werken op een toetsenbord worden door de handen en de vingers steeds dezelfde bewegingen gemaakt. Door wrijving tussen pezen, botten en spieren bij zulke bewegingen kunnen ontstekingen in de vingers en de polsen ontstaan. Als iemand bij dit soort werk in een verkeerde houding zit, zijn de spieren in de nek en de schouders voortdurend aangespannen. Doordat afvalstoffen dan onvoldoende met het bloed worden afgevoerd, ontstaat pijn in deze spieren. Om RSI-problemen bij computergebruik te voorkómen, moet onder andere gelet worden op de werkhouding.

Immuniteit

Plasmaferese.

Is de toediening van antistoffen actieve of passieve immunisatie? Leg je antwoord uit.

Immuniteit

1/5 Orgaantransplantatie.
ORGAANTRANSPLANTATIE

Hart
Een patiënt komt in aanmerking voor een harttransplantatie als er sprake is van een chronisch hartfalen, waarbij de levensverwachting kleiner is dan één jaar en andere behandelingen niet (meer) mogelijk zijn.
Bij een harttransplantatie is een snelle transplantatie is van essentieel belang. Het hart is vier tot acht uur buiten het lichaam houdbaar, maar hoe sneller de operatie, hoe groter de kans op succes.
Het hart is het eerste orgaan dat uit een donor wordt genomen. Harttransplantatie geldt niet als de moeilijkste van alle orgaantransplantaties. Een operatie duurt gemiddeld zo'n drie tot vier uur. Een bijkomend nadeel is dat in verband met de geboden snelheid donor en ontvanger op bloedgroep op elkaar worden afgestemd. Afstemming op weefseltypering is in verband met de tijdsdruk niet mogelijk. Gevolg is dat in 5 tot 15 procent van de transplantaties het donorhart niet goed op gang komt.
De overlevingskans voor een persoon met een donorhart ligt op ruim 90 procent na één jaar; 84 procent leeft na vijf jaar nog.

Lever
De lever heeft verschillende functies, stoornissen hieraan kunnen aanleiding zijn tot transplantatie. Als een van de twee leverfuncties niet goed werkt, betekent het nog niet dat automatisch tot transplantatie wordt besloten. Er mag niets mis zijn met het hart en de longen van de patiënt.
De leverziekte dient ook zó ernstig te zijn dat andere behandelingen geen nut meer hebben. Een leveraandoening wordt meestal veroorzaakt door een erfelijke ziekte, een virusinfectie, medicijngebruik of overmatig alcoholgebruik. In het laatste geval is de aandoening vaak te behandelen met medicijnen en door te stoppen met drinken. Soms is transplantatie noodzakelijk, maar alcoholisten komen daarvoor in beginsel pas in aanmerking wanneer zij minimaal zes maanden ‘droog staan'.
De levertransplantatie is wellicht de moeilijkste van alle orgaantransplantaties. Veel patiënten verkeren ten tijde van de operatie in een slechte conditie door een gebrek aan eiwitten. De operatie duurt zeven tot acht uur. Er is ook haast geboden bij een transplantatie: tussen het moment van uitname en transplantatie mag maximaal twaalf uur zitten. Ook hier geldt: hoe sneller, hoe beter.
Afstoting bij levertransplantaties is een reële kans. Zo'n 30 tot 40 procent van de patiënten heeft te maken met acute afstotingsverschijnselen (tussen 7 en 21 dagen na de transplantatie). De kans op overleving is ongeveer 85 procent na één jaar en 50 procent na vijf jaar.

Uit: http://www.nrc.nl/W2/Lab/Profiel/Orgaandonatie/weefsels.html

Zie volgende scherm

Immuniteit

2/5 Orgaantransplantatie.

Tegen welk type stoffen wordt een afweerreactie opgeroepen?

Immuniteit

3/5 Orgaantransplantatie.

Voorafgaande aan de afstoting vindt antigeenpresentatie plaats.

Waar wordt het gepresenteerde antigeen vandaan gehaald?

Immuniteit

4/5 Orgaantransplantatie.

Waarom is het zo moeilijk om een ontvanger te vinden met dezelfde weefseltypering (weefselgroep) als die van het donororgaan?

Immuniteit

5/5 Orgaantransplantatie.

Welk type cellen zal het vreemde orgaan als eerste ‘opmerken'?

Immuniteit

Vleermuizen.

Na een beet van een laatvlieger (soort vleermuis) krijgt iemand dezelfde dag nog een serum en een vaccin toegediend tegen rabiës.

Welke vloeistof geeft meteen bescherming tegen een ziekteverwekker, een serum of een vaccin? Leg je antwoord uit.

Immuniteit

1/3 Vogelgriep.

Vogelgriep wordt veroorzaakt door een virus dat in verschillende vormen voorkomt. Het wordt overgedragen door poep van besmette vogels.
Sommige vormen zijn zeer besmettelijk en zeer schadelijk voor pluimvee, zoals kippen, eenden en kalkoenen.
In 2003 veroorzaakte zo'n virus een epidemie op pluimveebedrijven in Nederland. Om vast te stellen of kippen besmet waren, werd hun bloed onderzocht op antistoffen tegen dit virus.
Hoewel er een vaccin tegen het virus bestond, werden de kippen niet ingeënt.
Ingeënte kippen konden namelijk niet verkocht worden aan het buitenland, omdat door bloedonderzoek niet vastgesteld kon worden of een kip besmet was met het virus, of dat de kip was ingeënt.

Leg uit waardoor met bloedonderzoek geen verschil aangetoond kon worden tussen een besmette kip en een ingeënte kip.

Immuniteit

2/3 Vogelgriep.

Er zijn vormen van het virus die ook ziekteverschijnselen bij mensen veroorzaken na besmetting door een vogel. Besmette personen kunnen zo'n virus meestal niet op andere mensen overdragen.
Pas als er een vorm van het virus ontstaat die tussen mensen overgedragen kan worden, bestaat de kans dat veel mensen de ziekte oplopen. Zo'n vorm kan ontstaan als het vogelgriepvirus in het lichaam van iemand terechtkomt die ook besmet is met het menselijk griepvirus. Er is dan een kans dat er een soort mengvorm ontstaat van beide virussen die wél van mens naar mens kan worden overgedragen.
Een inenting tegen het menselijk griepvirus levert geen goede bescherming op tegen het vogelgriepvirus. Toch wordt mensen die bijvoorbeeld door hun werk in aanraking komen met besmet pluimvee, geadviseerd zich te laten inenten tegen het menselijk griepvirus.

Leg uit waarom dit advies gegeven wordt.

Immuniteit

3/3 Vogelgriep.

Leg uit waardoor een inenting tegen een menselijk griepvirus geen goede immuniteit oplevert tegen een andere griep zoals vogelgriep.

Immuniteit

1/3 Dierentuindieren en de gezondheid.

In een dierentuin is er veel contact tussen de dieren en hun verzorgers.
Een groepje leerlingen krijgt van de biologiedocent de opdracht om te onderzoeken of dit contact gevaar oplevert voor de gezondheid van de verzorgers of van de dieren. De leerlingen zoeken hierover informatie op internet. Ook houden ze interviews met verschillende dierverzorgers.

In hun onderzoekverslag schrijven ze onder andere het volgende:
"Sommige ziekteverwekkers zijn zowel voor mensen als voor dieren schadelijk. Zo kunnen apen ziek worden na een infectie met het mazelenvirus of het poliovirus, net als mensen. Maar de kans dat mensen door dierentuindieren besmet worden met een ziekteverwekker is heel klein. De dieren in de dierentuin worden goed gecontroleerd op ziektes. Ze komen ook niet in contact met andere dieren. En de verzorgers zijn als kind al tegen veel ziektes ingeënt.
Wel bestaat het gevaar dat een verzorger gebeten wordt door een giftig dier, zoals een slang of een schorpioen. Daarom heeft een dierentuin een voorraad van veel verschillende soorten serum. Een serum bevat stoffen die het gif onschadelijk maken. Zo'n serum wordt gemaakt door bijvoorbeeld een paard in te spuiten met een kleine hoeveelheid gif. Na enige tijd wordt dan bloed afgenomen bij het paard. Uit dit bloed wordt het serum gemaakt."

Leg uit dat het voor de gezondheid van de dierentuindieren belangrijk is dat hun verzorgers zijn ingeënt tegen verschillende ziektes.

Immuniteit

2/3 Dierentuindieren en de gezondheid.

Om serum tegen een gif te maken, wordt bij een paard wat van dat gif ingespoten.

Werkt dat gif dan als een antigeen?
En werkt het als een antistof?

Immuniteit

3/3 Dierentuindieren en de gezondheid.

Een verzorger die door een slang gebeten is, wordt behandeld met een serum.

Is dit actieve immunisatie of is dit passieve immunisatie? Leg je antwoord uit.

Immuniteit

1/2 Duinen.

De konijnenziekte VHS kan door wilde konijnen overgedragen worden op tamme konijnen. Zieke konijnen sterven snel. Antibiotica helpen niet en er bestaan geen andere geneesmiddelen. Wel kunnen konijnen door de dierenarts ingeënt worden tegen VHS.

Waardoor kan VHS niet genezen worden door antibiotica toe te dienen?

Immuniteit

2/2 Duinen.

Jonge konijntjes van ingeënte moederkonijnen zijn tot op een leeftijd van ongeveer 50 dagen immuun voor VHS. Voor de geboorte zijn via de placenta antistoffen van de moeder overgebracht in het bloed van de konijnenbaby.

Leg uit waardoor zulke jonge konijnen slechts korte tijd immuun zijn.