Oefentoets Biologie: Ecologie | HAVO 4/HAVO 5 | variant 10

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

HAVO 4, HAVO 5

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Ecologie

2/7 Maïs.

Geef twee oorzaken waardoor deze Amerikaanse kever zich in Nederland tot een plaag zou kunnen ontwikkelen?

Ecologie

3/7 Maïs.

Omdat maïs zo'n belangrijk voedingsgewas is, wordt op allerlei manieren gepoogd om de opbrengst zo optimaal mogelijk te maken. Aan suikermaïs worden andere eisen gesteld dan aan veevoedermaïs. Daarom zijn er resistente rassen ontwikkeld met DNA dat van andere soorten afkomstig is. Er is resistentie tegen herbiciden (= onkruidverdelgers) en resistentie tegen insectenvraat ingebracht. Het maïsras dat resistent is tegen herbiciden heeft een gen ingeplant gekregen dat voor een enzym codeert dat het herbicide afbreekt. Bij het maïsras dat resistent is tegen insectenvraat is het Bt-gen van de bacterie Bacillus thuringiensis ingebracht. Dit gen zorgt voor de aanmaak van een eiwit.
Zodra er vlinderlarven beginnen te vreten aan de plant, doodt dit eiwit hen onherroepelijk.

Over deze vormen van resistentie worden drie uitspraken gedaan:

1. Bij beide vormen van resistentie is er ten opzichte van het oorspronkelijke genotype van de maïsplant iets veranderd.
2. Bij beide vormen van resistentie breekt de maïsplant het ongewenste concurrerende organisme af met behulp van een eiwit.
3. Door beide vormen van resistentie wordt de noodzaak om chemische bestrijdingsmiddelen te gebruiken, verminderd.

Welke van de bovengenoemde uitspraken is of zijn juist?

Ecologie

4/7 Maïs.

De resistente rassen dragen een nummer, zodat ze gemakkelijk kunnen worden opgespoord in voedingsmiddelen waarin het maïsproduct is verwerkt. Voorbeelden zijn popcorn, tortilla's en allerlei soepen en sauzen.

Welke stoffen kunnen uitsluitsel geven over het gebruikte ras?

Ecologie

5/7 Maïs.
Zie figuur B 7124 van de bijlage.

Momenteel wordt er in Afrika op grote schaal gewerkt met Desmodium. Dit is een vlinderbloemige plant die tussen de maïs wordt gezaaid. Dit natuurlijke 'product' zou een betere opbrengst van de maïs opleveren, omdat deze plant niet alleen de maïsboorder verjaagt, maar omdat het net zoals veel andere vlinderbloemige planten, knolletjesbacteriën bevat.

Waardoor kunnen knolletjesbacteriën zorgen voor een hogere opbrengst van de maïsoogst?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

6/7 Maïs.

In Amerika is maïs belangrijk volksvoedsel. Daarnaast wordt maïs gebruikt voor de productie van lijm, bio-plastics en zelfs voor bio-energie. Hiervoor wordt de maïs verwerkt tot bio-ethanol. Een bijzondere toepassing is de productie van maïsbier. Het gistingsproces wordt op gang gebracht door aan de maïspap een appel, een andere vrucht of een beetje oud maïsbier toe te voegen.

Waarom begint de gisting niet zonder deze toevoeging?

Ecologie

7/7 Maïs.

Op het gistingsproces zijn verschillende factoren van invloed.

Noem er drie.

Ecologie

1/6 Plagen in Australië.

Tekst:
Door de Europese kolonisten zijn in de vorige eeuw veel huisdieren in Australië ingevoerd: konijnen, geiten, schapen, koeien en dromedarissen. Ontsnapte konijnen ontwikkelden zich tot een geweldige plaag. Uiteindelijk besloot men om een radicaal middel in te zetten: men voerde de besmettelijke en dodelijke konijnenziekte myxomatose in. Toch had dit radicale middel maar beperkt succes.

Noem twee biotische factoren waardoor een plaag kan ontstaan als dieren van een soort terechtkomen in een ecosysteem waarin deze soort voordien niet voorkwam.

Ecologie

2/6 Plagen in Australië.

Geef twee mogelijke oorzaken waardoor niet alle konijnen in Australië zijn doodgegaan na de invoering van myxomatose.

Ecologie

3/6 Plagen in Australië.

Tekst:
De introductie van een 'nieuwe' diersoort in een ecosysteem kan als volgt vereenvoudigd worden beschreven:
In een bepaald ecosysteem leeft diersoort R, die zich voornamelijk voedt met de plantensoorten P en Q. Diersoort R heeft als enige predator diersoort S. De populaties van de soorten P, Q, R en S zijn in evenwicht.
Op een bepaald moment wordt in dit ecosysteem diersoort T geïntroduceerd, die voornamelijk planten van soort Q eet en geen planten van soort P Diersoort T is een prooi voor diersoort S.
Enige tijd na de introductie van diersoort T blijkt dat het aantal planten van soort P sterk is verminderd.

Geef de voedselrelaties tussen de soorten P, Q, R, S en T weer in een voedselnet en geef met behulp van dit voedselnet een verklaring voor de vermindering van het aantal planten van soort P.

Ecologie

4/6 Plagen in Australië.
Zie figuur B 3019 van de bijlage.

Tekst:
Een probleem voor de veehouders in Australië is sterfte onder het vee door het eten van bepaalde giftige bladeren. Dit treedt met name op in gebieden waar voedselschaarste heerst.
Met behulp van genetische manipulatie zijn bacteriën uit het maag-darmkanaal van schapen, geiten en koeien voorzien van een gen voor een bepaald enzym. Dit enzym maakt de gifstof uit de bladeren onschadelijk.
Plannen om een veldproef te doen met vee waaraan deze genetisch gemanipuleerde bacteriën zouden worden toegediend, werden door een adviescommissie afgekeurd. De commissie was bevreesd voor verspreiding van de gemanipuleerde bacteriën onder verwilderde geiten.

Zie figuur B 3019 van de bijlage.

In de tekst hierboven staat "... een gen voor een bepaald enzym".
Hierover worden de volgende beweringen gedaan:

1. Bacteriën hebben geen kern en kunnen dus zonder genetische manipulatie geen eiwitten maken.
2. Het gen bestaat uit een eiwit dat het enzym maakt.
3. Het gen bevat de code voor het vormen van het enzym.

Welke van deze beweringen is of zijn juist?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

5/6 Plagen in Australië.

De adviescommissie vreesde verspreiding van de gemanipuleerde bacteriën onder verwilderde geiten.

Beschrijf wat het gevolg van deze verspreiding zou kunnen zijn en geef aan waarom dat een probleem zou zijn.

Ecologie

6/6 Plagen in Australië.

Stel dat op een proefboerderij een geitenbok deze gemanipuleerde bacteriën heeft toegediend gekregen. Deze bok ontsnapt en paart in de omgeving met een aantal verwilderde geiten. Na een korte tijd wordt hij weer gevangen. De door hem bevruchte geiten werpen jongen.

Hoe groot is de kans dat het gen voor het betreffende enzym in het genotype van zo'n jong is terecht gekomen?

Ecologie

1/4 Fruitspintmijten.
Zie figuur B 1383 van de bijlage.

In een fruitboomgaard treden regelmatig plagen van fruitspintmijten op. Fruitspintmijten zuigen plantensappen uit de bladeren van de fruitbomen waardoor de bladeren op grote schaal verdorren en de oogst vermindert. Vier keer per jaar wordt het aantal fruitspintmijten vastgesteld. Afhankelijk van het aantal fruitspintmijten wordt één of twee keer per jaar gespoten met een chemisch bestrijdingsmiddel. Elke keer wordt hetzelfde type en dezelfde hoeveelheid bestrijdingsmiddel gebruikt.

Zie figuur B 1383 van de bijlage.

In de afbeelding zijn de resultaten van tellingen van fruitspintmijten over 8 jaren weergegeven.

Twee kwekers doen elk een bewering over de oorzaak van plagen van fruitspintmijten in een appelboomgaard:

Kweker 1: Dat komt doordat de biotische omstandigheden in de boomgaard voor de fruitspintmijten zeer gunstig zijn.
Kweker 2: Dat komt doordat de fruitspintmijten door hun voedselspecialisatie alleen in een fruitboomgaard kunnen leven.

Welke van deze beweringen is of welke zijn juist?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

2/4 Fruitspintmijten.

Leg de biologische relatie uit tussen het op grote schaal verdorren van de bladeren en een verminderde oogst aan fruit.

Ecologie

3/4 Fruitspintmijten.
Zie figuur B 1383 van de bijlage.

In het diagram van de afbeelding B 1383 is elke bespuiting met het bestrijdingsmiddel tegen de fruitspintmijten door een pijltje aangegeven.

Kan uit dit diagram worden geconcludeerd dat er een populatie ontstaat van fruitspintmijten die bijna alle resistent zijn tegen dit bestrijdingsmiddel? Geef een verklaring voor je antwoord.

afbeeldingafbeelding

Ecologie

4/4 Fruitspintmijten.

In een bepaald gebied met veel boomgaarden werden de bladeren jaarlijks met chemische bestrijdingsmiddelen tegen insecten en mijten bespoten. In dit gebied leven ook roofvogels zoals sperwers. Sperwers eten geen bladeren, mijten of insecten. Toch gingen sperwers dood aan het gebruikte bestrijdingsmiddel.

Leg uit hoe het komt dat de sperwers na verloop van een aantal jaren met bespuitingen doodgingen aan het gebruikte bestrijdingsmiddel.

Ecologie

1/3 Termietenbestrijding.
Zie figuur B 1381 van de bijlage.

In Centraal Afrika leven bepaalde termieten: insecten die hun nesten maken in heuvels die ze zelf bouwen. Deze termieten zijn afhankelijk van een bepaalde schimmelsoort die ook in die nesten leeft. De schimmel verteert de celwanden van het suikerriet dat in kleine stukjes door de termieten naar de heuvel is gebracht. De bij de vertering vrijkomende suiker wordt zowel door de schimmel als door de termieten als voedsel gebruikt.
Omdat de termieten een grote plaag vormen voor suikerrietplantages, wil men deze insecten bestrijden.

Geef de term waarmee de relatie tussen de bedoelde schimmelsoort en deze termiet kan worden aangeduid.
Deze relatie heet [invulveld]

afbeeldingafbeelding

Ecologie

2/3 Termietenbestrijding.

In Centraal Afrika leven bepaalde termieten: insecten die hun nesten maken in heuvels die ze zelf bouwen. Deze termieten zijn afhankelijk van een bepaalde schimmelsoort die ook in die nesten leeft. De schimmel verteert de celwanden van het suikerriet dat in kleine stukjes door de termieten naar de heuvel is gebracht. De bij de vertering vrijkomende suiker wordt zowel door de schimmel als door de termieten als voedsel gebruikt.
Omdat de termieten een grote plaag vormen voor suikerrietplantages, wil men deze insecten bestrijden.

In de ecologie worden consumenten, producenten en reducenten onderscheiden.

Welk van de in de tekst genoemde organismen behoort of welke behoren tot de producenten?

Ecologie

3/3 Termietenbestrijding.

De boeren willen ter bescherming van het suikerriet de termieten bestrijden. De leefwijze van de termieten maakt het mogelijk dit te doen zonder deze insecten rechtstreeks te doden.

Noem een methode waarmee men dan de termieten kan bestrijden, gebruik makend van de relatie tussen termieten en schimmels.

Ecologie

1/5 Demoproject Patrijs.

Tussen 1992 en 1996 is een project gestart, waarbij akkerbouwers werd gevraagd om met milieuvriendelijke maatregelen de natuurkwaliteit van het akkerland te verbeteren. De patrijs is bij dit project als doelsoort gekozen omdat het een karakteristieke akkervogel is. Tijdens het project werden de akkerranden niet gebruikt voor de akkerbouw, maar zaaiden de boeren daar gras in of lieten ze de spontaan opkomende onkruiden tot ontwikkeling komen. De boeren maaiden deze akkerranden hoogstens één keer per jaar. Om vast te stellen of het project inderdaad een gunstige invloed had op de patrijzenstand, werden jaarlijks patrijzen in voor- en najaar geteld. Dit gebeurde zowel in de projectvelden als in een aantal controlevelden, waar de randen wèl voor de akkerbouw werden gebruikt. In tabel 1 en 2 staan de patrijzenvoorjaarsstand en de patrijzenherfststand gedurende een aantal jaren.

Tabel 1 Totaal aantal patrijzen in project- en controlevelden.
Voorjaarsstand (Projectperiode gearceerd)
afbeeldingafbeelding

Tabel 2 Totaal aantal patrijzen in project- en controlevelden.
Najaarsstand (Projectperiode gearceerd)
afbeeldingafbeelding

Zie volgende scherm