Oefentoets Biologie: Assimilatie-dissimilatie - Algemeen | VMBO kaderberoepsgerichte leerweg, 4 | variant 3

Deze digitale toets richt zich op het onderwerp fotosynthese en verbranding, en is bedoeld voor leerlingen in het voortgezet onderwijs die hun kennis over de stofwisselingsprocessen in planten willen toetsen. De toets bevat diverse vragen en proeven die de invloed van temperatuur en licht op fotosynthese onderzoeken. - 20 vragen

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VMBO kaderberoepsgerichte leerweg, 4

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Effect van temperatuur op fotosynthese bij erwten

Een proef met erwten.
Zie figuur C 56 van de bijlage.

In twee buizen wordt kalkwater gedaan. Daarboven wordt een prop vochtige watten gedaan met daarop erwten: in buis 1 in koud water geweekte erwten en in buis 2 gekookte erwten.
Beide buizen worden 24 uur bij een constante temperatuur van 19°C in het licht weggezet.
De tekeningen geven de situatie in het begin en na 24 uur weer.

I. Met het kalkwater kan een temperatuurverandering worden aangetoond.
II. In buis 2 is koolstofdioxide verbruikt bij fotosynthese.

afbeeldingafbeelding

Verplaatsing van gassen in plantencellen

Verplaatsing van zuurstof en kooldioxide.
Zie figuur B 1695 van de bijlage.

In elke cel vindt de verplaatsing van de gassen zuurstof en kooldioxide gelijktijdig plaats.
Bij de schematisch weergegeven cellen is met pijlen aangegeven welke gassen in of uit de cel gaan.

Welk schema geldt voor een plantencel met bladgroenkorrels, die in het licht staat en welk schema geldt voor dezelfde cel in het donker?

afbeeldingafbeelding

Fotosynthese en Verbranding: Juist of Onjuist?

Fotosynthese en verbranding.

Hieronder volgen vier beweringen over fotosynthese en twee over verbranding.

1. Bij fotosynthese wordt zuurstof verbruikt en ontstaat koolstofdioxide.
2. Bij fotosynthese wordt koolstofdioxide verbruikt en ontstaat zuurstof.
3. Bij verbranding komen water en energie vrij.
4. Bij verbranding worden water en energie verbruikt.

Welke beweringen zijn juist?

Stofwisseling van Organismen: Champignon, Kip, Tulp

Beweringen over een champignon, een kip en een tulp.
Zie figuur B 1898 van de bijlage.

De tekeningen van de afbeelding stellen een champignon, een kip en een tulp voor.
Enkele beweringen over de stofwisseling van deze organismen zijn:

1. in de champignon kan fotosynthese voorkomen,
2. in de kip komt verbranding voor,
3. in de tulp kan fotosynthese voorkomen.

Hoeveel van deze beweringen zijn juist?

afbeeldingafbeelding

Fotosynthese en verbranding in bladeren

Een bont blad van een klimop.
Zie figuur B 2067 van de bijlage.

De afbeelding stelt een bont blad van een klimop voor.
Het gestippelde deel (1) bevat bladgroen. Het niet gestippelde deel (2) bevat geen bladgroen.
Het blad bevindt zich aan een plant die in het zonlicht staat.
Hieronder volgen vier uitspraken over dit blad:

1. In deel 1 vindt fotosynthese plaats.
2. In deel 2 vindt fotosynthese plaats.
3. In deel 1 vindt verbranding plaats.
4. In deel 2 vindt verbranding plaats.

Welke uitspraken zijn juist?

afbeeldingafbeelding

Stofwisselingsprocessen bij Organismen

Stofwisselingsprocessen in schema's.
Zie figuur B 1710 van de bijlage.

In de afbeelding geven de twee schema's bepaalde processen bij organismen weer.

Is proces 1 verbranding?
En proces 2?
Welke stof is P?
Welke stof is Q?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Bewerkingen over fotosynthese en verbranding

Beweringen over fotosynthese en verbranding.

Welke van de volgende beweringen over fotosynthese en verbranding bij groene planten is juist?

Fotosynthese en verbranding in plantencellen

Cellen met bladgroenkorrels.

In cellen met bladgroenkorrels vindt 's nachts

Fotosynthese en verbranding in licht en donker

Fotosynthese en verbranding.

Een blad bevat cellen waarin fotosynthese en verbranding kunnen plaatsvinden.

Welk van deze processen kan of welke kunnen plaatsvinden in het licht?
En welk of welke in het donker?

afbeeldingafbeelding

Heterotroof of autotroof: planten en cellen

heterotroof en/of autotroof.

In de cellen van een plant worden organische stoffen verbruikt.

Kan deze plant heterotroof zijn?
Kan deze plant autotroof zijn?

afbeeldingafbeelding

Onderzoek naar zuurstofverbruik in water

Onderzoek naar watervervuiling.
Bij onderzoek naar de vervuiling van water gaat men onder andere na hoeveel zuurstof er door eencelligen in dit water wordt verbruikt. Hoe hoger dit zuurstofverbruik is, des te meer eencelligen er aanwezig zijn. De aanwezigheid van veel eencelligen betekent meestal dat er veel vervuilende stoffen zijn.
Eencellige organismen die voorkomen zijn bijvoorbeeld algen en bacteriën. Algen zijn eencelligen met bladgroen. De bacteriën in het water zijn heterotrofe organismen.
Het bepalen van het zuurstofverbruik gaat als volgt. Van het te onderzoeken water wordt het zuurstofgehalte bepaald. Daarna wordt dit water gedurende 5 dagen in een flesje in het donker bewaard en dan wordt opnieuw het zuurstofgehalte bepaald. Dit zuurstofgehalte na 5 dagen is lager doordat de eencelligen zuurstof hebben verbruikt.

Verbruiken de algen alleen anorganische stoffen uit het water?
Verbruiken de bacteriën alleen anorganische stoffen uit het water?

afbeeldingafbeelding

Fotosynthese en luchtkwaliteit in plantenbakken

Glazen bakken met planten met bladgroen.
Zie figuur B 673 van de bijlage.

Vier afgesloten glazen bakken, met lucht gevuld, bevatten elk een even grote plant met bladgroen.
Bak 2 en 4 bevatten bovendien elk twee levende sprinkhanen.
Na enkele dagen wordt de lucht uit elke bak onderzocht met behulp van kalkwater.

Uit welke bak is de lucht afkomstig die het kalkwater het snelst troebel maakt?

afbeeldingafbeelding

Controleproef voor kooldioxide opname en afgifte

Opname en afgifte van kooldioxide.
Zie figuur C 30 van de bijlage.

Bij een onderzoek maar de opname en afgifte van kooldioxide door een groen blad, wordt gebruik gemaakt van de reageerbuizen P en Q. Beide reageerbuizen staan in het licht.
Reageerbuis P is gevuld zoals in de tekening is aangegeven.
Als het kooldioxidegehalte van de afgesloten ruimte verandert, zoals in P, verandert ook de kleur van de testvloeistof.
Om er zeker van te zijn dat de verandering inderdaad ontstaat onder invloed van het groene blad, is een controleproef nodig. Hiervoor dient reageerbuis Q. In de figuur staan vier opstellingen van reageerbuis Q.

Welke van deze opstellingen zou kunnen dienen als controleproef?

afbeeldingafbeelding

Zetmeelonderzoek bij bonenplanten

Zetmeel in bonenplanten.

Een bonenplant staat een dag in het licht. Als het donker wordt, wordt een blad (1) geplukt en met een jodiumoplossing onderzocht op de aanwezigheid van zetmeel. De daaropvolgende 24 uur staat de plant in het donker. Daarna wordt weer een blad (2) geplukt en onderzocht op de aanwezigheid van zetmeel.

Zal blad 1 blauw-paars kleuren?
En blad 2?

afbeeldingafbeelding

Fotosynthese en de invloed van CO2

Een plant met bladgroen in het zonlicht.
Zie figuur B 1820 van de bijlage.

Een plant met bladgroen wordt in het zonlicht in een proefopstelling gebracht (zie tekening).
Stof P haalt alle CO2 uit de lucht.

Wordt het kalkwater troebel?
Kan de plant in gewicht toenemen?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Effect van luchtstroom op kalkwater

Proefopstelling met planten en muizen.
Zie figuur B 3386 van de bijlage.

In de afbeelding is een proefopstelling met planten en muizen getekend. De luchtpomp blaast langzaam buitenlucht door de buizen. De pijlen geven de richting van de luchtstroom aan. De proefopstelling staat in het donker.

Zal het kalkwater in fles 1 troebel worden?
Zal het kalkwater in fles 2 troebel worden?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Zuurstofhuishouding en glucosevorming in planten

Zuurstof-opname en zuurstof-afgifte.
Zie figuur B 1079 van de bijlage.

Van een groene plant is in het diagram de hoeveelheid opgenomen en afgegeven zuurstof uitgezet tegen de hoeveelheid licht.

In welke van de aangegeven trajecten vindt in de bladeren van deze plant vorming van glucose plaats?

afbeeldingafbeelding

Zuurstofverbruik door eencelligen bij temperatuur

Onderzoek naar watervervuiling.

Bij onderzoek naar de vervuiling van water gaat men onder andere na hoeveel zuurstof er door eencelligen in dit water wordt verbruikt. Hoe hoger dit zuurstofverbruik is, des te meer eencelligen er aanwezig zijn. De aanwezigheid van veel eencelligen betekent meestal dat er veel vervuilende stoffen zijn.
Eencellige organismen die voorkomen zijn bijvoorbeeld algen en bacteriën. Algen zijn eencelligen met bladgroen. De bacteriën in het water zijn heterotrofe organismen.
Het bepalen van het zuurstofverbruik gaat als volgt. Van het te onderzoeken water wordt het zuurstofgehalte bepaald. Daarna wordt dit water gedurende 5 dagen in een flesje in het donker bewaard en dan wordt opnieuw het zuurstofgehalte bepaald. Dit zuurstofgehalte na 5 dagen is lager doordat de eencelligen zuurstof hebben verbruikt.

Wanneer is het zuurstofverbruik door de eencelligen groter: als het flesje bij 5°C, bij 10°C, bij 15°C of bij 20°C staat?

Beweringen over energieomzetting

Beweringen over energie.

Twee beweringen over energie zijn:

I. energie komt vrij bij de omzetting van glucose en zuurstof in water en koolstofdioxide;
II. energie komt vrij bij de omzetting van water en koolstofdioxide in glucose en zuurstof.

Bewerkingen van energie in cellen

Vier beweringen over energie.

Er worden de volgende vier beweringen over het vrijkomen van energie gedaan:

1. bij de omzetting van glucose en O2 in H2 O en CO2 komt energie vrij.
2. bij de omzetting van H2 O en CO2 in glucose en O2 komt energie vrij.
3. in spiercellen kan energie vrijkomen.
4. in cellen met bladgroen kan energie vrijkomen.

Welke bewering is of welke beweringen zijn juist?