Oefentoets Biologie: Ecologie | VWO 4/VWO 5/VWO 6 | variant 3

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VWO 4, VWO 5, VWO 6

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Ecologie

3/4 Mieren en acacia's.
Zie figuur C 350 van de bijlage.

Uit de twee diagrammen kan niet de conclusie worden getrokken dat A. hindsii meer energie investeert in zijn relatie met de Pseudomyrmex mieren dan A. collinsii.

Geef hiervoor twee argumenten.

afbeeldingafbeelding

Ecologie

4/4 Mieren en acacia's.

De acacia A. mayana, die over nectarklieren en over voedselbolletjes beschikt, wordt niet alleen bewoond door P. ferrugineus, maar ook door een andere mierensoort Camponotus planatus. De relatie van C. planatus met A. mayana is anders dan die van P. ferrugineus met deze acacia.

Hieronder worden enkele waarnemingen genoemd, met betrekking tot de twee mierensoorten die leven op dezelfde A. mayana struik.

1. P. ferrugineus verwijdert larven van andere plantenetende insectensoorten, behalve die van C. planatus.
2. C. planatus verdringt overdag P. ferrugineus bij de nectarklieren, 's nachts trekt C. planatus zich terug.
3. P. ferrugineus gebruikt ter verdediging vooral zijn steekapparaat, C. planatus zet tegen verdediging vooral chemische stoffen in.

Welke van deze waarnemingen ondersteunen de bewering dat C. planatus profiteert van de relatie tussen de acacia en P. ferrugineus?

Ecologie

1/4 De ontwikkelingen in een loofbos.
Zie figuur A 868 van de bijlage.

Natuurlijke ecosystemen op het noordelijk halfrond zijn onderworpen aan een cyclus van veroudering en verjonging. In een loofbos dat de opbouwfase, stabiele fase en vervalfase doorloopt, veranderen in de loop van de tijd onder andere de primaire productie, de hoeveelheid biomassa die gedissimileerd wordt en de hoeveelheid biomassa die elk jaar wordt toegevoegd. In het afgebeelde diagram is weergegeven, voor een periode van 100 jaar, hoeveel biomassa in een beukenbos in Denemarken jaarlijks geproduceerd werd (BPP = bruto primaire productie) en waarvoor deze biomassa in dat jaar is gebruikt of vastgelegd.

Met welk nummer of met welk samenstel van nummers wordt in het diagram de netto primaire productie weergegeven?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

2/4 De ontwikkelingen in een loofbos.

Op welke leeftijd is, op basis van de gegevens in het diagram, de totale plantenbiomassa in dit bos het hoogst? [invulveld] jaar

Ecologie

3/4 De ontwikkelingen in een loofbos.
Zie figuur A 869 van de bijlage.

In een vereenvoudigd schema zijn voorraden en omzettingen in een natuurlijk loofbos, dat in de stabiele fase verkeert, weergeven:

Neem aan dat in de verschillende compartimenten, aangegeven door een rechthoek, de hoeveelheid organische stof gemiddeld constant blijft. Aan de linkerzijde van het schema is verlies van organische stof aangegeven.

Bij welk proces is deze organische stof verloren gegaan?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

4/4 De ontwikkelingen in een loofbos.
Zie figuur A 869 van de bijlage.

In een loofbos vinden allerlei omzettingen plaats.

Bij welke omzetting worden stoffen uit het compartiment 'organische stoffen in bodem' omgezet in stoffen uit het compartiment 'anorganische stoffen in bodem' (zie de afbeelding)?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

1/4 Een ecologisch onderzoek.

Leerlingen uit 6 V WO van een scholengemeenschap ergens in Nederland hebben de opdracht gekregen voor hun schoolonderzoek zelfstandig een ecologisch onderzoek uit te voeren. Een groepje leerlingen besluit onderzoek te gaan doen naar de waterkwaliteit in de buurt van een bedrijf waarvan zij weten dat het continu flinke hoeveelheden afvalwater loost op het oppervlaktewater. De leerlingen vragen zich af of de lozingen van het bedrijf de kwaliteit van het water in het beekje en uiteindelijk in het riviertje beïnvloeden. Voor hun onderzoek formuleren zij een hypothese.

Geef een hypothese waarop een onderzoek kan worden gebaseerd dat antwoord geeft op bovenstaande onderzoeksvraag.

Ecologie

2/4 Een ecologisch onderzoek.
Zie figuur A 511 van de bijlage.

Vervolgens brengen de leerlingen de omgeving van het bedrijf schematisch in kaart, zoals is weergegeven in de afbeelding. Zij bepalen de kwaliteit van het water in de buurt van het bedrijf met behulp van monsters van de macrofauna in het water. Zij bemonsteren het water tegelijkertijd op verschillende punten.
In de afbeelding zijn zeven mogelijke monsterpunten aangegeven. De leerlingen bemonsteren niet meer punten dan nodig is om te onderzoeken of het bedrijf door zijn lozing de kwaliteit van het water in riviertje R beïnvloedt.

Geef de nummers van de punten in de afbeelding die zij minimaal moeten bemonsteren.

afbeeldingafbeelding

Ecologie

3/4 Een ecologisch onderzoek.

De leerlingen maken een monsterschema voor een aantal dagen. Ze besluiten om elke dag op een ander tijdstip de monsters te nemen.

Geef een reden waarom het voor hun onderzoek beter is om op verschillende tijdstippen te bemonsteren en niet steeds op hetzelfde tijdstip.

Ecologie

4/4 Een ecologisch onderzoek.
Zie figuur C 219 en C 212 van de bijlage.

Voor het interpreteren van vangstgegevens maken de leerlingen gebruik van de afbeelding.

Zie figuur C 212 van de bijlage.

Een voorbeeld van mogelijke vangstgegevens is weergegeven in de afbeelding. Deze gegevens zijn vroeger bij een overeenkomstig onderzoek verzameld door andere leerlingen. Het zijn betrouwbare vangstgegevens die informatie geven over de waterkwaliteit op vijf verschillende monsterpunten A tot en met E.

Welk van deze monsterpunten is het minst vervuild?

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Ecologie

1/6 De roofvogelstand in Nederland.

Tekst 1:
Roofvogels vooral in Drenthe op grote schaal illegaal vervolgd

Het aantal roofvogels is in Nederland sterk toegenomen sinds het begin van de jaren zeventig. In de jaren zestig hadden bestrijdingsmiddelen de Nederlandse roofvogelstand letterlijk gedecimeerd. Persistente [= niet afbreekbare] middelen als DDT deden sommige soorten bijna de das om. Van de sperwer waren er eind jaren zestig nog twee- tot driehonderd broedparen over, nu zijn het er 3400 tot 4000. Van de havik waren er nog maximaal honderd paren, nu zijn er 1700 tot 2000.
Op dit moment worden roofvogels in Nederland illegaal vervolgd. Vergiftiging is de meest gebruikte methode, gevolgd door het uithalen van nesten en het schieten op nesten. In de meeste gevallen heeft het doden van roofvogels geen grote gevolgen voor de stand van deze dieren en evenmin voor die van de prooidieren. De stand kan wel lokaal worden bedreigd.

bewerkt naar: de Volkskrant, 23 oktober 1993

Zie volgend scherm

Ecologie

2/6 De roofvogelstand in Nederland.
Tekst 2:

In absolute aantallen steekt de vervolging van de buizerd met kop en schouders uit boven de vervolging van de andere roofvogelsoorten. Hiervoor zijn drie belangrijke oorzaken aan te voeren:

a. de soort is een talrijke broedvogel in Nederland,
b. de aantallen nemen buiten het broedseizoen sterk toe als gevolg van de instroom van wintergasten en
c. aas vormt een vast onderdeel van zijn menu.

Vooralsnog zijn er geen aanwijzingen dat de huidige vervolgingspraktijken negatief hebben uitgewerkt op de aantalsontwikkeling van de buizerd in Noord-Nederland. Evenmin bestaat de indruk dat zich in de populatie-opbouw van de buizerd een scheefgroei heeft voltrokken. Hooguit lokaal, zoals in 1986 in Noordwest-Drenthe in de vervolgingshaard rond Veenhuizen, waren verstoringen in de populatie-opbouw waarneembaar.
Hoewel een deel van de vergiftigingen betrekking heeft op doortrekkers en wintergasten (in ieder geval bij de buizerd), worden ook veel lokale broedvogels het slachtoffer. Dit geldt vooral voor de havik, die een strikte standvogel is. De uitwerking van vervolging op roofvogels reikt verder dan de dood van een aantal individuen. Dit kan het beste worden verduidelijkt aan de hand van een soort. De havik is daarvoor ideaal. Van de Nederlandse roofvogelsoorten is de havik immers de meest uitgesproken standvogel en het makkelijkst te inventariseren door zijn formaat, gedrag en habitatkeus. Territoriale haviken stellen de waarnemer voor weinig verrassingen: vrijwel altijd bezetten de paren een nest, leggen ze eieren en produceren ze jongen.
De vervolging van haviken in Noord- en Midden-Drenthe is grootschalig, systematisch en destructief genoeg om de samenstelling van de broedpopulatie ingrijpend te beïnvloeden.

bewerkt naar: R. G. Bijlsma, Ecologische atlas van de Nederlandse roofvogels, Haarlem, 1996, 242, 249, 255

afbeeldingafbeelding

Zie volgend scherm

Ecologie

3/6 De roofvogelstand in Nederland.

Geef een verklaring voor het gegeven dat DDT vooral invloed had op het voortplantingssucces van roofvogels en minder op dat van bijvoorbeeld zaadetende vogels.

Ecologie

4/6 De roofvogelstand in Nederland.

Lokaal zijn verstoringen in de populatie-opbouw van de buizerd waarneembaar.

Noem twee wijzen waarop verstoringen in een populatie van de buizerd worden gecompenseerd.

Ecologie

5/6 De roofvogelstand in Nederland.

Noem een gegeven uit de informatie in de teksten 1 of 2 waaruit blijkt dat buizerd en havik elk een verschillende niche innemen.

Ecologie

6/6 De roofvogelstand in Nederland.
afbeeldingafbeelding

Waarnemers kunnen uit de samenstelling van de populatie haviken in Drenthe (zie tekst 2 en de tabel hierboven) concluderen dat de grote sterfte het gevolg moet zijn van onnatuurlijke oorzaken. Drie situaties worden genoemd.

1. Er is een hoog percentage volwassen broedvogels.
2. Er is een hoog percentage broedende eerstejaars vrouwtjes.
3. Veel territoria worden jaarlijks door andere broedparen bezet.

Welke van deze situaties geeft of welke geven een kenmerk van een populatie haviken waarin grote onnatuurlijke sterfte optreedt?

Ecologie

1/5 Het Oranje zandoogje.

In Nederland neemt het aantal soorten planten en dieren af. Tot de soorten die dramatisch afnemen, behoren vlindersoorten. Niet alleen het aantal soorten vlinders, maar ook de omvang van de populaties neemt af. Onderzoekers willen nauwkeurig de aantallen vlinders per soort bepalen en ook in welke aantallen elke soort op een bepaalde vegetatie te vinden is. Twee methoden voor vlinderonderzoek, de zogenaamde lijntransectstudie en het merken en terugvangen, worden als volgt omschreven:

Tekst:
Om een concreet beeld te krijgen van de plaatsen waar de vlinders zich ophouden, wordt in een uitgekozen gebied een lijntransectstudie uitgevoerd. Hierbij wordt een route uitgezet die door alle soorten vegetatie loopt; de lengte van het deel van de route dat door een vegetatietype loopt (bijvoorbeeld een bosrand, een zonnige wegberm), is evenredig aan de oppervlakte die door dat vegetatietype in het gehele terrein wordt ingenomen. De route wordt zeer zorgvuldig uitgestippeld, waarbij tevens gelet wordt op allerlei variaties zoals openheid, beschutting, ligging ten opzichte van het zuiden, enzovoort. De onderzoeker loopt de route, die is verdeeld in stukken van 50 m, met een constante snelheid (ongeveer 1 m/sec) en noteert hoeveel vlinders van elke soort hij waarneemt. Zo nodig worden de vlinders gevangen voor determinatie of voor geslachtsbepaling.
Een ander type onderzoek is het merken en terugvangen van vlinders. Dit merken gebeurt over het algemeen door het aanbrengen van 1 of meer blauwe of zwarte stippen met een watervaste fijne overheadpen op voor- en achtervleugels. Zo kunnen meer dan 1.000 vlinders individueel worden gemerkt. Van de aldus gecodeerde vlinders worden genoteerd: datum, geslacht en plaats waar ze werden gevangen. Door terugvangsten van gemerkte vlinders kan behalve een leeftijdsbepaling ook een beeld worden verkregen over de verplaatsing van vlinders binnen en buiten de habitat en over het gedrag.

bewerkt naar: Jan van der Made, Het Oranje Zandoogje, in: Jan Desmet, Dierenlevens, Tielt, 1988, 68-71

Zie volgende scherm

Ecologie

2/5 Het Oranje zandoogje.

Noem twee oorzaken waardoor het aantal vlindersoorten in Nederland afneemt.

Ecologie

3/5 Het Oranje zandoogje.

Noem een zin uit de tekst waaruit blijkt dat bij een lijntransectstudie de aantallen vlinders per soort worden bepaald.
Noem ook een zin uit de tekst waaruit blijkt dat bij een lijntransectstudie de aantallen vlinders per vegetatietype worden bepaald. Geef de eerste twee en de laatste twee woorden van de zinnen.

Ecologie

4/5 Het Oranje zandoogje.

De onderzoekers gaan het onderzoek uitbreiden om te komen tot een vlinderinventarisatie van heel Nederland. Zij stellen de volgende onderzoeksvragen:

1. Waar in Nederland komt een bepaalde vlindersoort voor?
2. In welke verhouding is deze vlindersoort over verschillende vegetatietypen verdeeld?

Het onderzoek ter beantwoording van deze vragen wordt uitgevoerd met hulp van vele amateur-vlinderkenners. Met deze mensen moeten goede afspraken worden gemaakt. Het gaat daarbij om de lijntransectstudies en niet over andere methoden zoals merken en terugvangen.
Een mogelijke afspraak met de amateur-vlinderkenners zou kunnen zijn: "Iedereen loopt de lijntransectroute in zijn of haar gebied zo vaak mogelijk".
Deze afspraak over de lijntransectroute is echter niet specifiek genoeg voor het beantwoorden van de tweede onderzoeksvraag.

Leg uit waardoor deze afspraak geen bruikbare gegevens levert ter beantwoording van de tweede onderzoeksvraag.
Geef een voorbeeld van een betere afspraak voor het uitvoeren van een lijntransectstudie ter beantwoording van de tweede onderzoeksvraag.