Oefentoets Biologie: Hormoonstelsel - feedback | HAVO 4/HAVO 5

Deze oefentoets bevat 17 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

17

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

HAVO 4, HAVO 5

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Hormoonstelsel

Gedaantewisseling.
Zie figuur B 5 van de bijlage.

Bij proeven over de regeling van de gedaanteverwisseling van kikkervisjes tot kikkers, doet men de volgende waarnemingen:

- als men de kikkervisjes schildklierextract voert, verloopt de gedaanteverwisseling sneller.
- als men bij de kikkervisjes de hypofyse wegneemt, treedt geen gedaanteverwisseling op.

In deze figuur B 5 (schema's 1 t/m 4) geldt:

H = hypofyse;
S = schildklier;
W = weefsels die tijdens de gedaanteverwisseling veranderen.

De mogelijke onderlinge beïnvloeding van H, S en W is door pijlen voorgesteld.

Uit bovengenoemde waarnemingen kan men afleiden dat de onderlinge beïnvloeding van H, S en W kan plaatsvinden volgens


-

afbeeldingafbeelding

Hormoonstelsel

Terugkoppeling.
Zie figuur A 109 van de bijlage.

V, W, X, Y en Z zijn hormoonklieren.
De effecten a, b en c worden in het normale geval geregeld volgens nevenstaand schema. Bij een bepaalde patiënt blijken de effecten a en b normaal op te treden, maar het effect c overmatig. Als verklaringen hiervoor worden geopperd:

1. klier Z is actiever geworden.
2. klier V is minder gevoelig geworden voor producten uit klier X.
3. klier X werkt niet meer.

Ten aanzien van deze verklaringen geldt:

afbeeldingafbeelding

Hormoonstelsel

Terugkoppeling.
Zie figuur B 2518 van de bijlage.

De balts wordt bij veel diersoorten op gang gebracht wanneer veranderingen in de daglengte worden waargenomen. Via hersenen en hypofyse worden dan de voortplantingsorganen aangezet tot verhoogde productie van geslachtshormonen.
Deze hormonen kunnen door terugkoppeling de hormoonproducerende cellen in de voortplantingsorganen remmen (zie vermeld schema).

Deze remming verloopt het meest waarschijnlijk via

afbeeldingafbeelding

Hormoonstelsel

Terugkoppeling.

De hormoonklieren P, Q en R kunnen elkaar beïnvloeden. Schematisch kan dit onder andere op de hieronder vermelde vier manieren gebeuren.
afbeeldingafbeelding

Wanneer klier R wordt verwijderd, stopt klier P zijn werking.

Welke van de vier schema's kunnen de juiste relatie tussen de hormoonklieren voorstellen?

Hormoonstelsel

Terugkoppeling.
Zie figuur B 323 van de bijlage.

Het schema geeft het verband weer tussen de productie en de werking van hormoon R in normale toestand.
Stof P kan niet door het organisme gemaakt worden en is noodzakelijk voor de vorming van hormoon R.

Welke gevolgen voor het organisme heeft het ontbreken van stof P?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Hormoonstelsel

Terugkoppeling.
Zie figuur B 1223 van de bijlage.

De insulineproductie van de alvleesklier beïnvloedt het glucosegehalte en omgekeerd. In het afgebeelde schema stelt 1 een negatieve beïnvloeding van de alvleesklier voor.

Door deze negatieve beïnvloeding wordt

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Hormoonstelsel

Een hormoon.
Zie figuur B 1224 van de bijlage.

Hormoon P stimuleert de productie van hormoon Q zeer snel, terwijl hormoon Q de productie van hormoon P zeer snel remt. In het afgebeelde diagram is voor hormoon Q de concentratie in het bloed uitgezet tegen de tijd. In de curve zijn vier trajecten te onderscheiden, aangegeven met 1, 2, 3 en 4.

De concentratie van hormoon P zal

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Hormoonstelsel

Geslachtshormonen.

Tijdens de puberteit van een jongen neemt de productie van mannelijke geslachtshormonen toe.
Deze toename vindt plaats onder directe invloed van een ander hormoon.

In welk orgaan wordt dit laatste hormoon gemaakt?

Hormoonstelsel

Terugkoppeling.
Zie figuur A 115 van de bijlage.

De schildklier en het bijniermerg staan onder invloed van het autonome zenuwstelsel. De schildklier kan een hormoon produceren dat de dissimilatie verhoogt; het bijniermerg een hormoon dat het glucosegehalte in het bloed verhoogt.

Worden deze organen door impulsen die via 1, 2, 3 of 4 verlopen, gestimuleerd (+) of geremd (-)?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Hormoonstelsel

1/3 Werkingsmechanismen van hormonen.
Zie figuur B 3620 van de bijlage.

In de afbeelding is de hormonale regulatie van de hypothalamus (Ht) (een deel van de hersenstam), de hypofyse (H) en de schildklier (S) schematisch weergegeven. SSH is schildklierstimulerend hormoon en SSH-RH is een stof (een ‘releasing'-hormoon) die de hypofyse aanzet tot het afgeven van SSH.

Wat is de (biologische) term voor de hormonale regeling zoals die door de pijlen 1 en 2 in bovenstaande afbeelding wordt aangegeven?

afbeeldingafbeelding

Hormoonstelsel

2/3 Werkingsmechanismen van hormonen.
Zie figuur B 3621 van de bijlage.

Er zijn verschillende wegen waarlangs stoffen de activiteit van cellen beïnvloeden. Onderstaande afbeelding is een schema van één van die wegen. Dit schema illustreert de werking van hypothalamus, hypofyse en eierstokken. De relatie tussen deze organen komt overeen met die in de afbeelding. In dit schema zijn hormonen en organen die de hormonen afscheiden met de cijfers 1 tot en met 6 aangegeven.

Vermeld achter elk orgaan of hormoon het corresponderende cijfer uit de afbeelding.

- eierstokken [invulveld]
- FSH [invulveld]
- FSH-RH [invulveld]
- hypofyse-voorkwab [invulveld]
- hypothalamus [invulveld]
- oestrogeen (= oestron / oestradiol) [invulveld]

afbeeldingafbeelding

Hormoonstelsel

3/3 Werkingsmechanismen van hormonen.
Zie figuur B 3621 van de bijlage.

Nummer 7 in de afbeelding is een doelwitorgaan.

Wat wordt in het algemeen bedoeld met het begrip doelwitorgaan?

afbeeldingafbeelding

Hormoonstelsel

1/3 Homeostase.
Zie figuur B 3047 van de bijlage.

De regulatie van de waterhuishouding is een voorbeeld van een homeostatisch regelmechanisme. Daarbij spelen de nieren, de osmotische waarde van het bloed en het hormoon ADH een belangrijke rol. Veranderingen in de osmotische waarde van het bloed, bijvoorbeeld door sterke vochtopname, worden gesignaleerd door zogenoemde osmosensoren die in de hypothalamus aanwezig zijn.

In de afbeelding B 3047 zijn in een schema de relaties tussen de veranderingen van de osmotische waarde van het bloed en de afgifte van ADH weergegeven. De concentratie van dit hormoon in het bloed bepaalt de hoeveelheid gevormde urine.

Leg uit wat het effect van een sterke zoutopname (door voedsel met veel zout) is op de hoeveelheid gevormde urine. Gebruik in de uitleg gegevens uit het schema van de afbeelding. Laat zien dat je hierbij te maken hebt met een homeostatisch regelmechanisme.

afbeeldingafbeelding

Hormoonstelsel

2/3 Homeostase.

ADH werkt in op cellen die dit hormoon kunnen herkennen met behulp van zogenoemde ADH-receptoren.

Waar bevinden zich deze ADH-receptoren voornamelijk?

Hormoonstelsel

3/3 Homeostase.

Het hormoon ADH wordt gemaakt in de hypothalamus en aan het bloed afgegeven in de hypofyse.

Door welk proces komt dit hormoon vanuit de hypofyse in het bloed terecht?

Hormoonstelsel

1/2 De chemie van de liefde.

Als mensen vrijen, komen er stoffen als dopamine en adrenaline vrij.

Welk effect veroorzaakt adrenaline tijdens het vrijen?

Hormoonstelsel

2/2 De chemie van de liefde.

Een bijzonder hormoon is oxytocine. Het speelt een rol bij de bevalling en regelt de melkafgifte in de borsten. Het is ook betrokken bij het vrijen; door seksuele opwinding neemt de concentratie van oxytocine toe. Op zijn beurt stimuleert dit hormoon weer de seksuele opwinding.

Hoe noemt men een dergelijke relatie tussen seksuele opwinding en de concentratie van oxytocine?