Oefentoets Biologie: Voortplanting | VWO 4/VWO 5/VWO 6 | variant 3

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VWO 4, VWO 5, VWO 6

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Voortplanting

Voortplanting van een bepaalde soort worm.
Zie figuur B 1131 van de bijlage.

In de afbeelding zijn de wijzen van voortplanting van een bepaalde soort worm weergegeven. Met de pijlen zijn processen aangeduid. Bij de wormen van deze soort zijn geen mannelijke dieren bekend. De wormen zijn diploïd en kunnen zich zowel ongeslachtelijk als geslachtelijk voortplanten.
Uit een lichaamscel van een worm kan een nakomeling ontstaan. Ook kan een worm eieren produceren. Als een eicel niet wordt bevrucht, verandert deze in een spermacel. Zo'n spermacel kan een andere eicel bevruchten.

Welke van de pijlen p, q, r en s in de afbeelding geeft of welke geven het plaatsvinden van meiose weer?

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

Lengtegroei bij een aardappelplant.
Zie figuur A 3 van de bijlage.

Vier processen zijn:

1. celstrekking,
2. differentiatie,
3. plasmagroei,
4. specialisatie.

Welk van deze processen heeft vooral de grote lengtegroei van de stengel van de afgebeelde aardappelplant P veroorzaakt?

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

Het verschijnsel differentiatie.

Het verschijnsel differentiatie houdt verband met het feit dat

Voortplanting

Generatiewisseling van schijfpoliepen.
Zie figuur B 290 van de bijlage.

In het schema zijn de stadia van de generatiewisseling van schijfpoliepen weergegeven.
Schijfpoliepen vormen door afsnoering van een deel van hun lichaam kwallen. Kwallen maken na meiose gameten. Uit de zygote groeit tenslotte weer een poliep.

In welk stadium is zeker sprake van hetzelfde genotype als in stadium 1?

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

Generatiewisseling.

Het algemene schema voor generatiewisseling is:

afbeeldingafbeelding

De voorkiem van de varens is haploïd. Varenplanten, kwallen en poliepen zijn diploïd.

Ontstaan de gameten bij varens door meiose of door mitose?
Ontstaan de gameten bij de genoemde holtedieren door meiose of door mitose?

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

Een levensloop van een bepaalde kwal.
Zie figuur A 335 van de bijlage.

In de afbeelding is de levensloop van een bepaalde kwal getekend. Over deze levensloop worden twee beweringen gedaan:

1. in de levensloop van de kwal ontstaan gameten door meiose;
2. in de levensloop van de kwal is zowel de kwal als de poliep diploïd.

Welke van deze beweringen is of welke zijn juist?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

Nakomelingschap bij kruisingen met kikkervrouwtjes.

Bij kikkers wordt het geslacht op dezelfde manier door chromosomen bepaald als bij de mens.
Het is mogelijk door hormoonbehandeling kikkervrouwtjes in kikkermannetjes te veranderen.
Onder invloed van dat hormoon veranderen hun ovaria in testes en gaan zij spermacellen produceren.
Vrouwtjes die door hormoonbehandeling spermacellen zijn gaan produceren, worden gekruist met onbehandelde vrouwtjes.

In welke verhouding komen mannetjes en vrouwtjes voor onder de nakomelingen van deze kruising?

Het is te verwachten dat de nakomelingschap uit deze kruising genotypisch

Voortplanting

Parthenogenese bij kalkoenen.

Bij vogels bezit het vrouwtje in de celkernen een X- en een Y-chromosoom. Bij mannetjes komen in de celkernen twee X-chromosomen voor. Voor de normale ontwikkeling van een embryo is ten minste één X-chromosoom per celkern nodig. Eieren van bepaalde kalkoenen kunnen zich ook door parthenogenese ontwikkelen. Parthenogenese is het verschijnsel waarbij een onbevruchte eicel zich verder normaal ontwikkelt tot een nieuw individu. Hierbij wordt het aantal chromosomen in de eicel verdubbeld, waardoor t•toch een diploïd aantal chromosomen wordt verkregen.

Indien bij deze kalkoenen door parthenogenese nakomelingen ontstaan, welk percentage daarvan zal dan uit mannelijke kalkoenen bestaan?

Voortplanting

De Italiaanse populier.

De Italiaanse populier is een variëteit van de Zwarte populier. Deze variëteit heeft rechtopstaande takken die een smalle, langwerpige kroon vormen. Van deze bomen zijn in Nederland, al generaties lang, alleen mannelijke exemplaren bekend.
Ter verklaring van het feit dat deze variëteit in Nederland nog steeds niet uitsterft, terwijl er geen Italiaanse populieren worden geïmporteerd, worden vier beweringen gedaan:

1. Uit de zaden van deze variëteit ontstaan steeds alleen mannelijke nakomelingen.
2. Deze variëteit wordt steeds door verwante planten, zoals wilgen bestoven, maar het genotype van deze populieren is dominant over dat van de wilgen.
3. De mannelijke bomen van deze variëteit ontstaan steeds door ongeslachtelijke voortplanting.
4. Nakomelingen van deze variëteit ontstaan steeds uit onbevruchte eicellen.

Welke van deze beweringen kan een juiste verklaring zijn?

Voortplanting

Ei(cel)kernen in één zaadbeginsel.

Hoeveel ei(cel)kernen zijn vlak voor de bevruchting in één zaadbeginsel van een bedektzadige plant aanwezig?

Voortplanting

De bouw van een vrouwelijke bloem.
Zie figuur B 264 van de bijlage.

De tekening geeft schematisch de bouw weer van een bepaalde onbestoven vrouwelijke bloem.

Met welk cijfer worden de kelkbladen aangeduid?
In welk deel kunnen haploïde cellen voorkomen?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

Bevruchting bij planten.
Zie figuur B 38 van de bijlage.

Een stuifmeelkorrel komt op een stamper terecht. De tekeningen geven enkele stadia weer van de ontwikkeling van deze stuifmeelkorrel totdat deze een eicel bevrucht.
De plant waarvan de stuifmeelkorrel afkomstig is, heeft voor een bepaalde eigenschap genotype Rr. Het blijkt dat de gevormde zygote het allel R uit de stuifmeelkorrel gekregen heeft.

In welk of in welke van de getekende stadia van de ontwikkeling lag het vast dat de zygote het allel R en niet het allel r uit de stuifmeelkorrel zou krijgen?

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

Een doorsnede van een zaadknop voor de bevruchting.
Zie figuur B 223 van de bijlage.

De tekening stelt voor een doorsnede van een zaadknop voor de bevruchting. De kernen in de bladcellen van dezelfde plant bevatten 20 chromosomen.

Hoe groot is het aantal chromosomen in de kernen aangegeven met 1 en 2?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

Vorming en ontwikkeling van stuifmeelkorrels.
Zie figuur B 246 van de bijlage.

De figuur stelt voor de vorming van stuifmeelkorrels uit de stuifmeelmoedercel en de verdere ontwikkeling van één ervan.

Tussen welke stadia wordt het aantal chromosomen per kern gehalveerd (meiose I)?

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

Het aantal chromosomen na een meiosefout.

Een plant heeft in zijn bladcellen 18 chromosomen.
Door een fout bij de meiose ontstaan stuifmeelkorrels met 1 chromosoom minder dan normaal.
Door een van deze stuifmeelkorrels treedt zelfbestuiving op, waarna een zaad gevormd wordt.

Hoe groot is het aantal chromosomen in de zaadhuid?

Voortplanting

Het aantal chromosomen in een kern van een stuifmeelbuis.

Voor een bepaalde zaadplant geldt: 2n = 36.

Hoeveel chromosomen bevinden zich in een kern in een stuifmeelbuis van deze plant?

Voortplanting

Twee stadia van de ontwikkeling van een stuifmeelbuis.
Zie figuur B 299 van de bijlage.

De figuur stelt voor twee stadia van de ontwikkeling van een stuifmeelbuis.
Bladmoescellen van de plant waarvan de stuifmeelkorrel afkomstig is, bevatten 12 chromosomen per kern.

Hoeveel chromosomen bevat kern 1?
En hoeveel kern 2?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

Chromosomen in een bloem.

Het aantal chromosomen in een kern van een cel van een kroonblad van een bepaalde plant bedraagt 16.

Hoeveel chromosomen bevinden zich bij deze plant in alle kernen in de stuifmeelbuis tezamen, vlak voordat deze stuifmeelbuis het zaadbeginsel bereikt heeft?

Voortplanting

Allelen in een chromosomenpaar van een zaadplant.
Zie figuur B 1128 van de bijlage.

In de afbeelding is schematisch een chromosomenpaar van een zaadplant weergegeven. Op elk van de met * aangegeven plaatsen bevindt zich een allel voor de bloemkleur. Dit chromosomenpaar bevindt zich in een zich delende cel van een helmknop in een bloem.
Aangenomen wordt dat er geen mutatie optreedt of is opgetreden.

Hoeveel verschillende typen allelen kunnen maximaal op de vier aangegeven plaatsen worden aangetroffen?

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

Meiose en allelen in een meeldraad.
Zie figuur B 73 van de bijlage.

In een meeldraad van een plant ondergaat een stuifmeelmoedercel meiose I en meiose II. De foto in de figuur geeft het laatste stadium weer van de meiose II. De chromosomen zijn niet goed van elkaar te onderscheiden. De plant, waarvan de getekende cellen afkomstig zijn, is heterozygoot voor een bepaalde eigenschap en heeft genotype Qq. Bij 1 bevindt zich in één van de chromosomen een allel Q.
Aangenomen wordt dat er in de plant geen mutaties optreden, maar dat bij de meiose crossing-over wel mogelijk is.

Welk van de allelen Q en q bevindt zich of welke bevinden zich bij 2?
Is dat met zekerheid te zeggen?

afbeeldingafbeelding