Oefentoets Biologie: Ecologie | VMBO theoretische leerweg, 3/VMBO theoretische leerweg, 4 | variant 7

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VMBO theoretische leerweg, 3, VMBO theoretische leerweg, 4

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Ecologie

3/5 Prei en onkruid.

Onkruid kan bestreden worden met chemische middelen, zogenaamde herbiciden. Deze middelen zijn duur en veroorzaken vervuiling van bodem en water.

Noem nog twee andere nadelen van het gebruik van herbiciden.

Ecologie

4/5 Prei en onkruid.
Zie figuur B 3325 van de bijlage.

Biologische telers gebruiken geen herbiciden, maar bestrijden het onkruid door te wieden. De prei staat van eind mei tot november op het land. De eerste acht weken wordt het onkruid verwijderd met wiedmachines. Als de prei flink gegroeid is, heeft onkruid geen invloed meer op de opbrengst. Toch verwijderen de telers het onkruid tussen de preiplanten dan nog. Ze doen dat voordat het onkruid de kans krijgt om bloemen te vormen. Omdat de wiedmachines de preiplanten zouden beschadigen, wordt dan met de hand gewied.

Leg uit waardoor ook wiedmachines milieuvervuiling veroorzaken.

afbeeldingafbeelding

Ecologie

5/5 Prei en onkruid.

Leg uit waarom het onkruid verwijderd moet worden voordat het bloemen vormt.

Ecologie

1/2 Schimmels tegen insecten.

Aan het begin van deze eeuw werden in Rusland al de eerste proeven gedaan met schimmels als bestrijdingsmiddel tegen insecten. Er werden in een laboratorium grote hoeveelheden van een bepaalde schimmel gekweekt. Deze schimmel leeft als parasiet op de larven van insecten. De schimmel werd uitgestrooid op suikerbieten die te lijden hadden van de larven van een snuitkever. Na 15 dagen bleek dat 75% van de larven door de schimmel waren gedood.

Is bij het inzetten van schimmels tegen insecten sprake van biologische of chemische bestrijding? Leg je antwoord uit.

Ecologie

2/2 Schimmels tegen insecten.

Het effect van schimmels, die gebruikt worden tegen insecten, blijkt soms tegen te vallen.
De weersomstandigheden hebben een grote invloed op het resultaat.

Onder welke weersomstandigheden werkt dit bestrijdingsmiddel het beste?

Ecologie

1/5 Bestrijding van plagen.

Een groot probleem waar veel mensen in de wereld mee kampen, is het gebrek aan voedsel. En het feit dat één derde van de oogsten door plagen wordt aangetast, doet daar geen goed aan. Ook belemmeren andere planten de groei van gewassen. Jarenlang hebben mensen grote hoeveelheden chemische bestrijdingsmiddelen gebruikt om plagen en andere planten te bestrijden.

Noem twee oorzaken waardoor andere planten de groei van voedingsgewassen bemoeilijken.

Ecologie

2/5 Bestrijding van plagen.

De chemische bestrijdingsmiddelen die men vroeger gebruikte waren niet afbreekbaar en bovendien niet selectief. Dit laatste wil zeggen: ze doodden niet alleen de schadelijke dieren die er mee in aanraking kwamen.
In boomgaarden doodden ze bijna alle insecten. De opbrengst aan fruit verminderde hierdoor.

Leg uit waardoor er minder vruchten aan de bomen ontstaan als bijna alle insecten worden gedood.

Ecologie

3/5 Bestrijding van plagen.

De niet-afbreekbare bestrijdingsmiddelen bevinden zich nog steeds in het milieu. Vanuit het milieu hopen ze zich op in voedselketens.

Hoe noemt men het ophopen van bestrijdingsmiddelen in voedselketens?

Dit noemt men [invulveld]

Ecologie

4/5 Bestrijding van plagen.

Vooral in westerse landen wordt op grote oppervlakten hetzelfde gewas verbouwd.

Hoe noemt men deze manier van verbouwen?

Men noemt dit een [invulveld]

Ecologie

5/5 Bestrijding van plagen.

Leg uit dat door deze manier van verbouwen eerder plagen optreden.

Ecologie

1/4 Eikenprocessierupsen.

De laatste jaren heeft men in Brabant veel last gehad van de rupsen van de eikenprocessievlinder. De rupsen voeden zich met de bladeren van eikenbomen. De rupsen vreten de eiken kaal. Mensen worden ziek van de haren van de rups.
Men probeert deze rupsen uit te roeien onder andere met een insecticide.
Eikenprocessierupsen hebben ook natuurlijke vijanden zoals sluipwespen. Deze leggen hun eieren in de eikenprocessierupsen. De larven van de wespen die daaruit komen, eten de rupsen van binnen uit op. De natuurlijke vijanden van sluipwespen zijn vogels zoals vliegenvangers en zwaluwen.

Eiken worden door de rupsen bijna helemaal kaalgevreten.

Noem een direct nadelig gevolg van dit bladverlies voor de boom.

Ecologie

2/4 Eikenprocessierupsen.

De rupsen veroorzaken veel problemen. Daarom is men ook een bepaald insecticide gaan gebruiken om de rupsen te doden. Het insecticide wordt in de stam van een boom gespoten. Via vaten in de stam bereikt het dan de bladeren. De rupsen eten van de bladeren en gaan dood.

Spuit men het insecticide in de bast- of in de houtvaten? Leg je antwoord uit.

Ecologie

3/4 Eikenprocessierupsen.

Men spuit het insecticide in de stam van een boom. Men kan het insecticide ook verspreiden door de bladeren te bespuiten. De bladeren met insecticide bespuiten heeft echter een nadeel voor het milieu. Inspuiten van insecticide in de stam heeft dat nadeel niet.

Noem een biologisch nadeel van het spuiten van insecticide op de bladeren dat het inspuiten in de stam niet heeft.

Ecologie

4/4 Eikenprocessierupsen.

De laatste jaren heeft men in Brabant veel last gehad van de rupsen van de eikenprocessievlinder. De rupsen voeden zich met de bladeren van eikenbomen. De rupsen vreten de eiken kaal. Mensen worden ziek van de haren van de rups.
Men probeert deze rupsen uit te roeien onder andere met een insecticide.
Eikenprocessierupsen hebben ook natuurlijke vijanden zoals sluipwespen. Deze leggen hun eieren in de eikenprocessierupsen. De larven van de wespen die daaruit komen, eten de rupsen van binnen uit op. De natuurlijke vijanden van sluipwespen zijn vogels zoals vliegenvangers en zwaluwen.

Schrijf een voedselweb op van de organismen die in de tekst genoemd worden. De mens hoeft niet opgenomen te worden.

Ecologie

1/4 Lepelaars in het Naardermeer.
Zie figuur B 2869 van de bijlage.

Het Naardermeer was vooral bekend doordat er lepelaars broedden. In de afbeelding is het aantal lepelaars in het Naardermeer weergegeven van 1950 tot en met 1972.
Sinds 1989 broeden er geen lepelaars meer in het Naardermeer.
Vanaf een gegeven moment stierven veel lepelaars door het gebruik van bestrijdingsmiddelen in de omgeving van het Naardermeer. Het aantal lepelaars nam direct weer toe nadat er strengere regels waren ingevoerd voor het gebruik van bestrijdingsmiddelen.

Lees uit het diagram (zie de afbeelding) af in welk jaar de strengere regels werden ingevoerd.

In het jaar [invulveld]

afbeeldingafbeelding

Ecologie

2/4 Lepelaars in het Naardermeer.

De bestrijdingsmiddelen werden gebruikt tegen insecten. Het gif kwam ook in het water terecht. De prooidieren van de lepelaar kregen zo het gif binnen. Ze stierven er niet aan; de lepelaars wel. Dit was het gevolg van accumulatie.

Leg uit wat er in de voedselketen bij de accumulatie van het gif gebeurde, waardoor de prooidieren niet stierven en de lepelaars wel.

Ecologie

3/4 Lepelaars in het Naardermeer.

De lepelaars broedden in het riet van het Naardermeer. Hun voedsel zochten ze vooral op plaatsen met ondiep water. Doordat veel ondiepe plassen en sloten in de buurt van het Naardermeer door drooglegging verdwenen, moesten de lepelaars hun voedsel steeds verder van het nest gaan zoeken.

Leg uit dat hierdoor de jonge lepelaars minder voedsel kregen.

Ecologie

4/4 Lepelaars in het Naardermeer.
Zie figuur B 2869 van de bijlage.

Een lepelaar vangt vooral kleine dieren zoals stekelbaarsjes en kreeftjes in ondiep water.

Noem twee kenmerken van de bouw van een lepelaar (zie de afbeelding) die passen bij deze manier van voedsel zoeken.

afbeeldingafbeelding

Ecologie

1/4 De bestrijding van malaria.

De bestrijding van malaria, een belangrijke doodsoorzaak in grote delen van de tropen, heeft nog steeds weinig succes. De bestrijding richt zich vooral tegen de malariamug, de verspreider van de ziekte. Men bespoot de plaatsen waar de muggen voorkomen met bestrijdingsmiddelen. Deze methode veroorzaakt een grote belasting van het milieu. Bovendien moet het spuiten voortdurend worden herhaald, waardoor extra milieuvervuiling optreedt. De methode roeit ook andere dieren uit zoals de natuurlijke vijanden van de mug. Vaak worden verouderde spuitmiddelen gebruikt en middelen die giftig zijn voor de mens. Bovendien zijn de muggen door het vele spuiten ongevoelig (resistent) geworden voor veel van de middelen.
Daarom ging men op zoek naar andere methoden. Zo heeft men geprobeerd het aantal muggen te verminderen met onvruchtbare mannetjes. Men bestraalde mannetjesmuggen, waardoor ze geen spermacellen meer produceerden. Ze konden nog wel paren. Deze mannetjes werden losgelaten in een gebied waar malaria heerste.
Vrouwtjes die met deze mannetjes paarden, legden daarna onbevruchte eieren, die niet uitkomen.

Door het loslaten van de onvruchtbare mannetjesmuggen komen er op den duur minder malariamuggen.

Komen er alleen minder mannetjesmuggen, alleen minder vrouwtjesmuggen of minder mannetjesmuggen en minder vrouwtjesmuggen?

Ecologie

2/4 De bestrijding van malaria.

In de tekst wordt als nadeel voor het milieu het uitroeien van andere dieren zoals de natuurlijke vijanden van de mug genoemd.

Leg uit waardoor ook andere dieren worden uitgeroeid, hoewel ze niet rechtstreeks worden bespoten met de bestrijdingsmiddelen.