Oefentoets Biologie: Uitscheiding - algemeen | VWO 4/VWO 5/VWO 6 | variant 8

Deze oefentoets bevat 16 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

16

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VWO 4, VWO 5, VWO 6

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Uitscheiding

3/3 Een nefron.
Zie figuur A 1212 van de bijlage.

Welke van de volgende beweringen over de vloeistof in de dalende tak in de lis van Henle is of zijn juist?

1. De kleur van de vloeistof neemt in de dalende tak af van rood naar kleurloos.
2. Aan het begin van de dalende tak heeft de vloeistof een hogere osmotische waarde dan aan het eind.
3. Aan het eind van de dalende tak heeft de vloeistof een concentratie opgeloste deeltjes die groter is dan de concentratie opgeloste deeltjes in de nierslagader.
4. De permeabiliteit voor water heeft een grotere invloed op de verandering van de osmotische waarde dan de permeabiliteit voor ureum.
afbeeldingafbeelding
Kies het nummer of de nummers van de juiste bewering(en).

afbeeldingafbeelding

Uitscheiding

2/2 Nieren.

Drie beweringen over de nierslagaders en nieraders zijn:

1. De hoeveelheid bloed die per etmaal door de nierslagaders de nieren instroomt, is even groot als de hoeveelheid die via de nieraders per etmaal de nieren uitstroomt.
2. De bloeddruk in de nierslagaders is hoger dan die in de nieraders;
3. De wanden van de nierslagaders bevatten meer spiercellen per cm3 weefsel dan die van de nieraders.

Welke van deze beweringen is of welke zijn juist?

Uitscheiding

1/4 Urine.

Het menselijk lichaam scheidt via de nieren urine uit. Urine ontstaat doordat de nieren overtollige stoffen en afvalstoffen uit het bloed halen. Op deze manier zuiveren de nieren het bloed. Urine is meestal helder en geel van kleur. Doordat de samenstelling van urine varieert, kunnen kleur en helderheid per keer verschillen.

Per etmaal produceren de nieren van een mens gemiddeld 1,5 l urine.

Bereken hoeveel ml urine per minuut door een mens gemiddeld wordt geproduceerd.

Uitscheiding

2/4 Urine.

Een proef om het functioneren van de nieren te bepalen, is de zogenoemde "clearance proef". Hierbij wordt nagegaan hoeveel bloedplasma de nieren per minuut van een bepaalde stof kunnen ontdoen. De clearance van een bepaalde stof is bij ieder mens verschillend en is dus persoonsgebonden.
Een voorbeeld van een stof waarvan men de clearance kan bepalen is ureum.
In formule is de clearance van ureum:

Clearance = [U]u x V mL/min
[U]p
waarbij:
[U]u = concentratie van ureum in de urine
[U]p = concentratie van ureum in het bloedplasma
V = volume urine inmldat in één minuut wordt geproduceerd door de nieren

Bij een gelijkblijvende urineproductie blijft de clearance constant.
Verandert de hoeveelheid ureum in het plasma, dan verandert de hoeveelheid ureum in de urine ook. (U)u/(U)p is dus een constante.

De clearance van een bepaalde stof kan, in vergelijking met de gemiddelde clearance van een groep mensen, voor die stof te hoog of te laag zijn.
Ellen heeft net een marathon van 42,195 km beëindigd.

Leg uit of haar clearance na het lopen hoger of lager is geworden of hetzelfde is gebleven als voor het lopen van de marathon.

Uitscheiding

3/4 Urine.

In bepaalde gevallen kan urine een rode kleur hebben. Dit kan het gevolg zijn van het eten van bepaalde voedingsmiddelen. In dat geval kleurt een rode kleurstof uit bijvoorbeeld rode bietjes de urine rood.
Het is ook mogelijk dat hemoglobine uit kapotte rode bloedcellen voor roodkleuring zorgt, terwijl de eiwitten uit het bloedplasma en het hemoglobine-eiwitdeel een verhoging van het eiwitgehalte in de urine veroorzaken. Dit heet hemoglobinurie. Hemoglobinurie kan optreden als de rode bloedcellen in de urine gezeten hebben, maar zijn stukgegaan, bijvoorbeeld door osmose als de urine sterk verdund is. Het is echter ook mogelijk dat rode bloedcellen al in de bloedbaan kapot zijn gegaan (hemolyse), zodat vrij hemoglobine (als eiwit) door de nier wordt uitgescheiden. Rode bloedcellen kunnen kapot gaan door mechanische beschadiging. Bijvoorbeeld door het lopen of marcheren van zeer grote afstanden, vooral op harde weg en of met hard schoeisel (dit heet marshemoglobinurie omdat het nogal vaak voorkomt bij marsen van soldaten). Bij hemoglobinurie zijn er met de microscoop geen rode bloedcellen in de urine te zien, terwijl er wel hemoglobine in de urine zit, die kleurt dus wel rood.
Ernstiger is het als de urine door rode bloedcellen gekleurd is, want dat kan duiden op nierstenen die de urinewegen of nieren hebben beschadigd. Bij bloedverlies in de urinewegen kunnen rode bloedcellen in de urine voorkomen, dit heet hematurie. Je ziet in dat geval onder de microscoop duidelijke cellen, die je kunt vergelijken met rode bloedcellen uit een standaard microscopisch bloedpreparaat om zeker te zijn dat het om rode bloedcellen gaat en niet om andere cellen die in urine kunnen voorkomen, zoals gistcellen of bacteriën.

Zie volgende scherm

Uitscheiding

Uitscheidingssystemen.
Zie figuur B 5749 van de bijlage.

De figuren I tot III in de afbeelding hiernaast tonen de uitscheidingssystemen van respectievelijk platwormen, ringwormen en sprinkhanen. Figuur IV laat de verschillende habitats in de levenscyclus van de zalm zien.

Welk van de volgende beweringen over de uitscheidingssystemen is correct?

afbeeldingafbeelding

Uitscheiding

Phloridzine.

Het glycoside phloridzine dat voorkomt in appelschillen, kan de opname van glucose in de nierkanaaltjes tegengaan.

Een muis die phloridzine krijgt toegediend, zal

Uitscheiding

In het lichaam van de mens.

Over stoffen in de voorurine worden de volgende beweringen gedaan:

1. een deel van de glucose uit het bloedplasma dat door de nierslagaders stroomt, komt in de voorurine terecht;
2. alle ureum uit het bloedplasma dat per dag door de nierslagaders stroomt, komt gedurende die dag in de voorurine terecht;
3. een deel van de glucose die in de voorurine aanwezig is, wordt door de cellen van de nierkanaaltjes verbruikt.

Welke van deze beweringen is of welke zijn juist?

Uitscheiding

Glucose, insuline en nierfunctie.

Als bij een patiënt met onbehandelde diabetes mellitus (= suikerziekte) de glucoseconcentratie van het bloed langdurig is verhoogd, kan glucose in de urine worden aangetoond.

Leg aan de hand van de nierwerking uit waardoor bij die patiënt glucose in de urine aanwezig is.

Bilirubine

Malaria.
Zie figuur D 11 van de bijlage.

In de levenscyclus van malariaparasieten worden drie ongeslachtelijke stadia onderscheiden: de trofozoieten, merozoieten en sporozoieten.
In de afbeelding is de levenscyclus van de malariaparasiet weergegeven.

Uit elke sporozoiet ontwikkelen zich in een levercel 10.000 tot 30.000 trofozoieten. Deze komen na ongeveer 5 dagen in het bloed terecht. In een rode bloedcel vermenigvuldigt de trofozoiet zich in 48 uur tot 12-16 merozoieten, die vrijkomen doordat de rode bloedcel te gronde gaat. De meeste merozoieten gaan meteen over in trofozoieten, die nieuwe rode bloedcellen binnendringen.
Vaak is een van de kenmerken van malaria geelzucht, als gevolg van een verhoogde afbraak van rode bloedcellen. Daarbij ontstaat veel bilirubine, een omzettingsproduct van hemoglobine.

Waar is de concentratie bilirubine bij geelzucht veel hoger dan normaal?

afbeeldingafbeelding

Uitscheiding

Noradrenaline en adrenaline.

Op een bepaald moment stijgt de concentratie adrenaline in het bloed.

Neemt door deze stijging de hoeveelheid glucose die per tijdseenheid in de voorurine komt, af, blijft deze gelijk of neemt deze toe?