Mens en Milieu
11/17 De rivier.
In informatie 3 staat dat klimopbladige waterranonkel voorkomt in een rivier op plaatsen die voedselarm zijn.
Waar bevat de rivier de kleinste hoeveelheid voedingszouten?
Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.
20
Biologie
VO Kerndoel 31: Processen in de natuur
VMBO theoretische leerweg, 3, VMBO theoretische leerweg, 4
NVON
cc-by-sa-40
11/17 De rivier.
In informatie 3 staat dat klimopbladige waterranonkel voorkomt in een rivier op plaatsen die voedselarm zijn.
Waar bevat de rivier de kleinste hoeveelheid voedingszouten?
12/17 De rivier.
Uit welk deel van de rivier is het water afkomstig waarvan de dieren zijn afgebeeld in informatie 4?
13/17 De rivier.
Men vermoedt dat het onderzochte water van informatie 4 vervuild is.
Noem een dier uit het onderzochte water, waardoor men dit vermoedt.
14/17 De rivier.
In informatie 4 is een aantal dieren weergegeven uit het water van de rivier. Dier P is afgebeeld op ware grootte.
Bepaal de naam van diersoort P met behulp van de determineertabel (informatie 7). Noteer de nummers van elke stap die je bij het determineren neemt.
afbeelding
afbeelding
15/17 De rivier.
De meeste campinggasten zwemmen in de rivier voor of op plaats A (zie informatie 5 en 6).
Op welke plaats heeft het rivierwater dezelfde kwaliteit als op plaats A?
16/17 De rivier.
In informatie 6 is in een diagram het zuurstofgehalte van het rivierwater weergegeven.
Op welke plaats (A, B, C, D of E) is het zuurstofgehalte van het water het laagst? Leg uit waardoor op die plaats het zuurstofgehalte het laagst is.
17/17 De rivier.
Veranderen er abiotische factoren tussen plaats C en plaats D in de rivier?
En biotische?
1/2 Schoonmaakmiddelen.
In een tijdschrift stond de volgende tekst:
Tekst:
Wassen en poetsen in huis maken het milieu niet schoner. De meeste schoonmaakmiddelen gaan met het vuile water de riolering in. Wat de waterzuivering er niet uit haalt, komt uiteindelijk in het oppervlaktewater. In de jaren zestig ontstonden dikke lagen schuim op rivieren en kanalen door de was- en schoonmaakmiddelen. Deze werden niet afgebroken in het water. Daarom kwamen er voorschriften voor deze stoffen. Sindsdien gebruikt men was- en schoonmaakmiddelen met organische stoffen die voor 90 procent afbreekbaar zijn. Vandaar dat de
fabrikanten nu hun product 'biologisch afbreekbaar' noemen.
Op de verpakking van een bepaald schoonmaakmiddel staat 'biologisch afbreekbaar'.
Welke van de volgende organismen breken de organische stoffen uit dit schoonmaakmiddel in het oppervlaktewater vooral af?
2/2 Schoonmaakmiddelen.
De meeste organische stoffen in wasmiddelen worden gemaakt uit aardolie. Maar deze stoffen worden soms ook gemaakt uit plantaardige oliën en vetten.
Uit welke delen van planten worden deze plantaardige grondstoffen dan vooral gewonnen?
1/6 Troebel water in de Veluwerandmeren.
Tekst:
Door een overvloed aan voedingszouten, zoals fosfaat, vermenigvuldigen algen in de Veluwerandmeren zich snel. Het water wordt daardoor troebel en de overige waterplanten gaan dood. Roofvissen, zoals snoeken, verdwijnen. Dat leidt tot een overvloed aan andere vissen als brasems. Die eten watervlooien. Daardoor komen er extra veel algen. Watervlooien eten immers algen. Men probeerde door het wegvangen van brasems en het uitzetten van snoeken het water in de Veluwerandmeren weer helder te maken. Maar een proef in een meer mislukte. Het water werd niet helder. Men dacht dat een oorzaak zou kunnen zijn dat er niet genoeg brasems waren gevangen.
Noem alle producenten, die in de tekst staan vermeld.
2/6 Troebel water in de Veluwerandmeren.
In de tekst staat dat de overige waterplanten doodgaan als er te veel algen in het water komen. Dat gebeurt vooral met de waterplanten die zich geheel onder water bevinden.
Leg uit dat door de komst van teveel algen, de overige waterplanten doodgaan.
3/6 Troebel water in de Veluwerandmeren.
Schrijf de voedselketen op, die volgens de tekst in de Veluwerandmeren bestond, vóór er sprake was van fosfaatvervuiling.
4/6 Troebel water in de Veluwerandmeren.
Volgens de tekst was er een overvloed aan voedingszouten, zoals fosfaat, in de Veluwerandmeren.
Noem twee maatregelen die er toe kunnen bijdragen dat het fosfaatgehalte in deze meren door de invloed van mensen daalt.
5/6 Troebel water in de Veluwerandmeren.
Zie figuur B 1548 van de bijlage.
De invloed van aasgarnalen op het troebel zijn van de Veluwerandmeren was bij de proef niet duidelijk. Aasgarnalen zijn geleedpotigen (zie de afbeelding). Zij komen voor in de Veluwerandmeren en eten watervlooien.
Zal het aantal aasgarnalen afnemen, gelijk blijven of toenemen, wanneer men de brasems wegvangt? Licht je antwoord toe.
afbeelding
6/6 Troebel water in de Veluwerandmeren.
Zie figuur B 1549 van de bijlage.
In de afbeelding zijn vier diagrammen weergegeven.
Welk diagram geeft de groei weer van één aasgarnaal?
afbeelding
Zure regen.
Fosfaat, koolstofdioxide, stikstofdioxide en zwaveldioxide zijn stoffen die in het milieu voorkomen.
Welke twee van deze stoffen leveren de grootste bijdrage aan het ontstaan van zure regen?
Zure regen.
We spreken van milieuvervuiling wanneer door de mens bodem, lucht of water worden vervuild met stoffen waardoor de kwaliteit van het milieu duidelijk achteruit gaat.
Zure regen is een gevolg van luchtverontreiniging door bepaalde stoffen.
Zure regen wordt vooral veroorzaakt door activiteiten van de mens.
Noem twee van deze activiteiten.
Vogels en zure regen.
Veel vogels in Nederland lijden aan een ernstig kalkgebrek door de zure regen. Het leefmilieu van de vogels is verzuurd. De insecten, een belangrijke voedingsbron voor vogels, bevatten daardoor minder kalk. De voortplanting van sommige vogelsoorten komt daardoor ernstig in gevaar.
Leg uit hoe de voortplanting van sommige vogelsoorten in gevaar komt door kalkgebrek.
Zure regen.
Nitraat, koolstofdioxide, stikstofdioxide en zwaveldioxide zijn stoffen die in het milieu voorkomen.
Welke twee van deze stoffen leveren de grootste bijdrage aan het ontstaan van zure regen?
Waterbloei.
Wasmiddelen bevatten vroeger veel fosfaat. Dit fosfaat kwam met het waswater in het slootwater terecht.
Door de toevloed van fosfaat nam het aantal algen in het slootwater sterk toe. Hierdoor kreeg het water een blauwgroene kleur. Men noemt dit verschijnsel waterbloei.
De algen sterven massaal na korte tijd. Zij zakken naar de bodem. Hun resten worden afgebroken door de vele bacteriën. De hoge activiteit van de bacteriën heeft invloed op de vissen in de sloot.
Wat is de invloed van de bacteriën op de vissen?