Oefentoets Biologie: Ecologie | VWO 4/VWO 5/VWO 6 | variant 14

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VWO 4, VWO 5, VWO 6

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Ecologie

4/4 Eencelligen in hooiwater.

Over het theoretisch na zeer lange tijd te verwachten aantal zich delende bacteriën en andere zich delende heterotrofe eencelligen in het bekerglas worden de volgende beweringen gedaan:

1. Het aantal zich delende bacteriën zal tot nul afnemen.
2. Het aantal andere zich delende heterotrofe eencelligen zal tot nul afnemen.
3. Er zal een climaxstadium ontstaan waarin bacteriën en een aantal andere soorten heterotrofe eencelligen in stabiel natuurlijk evenwicht voorkomen.

Welke van deze beweringen is of welke zijn juist?

Ecologie

1/5 Rotganzen op Schiermonnikoog.

afbeeldingafbeelding

Ecologie

2/5 Rotganzen op Schiermonnikoog.

Uit de tekst is een aantal kenmerken van successie af te leiden.

Schrijf twee algemene kenmerken van successie op waarvan in de tekst een voorbeeld wordt gegeven.
- Noteer bij beide kenmerken de regelnummers in de tekst waarin je een voorbeeld van deze kenmerken aantreft.

Ecologie

3/5 Rotganzen op Schiermonnikoog.
Zie figuur B 3921 van de bijlage.

Konijnen zijn vooral actief in de duinen, hazen in duin en kwelder en de ganzen grazen vooral op de kwelder. Hazen eten -net als de ganzen- bij voorkeur vers kweldergras, maar dragen bij aan het vertragen van de successie door in een bepaalde tijd over te stappen op een andere voedselbron.
Onderzocht is wat de invloed van de haas is op de groei van zoutmelde en op de aantallen rotganzen op de kwelder. De resultaten zijn in de twee diagrammen van de afbeelding weergegeven.

Geef aan de hand van deze twee diagrammen een verklaring voor de invloed van de haas op de rotgansdichtheid.

afbeeldingafbeelding

Ecologie

4/5 Rotganzen op Schiermonnikoog.
Zie figuur B 3921 van de bijlage.

Een veldonderzoek heeft geleid tot de resultaten die in diagram 2 zijn weergegeven.

Beschrijf in maximaal drie zinnen hoe dit veldonderzoek concreet zal zijn uitgevoerd.

afbeeldingafbeelding

Ecologie

5/5 Rotganzen op Schiermonnikoog.

De rotganzen bezoeken Schiermonnikoog in het voorjaar en trekken daarna weldoorvoed naar het noorden om te gaan nestelen. Ze grazen overdag. De hazen wagen zich in die periode pas in de avonduren op de kwelder om te grazen. Wanneer onderzoekers een plek alleen tegen ganzen afschermen, blijken de hazen er overdag vaker te foerageren.

Hoe wordt de relatie tussen hazen en rotganzen op de kwelder genoemd?

Ecologie

1/2 Successie.

In de begroeiing van een tropisch regenwoud kan een open plek ontstaan. Op deze open plek kan successie plaatsvinden.
Zes kenmerken van plantensoorten zijn:

1. ontkieming vindt plaats in zonlicht;
2. de kiemplanten overleven niet onder een bladerdek;
3. er worden grote aantallen kleine zaden gevormd;
4. zaadvorming vindt plaats in een bepaald seizoen;
5. verspreiding van zaden gebeurt door de zwaartekracht over een kleine afstand;
6. de zaden zijn in kiemrust aanwezig in de bodem als zaadbank.

Welke kenmerken passen bij de plantensoorten die zich als eerste op een open plek vestigen?

Ecologie

2/2 Successie.
Zie figuur B 2978 van de bijlage.

Het verloop van de successie in een ecosysteem wordt in de afbeelding met drie verschillende parameters weergegeven. Grafiek P geeft de bruto-productie weer, grafiek Q de totale biomassa en grafiek R de totale dissimilatie.

Op grond van de gegevens in de afbeelding is het verloop van de nettoproductie in dit ecosysteem te bepalen.

In de uitwerkbijlage is het diagram van de afbeelding opgenomen.

Geef hierin het verloop van de nettoproductie aan. Voeg een legenda toe.

afbeeldingafbeelding

Ecologie

1/2 Successie.
Zie figuur B 2421 van de bijlage.

Successie is het resultaat van complexe interacties van biotische en abiotische factoren. Het verloop van een successie in een bepaald ecosysteem op het land kan met verschillende parameters worden weergegeven. Enkele parameters waarmee het verloop van de ongestoorde successie in dit ecosysteem kan worden vastgesteld, zijn de totale biomassa (B), de netto primaire productie (P) en de verhouding tussen deze twee, de P/B ratio.

Zie figuur B 2421 van de bijlage.

In het diagram van de afbeelding zijn drie grafieken getekend die B, P en P/B ratio weergeven.

Welke van de grafieken 1, 2 en 3 geeft de biomassa weer? Grafiek [invulveld]

afbeeldingafbeelding

Ecologie

2/2 Successie.

Het verloop van de successie kan eveneens worden vastgesteld door de verhouding te berekenen tussen de bruto primaire productie (Q) en de mate waarin de respiratie (= de afbraak van organische stoffen door dissimilatie) plaatsvindt: de Q/R ratio.

Is de Q/R ratio in het climaxstadium kleiner dan 1, ongeveer gelijk aan 1 of groter dan 1?

Ecologie

1/5 Bladsnijdermieren.
Zie figuur B 7142 van de bijlage.
afbeeldingafbeelding
In het kader van onderzoek naar de evolutie van het paargedrag van mieren heeft een onderzoeksteam twee verwante soorten mieren vergeleken. Het onderzoek leverde aanwijzingen voor de veronderstelling, dat het paren met meer partners energetisch gezien kostbaar is en verdwijnt zodra het kan.
Een koningin van een van de soorten bladsnijdermieren, Acromyrmex echinatior, wordt tijdens haar bruidsvlucht door gemiddeld meer dan tien mannetjes bevrucht en slaat al het sperma dat ze nodig heeft voor de rest van haar leven in haar lichaam op. Mannetjes worden gewoonlijk slechts één keer per jaar geproduceerd en gaan na de paring dood.
De bevruchte jonge koningin vormt een ondergronds nest. De werksters kweken schimmeltuintjes op stukjes blad die zij het nest in hebben gesleept. De schimmels breken cellulose uit de bladeren af en de mieren voeden zich met onder andere deze schimmels.
In bijna de helft van de ondergrondse nesten is ook Acromyrmex insinuator te vinden. Deze soort bladsnijdermieren ontstond uit dezelfde voorouderstam als A. echinatior en wordt beschouwd als een evolutionair jongere soort. Bevruchte koninginnen van A. insinuator dringen het nest van A. echinatior binnen, nemen de geur aan van de aanwezige werksters en genieten vervolgens hun leven lang kost en inwoning. Zij stoppen vrijwel al hun energie in het voortbrengen van mannetjes en van nieuwe koninginnen, die na bevruchting naar nieuwe nesten van A. echinatior op zoek gaan. Er worden weinig werksters geproduceerd, die bovendien slechts kort leven. De koninginnen van A. insinuator paren in het algemeen met één of hooguit twee mannetjes.

Zie volgende scherm

Ecologie

2/5 Bladsnijdermieren.

A. echinatior leeft volgens de tekst samen met een schimmel (1) en met A. insinuator (2).

Van welk type symbiose is sprake bij 1 en van welk type symbiose bij 2?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

3/5 Bladsnijdermieren.

Wat is de habitat van de schimmels die in de tekst beschreven zijn?
Wat is de niche (nis) van de schimmels die in de tekst beschreven zijn?

Ecologie

4/5 Bladsnijdermieren.

Twee kenmerken van de levenswijze van A. insinuator zijn:

1 Er ontwikkelen werksters van A. insinuator, die niet nodig zijn door de zorg van A. echinatior werksters;
2 A. insinuator leeft in symbiose met een andere soort (A. echinatior), waarvan ze de geur heeft aangenomen.

Kan kenmerk 1 worden beschouwd als een aanwijzing dat A. insinuator een evolutionair jongere soort is dan A. echinatior?
En kenmerk 2?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

5/5 Bladsnijdermieren.

Eén van de voordelen van het paren met meer partners is de grote genetische diversiteit bij het nageslacht.

Noem een gunstig effect van een grote genetische diversiteit bij de jonge koninginnen die uitvliegen.
Noem een gunstig effect van een grote genetische diversiteit bij werksters van de soort A. echinatior voor de instandhouding van het nest.

Ecologie

1/3 Een parasiet.
Zie figuur C 129 van de bijlage.

Schistosoma mansoni is een platworm die bij de mens de ziekte schistosomiasis of bilharzia veroorzaakt. In de afbeelding is de levenscyclus van deze parasiet weergegeven.
De volwassen wormen leven in de holte van aders in het buikvlies. De aders in het buikvlies voeren bloed van de darmen af. De mannelijke wormen hebben een gootje in het enigszins afgeplatte lichaam. Hierin ligt de vrouwelijke worm ingebed. Per etmaal kan een wormenpaar tientallen tot duizenden eieren produceren.
Een deel van de eieren gaat door de wand van de darmen van de geïnfecteerde persoon heen en wordt met de ontlasting uit de darmen verwijderd.
Een ander deel van de eieren wordt door het bloed naar de lever vervoerd en afgezet in de wand van bloedvaten, die iets groter zijn dan haarvaten. Rondom deze eieren wordt een laag bindweefsel gevormd waardoor de diameter van deze bloedvaten afneemt.
Uit eieren die in een geschikt extern milieu terechtkomen, ontstaan larven die miracidiën worden genoemd. De miracidiën dringen het lichaam van een bepaalde soort is zoetwaterslak binnen en ontwikkelen zich hierin tot infectieuze larven die cercariën worden genoemd.
Wanneer een mens in water terecht komt waarin zich cercariën bevinden, dringen deze het lichaam van de mens binnen door met behulp van bepaalde enzymen een deel van de huid van de mens af te breken.

Enkele weefsels zijn: bindweefsel, dekweefsel en spierweefsel.

Door welk of door welke van deze weefsels gaat een ei van deze worm zeker heen op weg van de buikvliesader naar de darmholte (zie tekst)?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

2/3 Een parasiet.

Doordat eieren zich in de wand van bloedvaten vastzetten (regel 10-11), stijgt de bloeddruk in een bepaald bloedvat.

In welk van de bloedvaten leverader, onderste holle ader en poortader stijgt de bloeddruk?

Ecologie

3/3 Een parasiet.

Enkele enzymen zijn: lipase, pectinase en proteïnase.

Welk van deze enzymen speelt zeker geen rol bij het binnendringen van een cercarie in het lichaam van de mens (zie tekst)?

Ecologie

2/3 Koraal.

Welk van de genoemde organismen geeft of welke geven energie aan het zeewater af in de vorm van warmte?