Oefentoets Biologie: Embryologie | VWO 4/VWO 5/VWO 6 | variant 1

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VWO 4, VWO 5, VWO 6

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Voortplanting

1/6 Gevaar op de werkvloer.
OP DE WERKVLOER LOERT HET GEVAAR.
Mannelijke onvruchtbaarheid baart Europa zorgen.

Over de recreatieve kwaliteit van het minnespel zijn bibliotheken volgeschreven, nieuw is dat seks achteruitgaat in zijn scheppende functie en hier wordt de man als boosdoener aangewezen. Was tot voor kort de (oorzaak van) onvruchtbaarheid bij paren fifty-fifty over het stel te verdelen, nieuwe onderzoeken wijzen uit dat meer en meer de vruchtbaarheid van de man in het geding is: zijn zaad wil niet meer deugen.

De maatschappelijke realiteit wil dat het werken aan nageslacht naar een steeds hogere leeftijd wordt verschoven. Toch kan wie zich wil voortplanten dat maar het beste jong doen, voor het arbeidzame leven. Niet alleen bevinden beide partners zich dan in de vruchtbaarste fase van hun leven, maar vooral ook heeft arbeid nog geen kans gehad negatieve invloed op de vruchtbaarheid te hebben. Zelden deugt een werkplek ergonomisch helemaal: je krijgt er platvoeten, hernia, psoriasis, knobbelknieën of grauwe staar; maar dat werkt gelukkig niet door in de zaadaanmaak, qua hoeveelheid en kwaliteit. Maar in bedrijfstakken waar met 'gevaarlijke stoffen' wordt gewerkt - en dat zijn er meer dan je zo op het eerste gezicht zou denken - kan de mannelijke vruchtbaarheid negatief worden beïnvloed. En wordt dat ook, blijkens onderzoeken in binnen- en buitenland.
Sinds duidelijk werd dat het afnemen van het reproductieve vermogen van de man samenhangt met de negatieve kwaliteiten van het milieu en de werkomgeving, hebben wetenschappelijk onderzoekers zich op dit fenomeen gestort. Behalve dat al dat onderzoek allerhande - vaak voorzichtige en soms tegengestelde - conclusies oplevert werpt het meer nieuwe vragen op dan er te beantwoorden waren. Ook worden bij voortduring nieuwe chemische stoffen ontwikkeld die dan wel getest zijn op hun effectiviteit, maar veelal nog onderzocht moeten worden op hun belasting van het milieu in het algemeen en de arbeidsplaats in het bijzonder.

Zie volgende scherm

Voortplanting

2/6 Gevaar op de werkvloer.

Werkplek
Berucht zijn allerlei insectenbestrijdings- en grondontsmettingsmiddelen, koelvloeistoffen, vinylbenzeen (styreen) dat gebruikt wordt bij de productie van kunststoffen, (vooral buiten-)verf en gelode benzine; ongezond voor het (ontbreken van gewenst) nageslacht is onder meer lassen, werken in operatiekamers (ontsmettingsmiddelen, narcosegassen), farmaceutische industrie, chemische wasserijen, recyclingindustrie, keramiek- en kristalvervaardiging.
En werken in kerncentrales: teveel kinderen van werknemers daar worden geboren met bloedkanker. In de regio rondom Sellafield, de beruchte kerncentrale in Noordwest-Engeland, werden de laatste jaren tien keer zoveel gevallen van leukemie bij jonge kinderen vastgesteld dan elders in Groot-Brittannië. Onafhankelijke specialisten vermoeden dat bij deze kinderen het bloedkankerrisico al bestond voordat zij werden geboren, meer nog: voordat zij werden verwekt. Zij gaan ervan uit dat de zaadproductie bij de ouders beïnvloed wordt door radioactieve straling.
De overheid wil wat doen aan verbetering van werkmilieu en scherpt de milieuregels met het jaar aan. Soms met meer, soms met minder gevolg. Zo legde toenmalig minister De Vries (Sociale Zaken) zo'n drie jaar geleden het gebruik in de bollenteelt van dichloorpropeen en methylisothiocynaat aan banden en verbood hij metamnatrium, omdat - zo bleek uit TNO-onderzoek - deze grondontsmettingsmiddelen te gevaarlijk zijn voor de werknemers in die sector. Niet alleen ging het om het veroorzaken van huidaandoeningen en allergieën, het ging vooral om negatieve effecten op het zenuwstelsel. Maar volgens de bollenkwekers is het gebruik van metamnatrium in de bollenteelt onmisbaar en een verbod onacceptabel... en vervolgens vernietigde het College van beroep voor het bedrijfsleven het verbod van De Vries, omdat het TNO-onderzoek de schadelijkheid van metamnatrium onvoldoende zou hebben aangetoond.

Verwijfde alligators
Op grond van al jaren bestaande veiligheidsbesluiten zijn bedrijven verplicht om een register bij te houden van de aanwezige gevaarlijke stoffen. Die regeling is per 1 april 1995 aangescherpt, speciaal met het oog op stoffen die de vruchtbaarheid verminderen en de kans op een miskraam of op gezondheidsschade bij nakomelingen verhogen. Geregistreerd moet nu ook worden welke werknemers met deze stoffen in aanraking komen, hoe dat gebeurt - inademing, inslikken, oog- en/of huidcontact - en wat er gedaan is om gezondheidsschade te voorkomen.
Afgelopen maand kondigde minister Borst (Volksgezondheid) onderzoek door de Gezondheidsraad aan naar het verband tussen de toenemende onvruchtbaarheid bij mannen en bepaalde in het milieu geloosde stoffen. Het gaat met name om de invloed op oestrogenen - in geringe mate door de man geproduceerde vrouwelijke geslachtshormonen. Zo is het al een aantal jaren verboden om de onderzijde van schepen te behandelen met tributyltin, dat de aangroei voorkomt van allerlei organismen. Onderzoek had uitgewezen dat dit middel er onbedoeld voor zorgt dat slakken impotent werden. Ook bij wulken in de Noordzee werd dit effect gesignaleerd. Er werden ook door chemische stoffen 'verwijfde' alligators in Florida gesignaleerd en daar voegden onderzoekers van de Landbouwuniversiteit Wageningen nog hun bericht aan toe over de Nederlandse fruittelers, die meer dan gemiddeld problemen hebben met 'kindjes-kopen' en wier vrouwen, wanneer dat probleem is opgelost, vervolgens tweemaal zoveel meisjes- als jongensbaby's baren.

Zie volgende scherm

Voortplanting

3/6 Gevaar op de werkvloer.

Van de in de fruitteelt veel gebruikte middelen ethyleendibromide carbaryl, benomyl, maneb, zineb en thiram is al langer bekend dat ze de geslachtsorganen aantasten en de voortplanting remmen. Bekend is ook dat dibromochloorpropaan verantwoordelijk is voor de grote toename van meisjesbaby's. Dat echter doorgaans met cocktails van middelen wordt gewerkt, maakt het allemaal erg ingewikkeld.
Uit het vorig jaar gepubliceerde onderzoek van de Wageningse epidemiologen bleken degenen die vaker per jaar spoten met het insecticide azinphosmethyl, het schimmelbestrijdingsmiddel metinam en de onkruiddoder paraquat steeds vader waren van een gezin met een overmatig aantal dochters. De fruittelers die het intensiefst met bestrijdingsmiddelen omgingen, hadden de grootste moeite om kinderen te krijgen. Wie de moderne cross current air blast sprayer gebruikte, bleek eerder een kind te kunnen verwekken dan wie ouderwetse technieken hanteerde, zoals de ouderwetse rugspuit die een wolk van adembenemende chemische nevel verspreidt. Iemand die dat allemaal inademt, wordt aan een duizendtal hogere dosis blootgesteld dan diegene die vanaf een moderne tractor met gesloten cabine zit te spuiten.

Vrees voor verbod
Nu is er sinds vorig jaar binnen Europa een onderzoek gaande naar de effecten van pesticiden, styreen en lood op het afnemen van de spermakwaliteit. In Nederland dreigt dat echter vast te lopen, vanwege de geringe bereidheid in de 'verdachte' bedrijfstakken eraan mee te werken. De loodindustrie, die wel wil meewerken, levert onderzoeksproblemen op omdat daar nog geen nieuwe werknemers werden aangenomen, wier sperma kan worden onderzocht.
Maar de kunststofindustrie die vooral styreen (styrol) als grondstof gebruikt, liet weten altijd de schuld te krijgen als er iets mis gaat met het milieu; en verder hadden de werkgevers nooit signalen gekregen dat er iets loos was met de vruchtbaarheid van hun personeel.
Zeker zo frappant was de argumentatie van de fruitwerkgevers: zij vrezen een verbod op bepaalde gevaarlijke stoffen, wanneer de onderzoeksresultaten worden gepubliceerd; bovendien zou alleen het onderzoek al - zeker na de voorzichtige conclusies van eerdere naspeuringen - hun imago schaden.

(Brabants Dagblad, 23 augustus 1995.)

Zie volgende scherm

Embryologie

Organizer.
Zie figuur B 5858 van de bijlage.

In 1935 ontving de Duitse ontwikkelingsbioloog Hans Spemann de Nobelprijs voor het onderzoek dat hij, samen met Hilde Mangold-Pröscholdt, deed aan embryonale ontwikkeling bij salamanders (Mangoldt was in 1935 reeds overleden).
In een van hun experimenten werd een klein stukje donorweefsel van het embryo van een gewone watersalamander, met donker gekleurde cellen, getransplanteerd naar een embryo van een kamsalamander, die licht gekleurde cellen heeft. Er ontstond een embryo met de aanzet van twee koppen, twee staarten, twee wervelkolommen en twee darmkanalen. Na grondige studie concludeerden Spemann en Mangold dat het getransplanteerde stukje donorweefsel als 'organizer' (organisator) voor een tweede embryo had gewerkt, waarbij dit embryo is ontstaan uit ongedifferentieerd weefsel van de ontvanger.

Uit welke waarneming konden ze dat afleiden?


-

afbeeldingafbeelding

Embryologie

Lichaamsholte.

De eerste uiterlijke veranderingen die een bevruchte eicel ondergaat zijn een aantal delingen, waardoor een groot aantal kleine kiemcellen ontstaat uit de ene grote oorspronkelijke cel. Daarbij vormt zich op een gegeven moment een holte.

In het latere lichaam is dit

Embryologie

Lichaamsonderdelen.

Welke onderdelen van het lichaam worden in aanleg vlak na de conceptie gevormd, veranderen na een paar jaar dramatisch van structuur en houden soms geheel op met groeien, om daarna opnieuw tot ontwikkeling te komen?

Embryologie

Embryonale ontwikkeling.
Zie figuur B 5867 van de bijlage.

In nevenstaande afbeelding zijn zes stadia afgebeeld van de embryonale ontwikkeling van de mens. Bij elk stadium wordt een bewering gedaan.

Welk van de volgende beweringen hierover is of welke zijn juist?

1. Als twee spermacellen precies op hetzelfde moment binnendringen tijdens de bevruchting, dan kan er een eeneiige tweeling ontstaan of soms een Siamese tweeling met gedeeltelijk vergroeide lichaamsdelen.
2. Het 2-cellig stadium is het geschikte stadium om, bij in-vitro-fertilisatie (IVF), te implanteren in de baarmoeder.
3. Het 4-cellige stadium bevat zogenoemde omnipotente cellen. Als deze van elkaar zouden losraken, dan kan er een eeneiige vierling ontstaan.
4. Het 8-cellige stadium levert zogenaamde stamcellen op, die geïsoleerd kunnen worden verder gekweekt voor medische doeleinden (weefselkweek voor herstel van organen en dergelijke).
5. In het vroege blastula-stadium ontstaan het entoderm (binnenlaag) en het ectoderm(buitenlaag). Het ectoderm levert zelf het te vormen embryo
6. Het latere blastula-stadium zal zich in het baarmoederslijmvlies gaan innestelen.

afbeeldingafbeelding

Embryologie

2/2 Bloedsomloop bij een ongeboren kind.
Zie figuur B 5869 van de bijlage.

Op welk of op welke van de met een cijfer aangegeven trajecten van de bloedsomloop is door de tekenaar onvoldoende zwart in de visgraatstructuur aangegeven?

afbeeldingafbeelding

Embryologie

Embryologische ontwikkeling.

Gegeven 5 ontwikkelingsstadia bij de mens :

1. Embryo
2. Gastrula
3. Morula
4. Foetus
5. Neurula

Welke rangschikking geeft de juiste volgorde weer?

Embryologie

Twee-eiige tweelingen.

Twee-eiige tweelingen ontstaan doordat

Voortplanting

1/4 Geslachtstests.

Lees de onderstaande tekst.

In 1966 werden de eerste tests uitgevoerd: de deelneemsters aan de Gemenebestspelen moesten zich uitkleden voor de artsen, die met het oog en de hand controleerden of "alles in orde was". Vanzelfsprekend werd er fel geprotesteerd tegen deze gang van zaken, en al snel werd de minder vernederende Barr body-test ingevoerd. Hierbij waarbij werd speeksel afgenomen waarmee tests werden uitgevoerd.
Bij de Europese atletiekkampioenschappen van 1966 ontbraken drie toppers uit de Sovjetunie op het appèl. De Oekraïense gezusters Press, samen goed voor vijf Olympische titels in 1960 en 1964 bleven weg vanwege "familieomstandigheden", en de verspringster Tatjana Sjtsjelkanova zou geblesseerd zijn. Ook bij andere wedstrijden ontbraken sommige atletes, wat voor de (Westerse) pers de eerdere vermoedens alleen maar bevestigde.
De eerste uitsluiting na aanleiding van een sekse-test kwam in 1967. De Poolse Ewa Klobukowska, Europees kampioene op de 100 meter (waar ze door de tests was gekomen) en Olympisch kampioene op de 4 x 100 m estafette, werd tijdens een Europacupwedstrijd getest. De uitslag gaf aan dat ze "een chromosoom teveel had om aan wedstrijden voor vrouwen deel te nemen". De atletiekbond probeerde de zaak eerst stilletjes af te handelen, maar toen de Poolse bond Klobukowska gewoon wilde inschrijven voor verdere wedstrijden kwam het verhaal toch naar buiten. Jaren later zou blijken dat de sprintster XXY-chromosomen had, evenals zo'n half procent van de vrouwen, en dat ze niet gediskwalificeerd had mogen worden. Vanzelfsprekend had de Poolse grote problemen met de onterechte beschuldigingen, en ondernam een mislukte zelfmoordpoging.

Zie volgende scherm

Embryologie

Het ademhalingsstelsel.

Gaswisseling vindt bij de mens plaats in de longblaasjes. In het overige deel van het ademhalingsstelsel vindt nauwelijks gaswisseling plaats: dit deel wordt de 'dode ruimte' genoemd. In rust wordt per uitademing ongeveer 500 ml lucht uitgeademd. Tijdens een uitademing wordt zowel lucht uit de dode ruimte als uit de longblaasjes verwijderd.

Bevinden zich in de weefsels van de luchtpijp van de mens cellen die ontstaan zijn uit het ectoderm, uit het entoderm en/of uit het mesoderm?

afbeeldingafbeelding

Embryologie

Cellen en structuren.
Zie figuur A 124 van de bijlage.

De afbeelding geeft een doorsnede van een deel van de wand van de luchtpijp van de mens weer.

Uit welk kiemblad of uit welke kiembladen zijn de cellen Q en R ontstaan?

afbeeldingafbeelding

Embryologie

Hart en bloedsomloop.
Zie de figuren B 3685 en B 3686 van de bijlage.

In de afbeelding is op twee manieren een deel van de bloedsomloop van een volwassene weergegeven. Tekening 1 van de afbeelding geeft schematisch een deel van de bloedsomloop weer; tekening 2 van de afbeelding geeft aspecten van de functie van de bloedstroom weer.

Zie figuur B 3686 van de bijlage.

Bij een kind vóór de geboorte is de bloedsomloop anders dan bij een volwassene.
Tekening 1 van de afbeelding B 3685 is ook weergegeven in afbeelding B 3686 op het aparte blad.

Bewerk de figuur op de bijlage zodanig dat deze de situatie in het hart en die van de grote bloedvaten bij het hart van een foetus weergeeft.

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Embryologie

Bloedsomloop.
Zie figuur B 4988 van de bijlage.

De afbeelding hiernaast geeft een schema van de bloedstroom in het hart van een kind vóór de geboorte (links) en direct na de geboorte (rechts).
De klep tussen de linker en de rechter boezem sluit zich bij de eerste ademhaling na de geboorte.

Waardoor sluit deze klep zich?

afbeeldingafbeelding

Embryologie

Klieren.

Vier klieren in het lichaam van een mens worden bestudeerd: de schildklier, een speekselklier, een talgklier en een zweetklier in de huid van de hand.

Is het klierweefsel van de talgklier ontstaan uit ectoderm, uit entoderm of uit mesoderm?
En het klierweefsel van de zweetklier?