Oefentoets Biologie: Ecologie | HAVO 4/HAVO 5 | variant 9

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

HAVO 4, HAVO 5

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Ecologie

5/6 De Serengeti-hoogvlakte en de Ngorongoro-krater.

De Ngorongoro-krater is een soort mini-Serengeti. Er zijn twee belangrijke verschillen:

- er valt meer regen;
- de bodem is vruchtbaarder.

Door deze verschillen is er in de Ngorongoro-krater per m2 meer plantengroei.
Over het gevolg daarvan voor de dichtheid aan hoefdieren in vergelijking met de Serengeti-hoogvlakte worden drie beweringen gedaan:

1. De dichtheid wordt hoger dan die in de Serengeti, doordat de hoefdieren relatief meer voedsel hebben;
2. De dichtheid blijft gelijk aan die in de Serengeti, doordat beide systemen maximaal bezet zijn met hoefdieren;
3. De dichtheid wordt lager dan die in de Serengeti, doordat de Ngorongoro-krater veel kleiner is.

Welke van deze beweringen is juist?

Ecologie

6/6 De Serengeti-hoogvlakte en de Ngorongoro-krater.

De Nederlandse bioloog Hans Kruuk ontdekte dat in de Ngorongoro-krater vrijwel nooit een wildebeest doodging van ouderdom of door een ziekte. Op de Serengeti-hoogvlakte kwam dat regelmatig voor.

Welke rol van de gevlekte hyena verklaart het best de waarnemingen van Hans Kruuk?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

1/3 Smeermiddelen uit planten.
Zie figuur A 289 van de bijlage.

In een landelijk ochtendblad stond een bericht over het gebruik van plantaardige olie als smeermiddel. Enkele delen uit dit bericht zijn weergegeven in de afbeelding.

Welk deel van planten levert per volume-eenheid de meeste olie en zal in verband daarmee worden gebruikt voor de oliewinning?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

2/3 Smeermiddelen uit planten.

Normaal wordt als smeerolie fossiele olie gebruikt. Deze fossiele olie is ontstaan uit resten van planten en dieren die miljoenen jaren geleden hebben geleefd. Zowel fossiele smeerolie als de plantaardige smeerolie uit het krantenbericht moet regelmatig worden ververst. De oude, afgewerkte olie wordt in beide gevallen afgebroken of verbrand. Bij de afbraak of verbranding van beide typen smeerolie ontstaat CO2 . Het CO2 -gehalte van de atmosfeer wordt echter alleen verhoogd door het gebruik van fossiele smeerolie en niet door het gebruik van de plantaardige olie, ook niet als het gebruik van deze plantaardige smeerolie zeer groot zou zijn.

Leg uit waardoor het CO2 -gehalte van de atmosfeer door gebruik van de beschreven plantaardige olie uiteindelijk niet toeneemt.

Ecologie

3/3 Smeermiddelen uit planten.

In de tekst is sprake van veredeling van de in Zeeland en Overijssel geteelde planten. Veredeling is een techniek waarin verschillende stappen voorkomen.

Beschrijf in enkele zinnen de belangrijkste stappen die genomen moeten worden bij de veredeling van de in Zeeland en Overijssel geteelde planten met als doel een hoger oliegehalte van de planten. Gebruik in je beschrijving de begrippen kruising en selectie.

Ecologie

1/5 Bestrijding van plagen.

Dichte matten van een drijvend wateronkruid, Salvinia molesta, dreigen de Senegalrivier in Afrika te overwoekeren. Volgens onderzoekers komt deze reuze-Salvinia oorspronkelijk uit Zuid-Amerika. Boeren in Afrika werden aangemoedigd om deze plant als kippenvoer te kweken. De plant verspreidt zich razendsnel door waterlopen en irrigatiekanalen. In de dichtgroeiende rivieren, waterlopen en irrigatiekanalen dringt minder licht door in het water. Dit leidt weer tot een afname van de visstand in het water en de diversiteit aan vogels bij het water.

Leg stapsgewijs uit dat door de veranderde fotosynthese-activiteit in het water zowel de visstand als de diversiteit aan vogels terugloopt.

Ecologie

2/5 Bestrijding van plagen.

Omdat mechanische onkruidbestrijding onbegonnen werk bleek, wil men de snuitkever Cyrthobagous salviniae van elders invoeren. Volwassen kevers eten de bladeren van de waterplant, de opgroeiende larven eten de plant van binnenuit leeg.

Aan welke voorwaarde moet voldaan zijn wil deze snuitkever in dit gebied niet zelf tot een plaag uitgroeien?

Ecologie

3/5 Bestrijding van plagen.

Dichter bij huis wil men de bestrijding van tuinslakken op een heel andere wijze aanpakken. Slakken vreten zich ongans aan de planten in de tuin, in een etmaal soms de helft van hun lichaamsgewicht. Sommige plantenbeschermers nemen hun toevlucht tot chemische bestrijdingsmiddelen. Het betreft hier giftige korrels die echter als nadeel hebben dat zij ook vogels en egels om zeep helpen. Anderen lopen elke avond een uurtje door de tuin en vangen zo een paar honderd slakken. Dan hup, over de schutting ermee, of in een radeloze bui: zout erover.
Een nieuw wondermiddel moet de strijd met de slakken aanbinden: Nemaslug. Dit is een pakketje klei met daarin nematoden, parasitaire wormpjes van een halve millimeter lang. Dit pakketje wordt in water gelegd en vervolgens over de tuin verspreid. De nematoden dringen de slakken binnen, vermenigvuldigen zich daar en besmetten de slakken met bacteriën die ze bij zich dragen. De slakken krijgen zwellingen, stoppen met eten en sterven na een week of twee.

Leg uit waardoor slakken dood gaan als er zout overheen wordt gestrooid.
Geef de naam van het proces dat hierdoor vanuit slakkencellen optreedt.

Ecologie

4/5 Bestrijding van plagen.
Zie figuur B 3789 van de bijlage.

In een aantal Nederlandse gemeenten worden sinds 1993 bladluizen bestreden door het inzetten van het Amerikaanse lieveheersbeestje (Hippodamia convergens) dat evenals het Europese lieveheersbeestje (Coccinella septempunctata), bladluizen eet. Een lokale milieuvereniging is tegen deze manier van bladluisbestrijding en formuleert de volgende argumenten:

1. het Amerikaanse lieveheersbeestje is zo nauw verwant aan het Europese lieveheersbeestje dat makkelijk een mengsoort ontstaat;
2. het Amerikaanse lieveheersbeestje zou het Europees lieveheersbeestje kunnen wegconcurreren;
3. het Amerikaanse lieveheersbeestje zou ziekteverwekkers en parasieten in Nederland kunnen introduceren.

Welk argument is of welke argumenten zijn juist?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

5/5 Bestrijding van plagen.

Vrouwelijke bladluizen zijn in staat om langs parthenogenetische weg (een vorm van ongeslachtelijke voortplanting) 25 dochters per dag voort te brengen, die op hun beurt weer na ongeveer 10 dagen in staat zijn zich voort te planten.
Vergelijk ongeslachtelijke voortplanting en geslachtelijke voortplanting bij gelijkblijvende milieuomstandigheden.

Leg uit dat bij gelijkblijvende milieuomstandigheden ongeslachtelijke voortplanting voordeliger is dan geslachtelijke voortplanting.

Ecologie

1/3 Ganzen worden een plaag.

Eén van de succesnummers van natuurontwikkeling is de Grauwe gans. Het aantal vogels is in 25 jaar van ongeveer 3500 exemplaren toegenomen tot 60.000 exemplaren. Maar die opmars heeft ook zijn keerzijde: hij kan een plaag worden.
De Stichting Natuurmonumenten wil zelfs ingrijpen om de populatie grauwe ganzen in toom te houden door eieren weg te halen of door te prikken. Het probleem ligt bij de zogenaamde 'overzomerende' grauwe ganzen.
Zij hebben Nederland als standplaats gekozen en trekken niet meer weg om elders te broeden. In Nederland vinden ze nu een goed gedekte tafel van grassen en granen die voldoende eiwitrijk blijken te zijn. "Dankzij de toename van moerasnatuur zijn er steeds meer plassen waar ganzen veilig voor vossen kunnen slapen", zegt dr. Bart Ebbingen van onderzoeksinstituut Alterra in Wageningen.

Waardoor kon de Grauwe gans in Nederland een plaag worden?

Ecologie

2/3 Ganzen worden een plaag.

In een ganzennest liggen gewoonlijk 4 tot 6 eieren. Als een aantal eieren wordt weggehaald, legt de gans net zoveel nieuwe eieren, tot het oorspronkelijke aantal weer bereikt is. Als ze worden doorgeprikt en daarna teruggelegd, blijft de gans op de eieren zitten.

Wat is de sleutelprikkel voor de gans om eieren bij te leggen?

Ecologie

3/3 Ganzen worden een plaag.
Zie figuur A 863 van de bijlage.

Stel men heeft in 2005, in een bepaald natuurgebied waar op dat moment 15.000 overzomerende ganzen verblijven en nog geen vossen voorkomen, 20 vossen van verschillend geslacht uitgezet.
De bedoeling is dat de grootte van de populatie ganzen terugloopt en daarna stabiel blijft op een aantal van 4500. Ga er van uit dat niet alleen dit aantal, maar ook de stabiliteit van de populatie in de loop van de jaren gerealiseerd wordt.

Zie figuur A 863 van de bijlage.

In de uitwerkbijlage is een assenstelsel met de grafiek van de ganzenpopulatie getekend. Op de ene Y-as (Y1) staat het aantal vossen. Op de andere Y-as (Y2) staat het aantal ganzen.
Op de X-as staat het jaar 2005 als begin van het experiment aangegeven. Het jaar R geeft aan dat vanaf dat moment de populatie stabiel blijft op het aantal van circa 4500 ganzen.

Schets in het assenstelsel op de uitwerkbijlage het verloop van het aantal vossen in de loop van de tijd.

afbeeldingafbeelding

Ecologie

1/6 Koe redt konijn.

Het duinkonijn is geen plaag meer. Het dier is zeldzaam geworden. Zonder de tienduizenden tandjes die het hele jaar blijven doormalen, blijken de duinen te verwilderen en te verruigen. Het gras schiet omhoog. Braam en kamperfoelie nemen de plaats in van mossen en andere kleine planten.
Het duin-ecosysteem is door het verdwijnen van de konijnen veranderd.

Geef de biologische term waarmee het proces van opeenvolgende veranderingen in een ecosysteem zoals dat in de duinen plaatsvindt, wordt aangegeven.

Dit proces heet [invulveld]

Ecologie

2/6 Koe redt konijn.

De konijnenpopulaties herstellen zich moeilijk. De verruiging die ontstaat door het afnemen van het aantal konijnen, heeft tot gevolg dat er minder voedsel voor hen beschikbaar is. Koeien eten naast gras, ook planten uit de ruigte. Door koeien in te zetten hoopt men het gebied te 'ontruigen' en zo weer de weg vrij te maken voor voedsel voor konijnen (jong gras). Om te onderzoeken of dit werkt, is in Wageningen een experiment opgezet.
Bij dit experiment wordt in drie weiden, onder soortgelijke omstandigheden, eenzelfde aantal wilde konijnen uitgezet. In onderstaande tabel is de verdere opzet van het onderzoek beschreven en de situatie zoals de onderzoekers die na drie jaar verwachten.
afbeeldingafbeelding

Welke relatie is er in weide 1 tussen konijnen en koeien?

Ecologie

3/6 Koe redt konijn.

Het onderzoek in Wageningen is een voorlopig onderzoek.

Noem twee mogelijke verbeteringen aan deze proefopzet.

Ecologie

4/6 Koe redt konijn.

Het teruglopen van de konijnenstand wordt vooral veroorzaakt door een nieuwe virusziekte (VHS). Konijnen die besmet worden met het VHS-virus, krijgen na 24 tot 48 uur hoge koorts en sterven dan binnen enkele uren.

Leg uit waardoor het afweersysteem van het konijn na infectie met dit virus, de dood van het konijn niet kan voorkomen.

Ecologie

5/6 Koe redt konijn.
Zie figuur B 3754 van de bijlage.

In de afbeelding is weergegeven hoe de grootte van de konijnenpopulatie in de Amsterdamse Waterleidingduinen is veranderd nadat het virus heeft toegeslagen.

Met hoeveel procent is naar schatting het aantal konijnen afgenomen tussen 1994 en 2000?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

6/6 Koe redt konijn.

In een ingezonden brief in een dagblad staat het voorstel om eenmalig een aantal konijnen te vangen en te vaccineren. Hierdoor zou de konijnenpopulatie in de Amsterdamse Waterleidingduinen gered kunnen worden.

Zal zo'n vaccinatieprogramma wel of geen effect hebben?
Hoe komt dat?

Ecologie

1/7 Maïs.
Zie figuur B 7123 van de bijlage.

Samen met rijst is maïs, na tarwe, het meest geproduceerde gewas ter wereld. In Nederland wordt de plant hoofdzakelijk verbouwd als korrelmaïs en snijmaïs; ideaal voor vee, maar mensen kunnen er weinig mee. De mens eet de suikermaïs, als maïskolf, als popcorn of verwerkt als maïsmeel (maïzena) in deegwaren zoals tortilla's. De duizenden verschillende maïsvarianten zijn allemaal voortgekomen uit één oervorm. Factoren die de maïsteelt nadelig beïnvloeden zijn: bladluis, fruitvlieg, maïswortelknobbelaaltje, schade door vogels, vlinderrupsen van maïsboorder (op de kolven) en fosfor- en magnesiumgebrek van de akkers. Op 17 augustus 2005 werd voor het eerst in Nederland de maïswortelkever aangetroffen. Deze keversoort is afkomstig uit Amerika. Door de overheid is direct alarm geslagen. Alle maïstelers in een straal van één km rondom het besmette gebied mogen niet oogsten en moeten hun akkers met een speciaal gewasbeschermingsmiddel behandelen.

Met welke biologische term wordt de ontwikkeling van de verschillende maïsvarianten door de mens aangeduid?

afbeeldingafbeelding