Plantenanatomie en -fysiologie
4/4 Parasitaire planten.
Komt bij duivelsnaaigaren alleen verbranding voor, alleen fotosynthese of komen beide voor?
Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.
20
Biologie
VO Kerndoel 31: Processen in de natuur
HAVO 4, HAVO 5
NVON
cc-by-sa-40
4/4 Parasitaire planten.
Komt bij duivelsnaaigaren alleen verbranding voor, alleen fotosynthese of komen beide voor?
1/3 Rafflesia arnoldii.
Zie figuur B 448 van de bijlage.
Voor zover bekend is Rafflesia arnoldii de plantensoort met de grootste bloemen ter wereld.
De plant bestaat uit kleine, dunne draden in de wortels van een gastheerplant. Op de wortels van de gastheerplant vormt Rafflesia jaarlijks één bloemknop. Na het uitkomen bloeit de bloem slechts één dag. De rode bloem heeft een diameter van ongeveer 1 meter en verspreidt een doordringende geur van rottend vlees. In een bloem worden óf stuifmeelkorrels óf eicellen gevormd.
Is Rafflesia arnoldii in staat om zelf eiwitten op te bouwen?
Zo ja, welke stoffen neemt de plant daarvoor op?
afbeelding
2/3 Rafflesia arnoldii.
De plantensoort Rafflesia arnoldii bestaat uit kleine, dunne draden in de wortels van een gastheerplant.
Voor de groei van de bloemknop heeft een Rafflesia onder andere water nodig.
Op welke wijze kan de plant water verkrijgen?
afbeelding
3/3 Rafflesia arnoldii.
De plantensoort Rafflesia arnoldii bestaat uit kleine, dunne draden in de wortels van een gastheerplant.
Voor de groei van de bloemknop heeft een Rafflesia onder andere water nodig. Op de wortels van de gastheerplant vormt Rafflesia jaarlijks één bloemknop. Na het uitkomen bloeit de bloem slechts één dag. De rode bloem heeft een diameter van ongeveer 1 meter en verspreidt een doordringende geur van rottend vlees. In een bloem worden óf stuifmeelkorrels óf eicellen gevormd.
Welke vorm van bestuiving kan bij Rafflesia arnoldii optreden?
afbeelding
1/2 Aminozuren.
Planten maken, in tegenstelling tot dieren, zelf aminozuren uit anorganische stoffen. Voor de vorming van elk aminozuur neemt een plant minstens drie stoffen uit het milieu op. Voor sommige aminozuren worden ook nog andere (groepen van) stoffen opgenomen.
Neem het onderstaande schema over in je antwoordvak, vul de drie anorganische stoffen in die een plant tenminste als bouwstof nodig heeft voor de vorming van elk aminozuur.
Vul bij elke stof in of een plant, zoals bijvoorbeeld een eik, deze opneemt uit de bodem of uit de lucht.
afbeelding
2/2 Aminozuren.
Noem het organel in de cel waar de vorming van eiwitten uit aminozuren plaatsvindt.
1/3 Maïs.
Zie figuur B 1369 van de bijlage.
In een experiment wordt bij maïsplanten de behoefte aan zouten onderzocht.
De afbeelding geeft de proefopstelling weer.
Drie potten worden gevuld met verschillende vloeistoffen. In elke pot wordt een kiemplantje van maïs gezet. De kiemplantjes zijn bij het begin van het experiment even oud en even groot.
De potten worden in een kist geplaatst, zodat geen licht op de potten kan vallen, maar wel op de planten.
De vloeistoffen in de potten zijn:
in pot 1 - een complete voedingsoplossing,
in pot 2 - dezelfde voedingsoplossing als in pot 1, maar dan zonder stikstofzouten,
in pot 3 - gedestilleerd water.
Na enige tijd zijn de planten gegroeid zoals in de afbeelding is weergegeven.
Met welke bedoeling worden de potten in de donkere kist gezet?
-
afbeelding
2/3 Maïs.
Zie figuur B 1369 van de bijlage.
In een experiment wordt bij maïsplanten de behoefte aan zouten onderzocht.
De afbeelding geeft de proefopstelling weer.
Drie potten worden gevuld met verschillende vloeistoffen. In elke pot wordt een kiemplantje van maïs gezet. De kiemplantjes zijn bij het begin van het experiment even oud en even groot.
De potten worden in een kist geplaatst, zodat geen licht op de potten kan vallen, maar wel op de planten.
De vloeistoffen in de potten zijn:
in pot 1 - een complete voedingsoplossing,
in pot 2 - dezelfde voedingsoplossing als in pot 1, maar dan zonder stikstofzouten,
in pot 3 - gedestilleerd water.
Na enige tijd zijn de planten gegroeid zoals in de afbeelding is weergegeven.
Uit dit experiment worden drie conclusies getrokken:
1. Maïsplanten kunnen alle voor de groei benodigde stoffen opnemen uit een voedingsoplossing.
2. Stikstofzouten kunnen een beperkende factor zijn voor de groei van maïsplanten.
3. Zonder voedingszouten kunnen maïsplanten niet groeien.
Welke van deze conclusies is juist?
-
afbeelding
3/3 Maïs.
Zie figuur B 1369 van de bijlage.
In een experiment wordt bij maïsplanten de behoefte aan zouten onderzocht.
De afbeelding geeft de proefopstelling weer.
Drie potten worden gevuld met verschillende vloeistoffen. In elke pot wordt een kiemplantje van maïs gezet. De kiemplantjes zijn bij het begin van het experiment even oud en even groot.
De potten worden in een kist geplaatst, zodat geen licht op de potten kan vallen, maar wel op de planten.
De vloeistoffen in de potten zijn:
in pot 1 - een complete voedingsoplossing,
in pot 2 - dezelfde voedingsoplossing als in pot 1, maar dan zonder stikstofzouten,
in pot 3 - gedestilleerd water.
Na enige tijd zijn de planten gegroeid zoals in de afbeelding is weergegeven.
In pot 1 ontwikkelt zich een schimmel op de wortels van de maïsplanten.
Neemt deze schimmel zouten op uit de voedingsoplossing?
En organische stoffen afkomstig van de maïswortels?
-
afbeelding
1/2 Voedingsoplossingen.
Zie figuur B 1116 van de bijlage.
Een onderzoeker wil de invloed van een bepaalde stof S op de groei van maïsplanten bestuderen. Hij maakt vijf voedingsoplossingen met de volgende samenstellingen:
1. alleen gedestilleerd water.
2. gedestilleerd water met alle benodigde voedingszouten.
3. gedestilleerd water met alle benodigde voedingszouten en y mg van de stof S.
4. gedestilleerd water met alle benodigde voedingszouten en 2y mg van de stof S.
5. gedestilleerd water met alle benodigde voedingszouten en 3y mg van de stof S.
In elke oplossing laat hij evenveel maïsplanten groeien. De maïsplanten zijn even oud. De resultaten zijn te zien in de afbeelding.
Welke resultaten moet hij met elkaar vergelijken om een betrouwbare conclusie te kunnen trekken over de invloed van stof S op de groei van maïsplanten?
afbeelding
2/2 Voedingsoplossingen.
Zie figuur B 1116 van de bijlage.
Een onderzoeker wil de invloed van een bepaalde stof S op de groei van maïsplanten bestuderen. Hij maakt vijf voedingsoplossingen met de volgende samenstellingen:
1. alleen gedestilleerd water.
2. gedestilleerd water met alle benodigde voedingszouten.
3. gedestilleerd water met alle benodigde voedingszouten en y mg van de stof S.
4. gedestilleerd water met alle benodigde voedingszouten en 2y mg van de stof S.
5. gedestilleerd water met alle benodigde voedingszouten en 3y mg van de stof S.
Hij overweegt de volgende conclusies op grond van zijn resultaten:
1. Deze stof S heeft geen invloed op de bladontwikkeling.
2. Deze stof S heeft alleen invloed op de lengtegroei van de wortels.
3. Hoe hoger de concentratie van deze stof S, des te slechter zijn de groei en de ontwikkeling van de wortels.
Welke van deze conclusies is juist?
afbeelding
1/2 De waterhuishouding van een boom.
Zie figuur B 1628 van de bijlage.
Het diagram in de afbeelding geeft de snelheid van de wateropname en van de waterafgifte door verdamping weer gedurende 24 uur bij een bepaalde boom.
Geef twee mogelijke oorzaken van de toename van de waterafgifte in de periode van 6.00 -14.00 uur.
afbeelding
2/2 De waterhuishouding van een boom.
Is de totale massa aan water in de boom om 6.00 uur kleiner dan, gelijk aan of groter dan die om 16.00 uur?
afbeelding
1/4 Bruinrot bij aardappelen.
Bruinrot is een zeer besmettelijke ziekte van de aardappelplant (Solanum tuberosum), die wordt veroorzaakt door een bacterie. Deze bacterie heeft waarschijnlijk bitterzoet (Solanum dulcamara) ook als waardplant. Deze plant heeft er geen last en ook geen voordeel van. Bitterzoet groeit onder andere langs slootkanten. Men vermoedt dat bitterzoet vooral bij warm weer een grote hoeveelheid sporen van de bacteriën afgeeft aan het slootwater. In het water groeien die sporen uit tot bacteriën.
Als de aardappelplanten besproeid worden met slootwater dat die bacteriën bevat, raken ze besmet. De knollen van de aardappelplant worden door de bacteriën ernstig aangetast, zodat de oogst waardeloos wordt.
Sommige boeren betwijfelen of bitterzoet wel echt de waardplant is. Een andere mogelijkheid is dat het de bittere wilg (Salix purpurea) is, die net als bitterzoet langs slootkanten groeit.
Het is waarschijnlijker dat ook bitterzoet een waardplant is voor de bruinrotbacterie en niet de bittere wilg.
Uit welk gegeven in de tekst is dat af te leiden?
2/4 Bruinrot bij aardappelen.
Bruinrot is een zeer besmettelijke ziekte van de aardappelplant (Solanum tuberosum), die wordt veroorzaakt door een bacterie. Deze bacterie heeft waarschijnlijk bitterzoet (Solanum dulcamara) ook als waardplant. Deze plant heeft er geen last en ook geen voordeel van. Bitterzoet groeit onder andere langs slootkanten. Men vermoedt dat bitterzoet vooral bij warm weer een grote hoeveelheid sporen van de bacteriën afgeeft aan het slootwater. In het water groeien die sporen uit tot bacteriën.
Als de aardappelplanten besproeid worden met slootwater dat die bacteriën bevat, raken ze besmet. De knollen van de aardappelplant worden door de bacteriën ernstig aangetast, zodat de oogst waardeloos wordt.
Sommige boeren betwijfelen of bitterzoet wel echt de waardplant is. Een andere mogelijkheid is dat het de bittere wilg (Salix purpurea) is, die net als bitterzoet langs slootkanten groeit.
Welke relatie is er tussen bitterzoet en de bacteriën?
En tussen de aardappelplant en de bacteriën?
afbeelding
3/4 Bruinrot bij aardappelen.
Bruinrot is een zeer besmettelijke ziekte van de aardappelplant (Solanum tuberosum), die wordt veroorzaakt door een bacterie. Deze bacterie heeft waarschijnlijk bitterzoet (Solanum dulcamara) ook als waardplant. Deze plant heeft er geen last en ook geen voordeel van. Bitterzoet groeit onder andere langs slootkanten. Men vermoedt dat bitterzoet vooral bij warm weer een grote hoeveelheid sporen van de bacteriën afgeeft aan het slootwater. In het water groeien die sporen uit tot bacteriën.
Als de aardappelplanten besproeid worden met slootwater dat die bacteriën bevat, raken ze besmet. De knollen van de aardappelplant worden door de bacteriën ernstig aangetast, zodat de oogst waardeloos wordt.
Sommige boeren betwijfelen of bitterzoet wel echt de waardplant is. Een andere mogelijkheid is dat het de bittere wilg (Salix purpurea) is, die net als bitterzoet langs slootkanten groeit.
Leg uit waardoor vooral bij warm weer bruinrotbacteriën zich snel kunnen vermeerderen in een aardappelplant.
4/4 Bruinrot bij aardappelen.
Bruinrot is een zeer besmettelijke ziekte van de aardappelplant (Solanum tuberosum), die wordt veroorzaakt door een bacterie. Deze bacterie heeft waarschijnlijk bitterzoet (Solanum dulcamara) ook als waardplant. Deze plant heeft er geen last en ook geen voordeel van. Bitterzoet groeit onder andere langs slootkanten. Men vermoedt dat bitterzoet vooral bij warm weer een grote hoeveelheid sporen van de bacteriën afgeeft aan het slootwater. In het water groeien die sporen uit tot bacteriën.
Als de aardappelplanten besproeid worden met slootwater dat die bacteriën bevat, raken ze besmet. De knollen van de aardappelplant worden door de bacteriën ernstig aangetast, zodat de oogst waardeloos wordt.
Sommige boeren betwijfelen of bitterzoet wel echt de waardplant is. Een andere mogelijkheid is dat het de bittere wilg (Salix purpurea) is, die net als bitterzoet langs slootkanten groeit.
Leg uit dat het voor de hand ligt dat het van de aardappelplant juist de knollen zijn die aangetast worden door de bacteriën.
1/2 Stofwisseling.
In organismen kunnen de volgende omzettingen voorkomen:
1. glucose wordt omgezet in alcohol en koolstofdioxide,
2. glucose wordt omgezet in koolstofdioxide en water,
3. koolstofdioxide en water worden omgezet in onder andere glucose.
Kiemende erwten bevinden zich gedurende enige dagen in een donkere, afgesloten pot. De zuurstof is uit deze pot verdwenen.
Welke van de genoemde omzettingen kan dan in de pot plaatsvinden?
2/2 Stofwisseling.
In organismen kunnen de volgende omzettingen voorkomen:
1. glucose wordt omgezet in alcohol en koolstofdioxide,
2. glucose wordt omgezet in koolstofdioxide en water,
3. koolstofdioxide en water worden omgezet in onder andere glucose.
Kiemende erwten bevinden zich gedurende enige dagen in een donkere, afgesloten pot. De zuurstof is uit deze pot verdwenen.
In een andere pot bevinden zich organismen waarin zowel omzetting 2 als omzetting 3 kan voorkomen.
Kunnen deze organismen amoeben, groenwieren of rupsen zijn?
1/5 Senecio jacobaea.
Veel planten maken stoffen die hen beschermen tegen vraat door insecten. Plantenalkaloïden zijn zulke stoffen. Bij het Jacobskruiskruid (Senecio jacobaea) blijkt het gehalte aan alkaloïden te variëren van 0% tot 1% van het drooggewicht. Deze verscheidenheid berust op verschillen in genotype. Een leerling verwachtte dat alle jacobskruiskruidplanten een hoog gehalte aan alkaloïden zouden hebben. Hij baseerde zijn verwachting op zijn kennis van erfelijkheid.
Noem de naam van het proces dat kan leiden tot uitsluitend jacobskruiskruidplanten met een hoog alkaloïdgehalte.