Assimilatie
Zetmeelvorming bij een plant.
De uitspraak dat zetmeelvorming bij een plant niet rechtstreeks van licht afhankelijk is, wordt bevestigd door de volgende waarneming:
Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.
20
Biologie
VO Kerndoel 31: Processen in de natuur
VWO 5, VWO 6
NVON
cc-by-sa-40
Zetmeelvorming bij een plant.
De uitspraak dat zetmeelvorming bij een plant niet rechtstreeks van licht afhankelijk is, wordt bevestigd door de volgende waarneming:
Fotosynthese-activiteit van een waterplant.
Door de hoeveelheid zuurstof te meten die uit een plant ontwijkt, kan men de fotosynthese-activiteit van een waterplant bepalen.
Men gebruikt deze methode vaak omdat zuurstof
Bij de fotosynthese vrijkomende zuurstof.
Is de bij de fotosynthese vrijkomende zuurstof afkomstig uit kooldioxide of uit water?
Is deze zuurstof bij de lichtreactie of de donkerreactie ontstaan?
afbeelding
De zuurstofafgifte en de zuurstofopname van een plant.
Zie figuur B 253 van de bijlage.
In het diagram zijn de zuurstofafgifte en de zuurstofopname van een bepaalde groene plant uitgezet tegen de verlichtingssterkte bij 20°C en bij 45°C.
Het zuurstofverbruik is bij 20°C en bij 45°C onafhankelijk van de verlichtingssterkte.
Is bij P de fotosynthese-intensiteit bij 20°C groter of kleiner dan die bij 45°C?
En de dissimilatie-intensiteit?
afbeelding
Een groene plant & radio-actief O2
.
Een groene plant staat in het licht. De omringende lucht bevat radio-actief O2
.
Welke door deze plant gevormde stof zal het eerst radio-actief zijn?
Een experiment met een draadwier.
Zie figuur B 1725 van de bijlage.
Men laat een kleurenspectrum vallen op een draadwier. De aanwezige bacteriën verdelen zich langs het draadwier, zoals aangegeven in de figuur.
Gezien de resultaten waren bij dit experiment betrokken
afbeelding
1/4 Wateronderzoek
Zie figuur B 1260 van de bijlage.
afbeelding
Een onderzoeker wil gegevens verzamelen over de fotosynthese in een meer van vier meter diep. Daartoe neemt hij watermonsters van de volgende plaatsen:
in traject P: diepte 0 - 1 m,
in traject 0: diepte 1 - 2 m,
in traject R: diepte 2 - 3 m,
in traject S: diepte 3 - 4 m.
Van ieder watermonster bepaalt hij de zuurstofconcentratie. Hij gebruikt hiervoor steeds een deel van elk watermonster. Hij beschouwt de verkregen meetgegevens als de gemiddelde zuurstofconcentraties van de gekozen trajecten. Met de rest van ieder watermonster vult hij steeds twee flessen tot de rand. Vervolgens sluit hij de flessen af. De wand van de ene fles van elk paar laat onbelemmerd licht door, de wand van de andere fles is ondoordringbaar voor licht.
Daarna maakt hij de flessen vast aan een drijver en laat ze in het meer zakken tot op de diepte waarop het monster dat erin zit, is genomen (zie de afbeelding).
Een etmaal later haalt hij de flessen op. Hij bepaalt opnieuw de zuurstofconcentraties. Op grond van de resultaten van bepalingen stelt hij de tabel hieronder samen.
afbeelding
Zie volgende scherm
2/4 Wateronderzoek
In welk of in welke van de trajecten P, Q, R en S in dit meer vindt fotosynthese plaats?
afbeelding
3/4 Wateronderzoek
Op een bepaald moment wordt een riolering aangelegd die loost op dit meer. Bij het afbreken van de organische afvalstoffen die door het riool worden aangevoerd, wordt zuurstof verbruikt. Hierdoor ontstaat het risico dat het zuurstofgehalte van het water van het meer daalt. Neem aan dat de intensiteit van de fotosynthese in het meer niet verandert door het aansluiten van het riool.
Uit de gegevens van de tabel hieronder is een schatting te maken van hoeveelheid zuurstof die per etmaal beschikbaar is om de verontreinigende stoffen af te breken zonder dat het zuurstofgehalte van het water van het meer daalt.
afbeelding
Bereken het aantal gram zuurstof dat hiervoor per etmaal maximaal beschikbaar is in een kolom water boven een vierkante meter van de bodem van dit meer.
4/4 Wateronderzoek
In dit meer leven organismen die als producenten te beschouwen zijn, op diepten groter dan 3 meter.
Tot welk rijk behoren deze organismen?
Tot het rijk van de [invulveld]
1/3 Vulkanen in de diepzee.
Tekst:
Op de bodem van de Stille Oceaan vinden vulkaanuitbarstingen plaats. Daarbij komen anorganische stoffen in het water. Op deze diepte dringt geen licht door. In organismen die hier leven, vindt koolstofassimilatie plaats met behulp van de energie die vrijkomt bij de omzetting van de vulkanische verbindingen.
Van deze organismen leven weer andere diepzeeorganismen en zo is een volledige koolstofkringloop mogelijk met onder andere organismen die dode resten afbreken.
Het is een eigenaardig idee, dat hier een compleet ecosysteem functioneert zonder zonlicht!
Organismen zijn naar hun functie in een ecosysteem in te delen in de groepen consumenten, producenten en reducenten.
Welke van deze groepen komt of welke komen in het beschreven ecosysteem voor?
2/3 Vulkanen in de diepzee.
Organismen zijn volgens de systematiek in te delen in vier rijken.
Tot welke van deze vier rijken behoren organismen die in staat zijn tot koolstofassimilatie in dit ecosysteem?
Tot het rijk van de [invulveld]
3/3 Vulkanen in de diepzee.
In deze diepzee vindt voortgezette assimilatie plaats op basis van de bij de koolstofassimilatie gevormde stoffen.
Bij de vulkaanuitbarstingen komen ook stikstof- en zwavelverbindingen vrij.
Vier typen verbindingen zijn: eiwitten, koolhydraten, nucleïnezuren en vetten.
Welke van deze typen verbindingen kan of welke kunnen niet ontstaan uit alleen de bij de koolstofassimilatie gevormde stoffen?
1/4 Vulkanen in de diepzee.
Tekst:
'Op de bodem van de Stille Oceaan vinden vulkaanuitbarstingen plaats. Daarbij komen anorganische stoffen in het water. Op deze diepte dringt geen licht door. In organismen die hier leven, vindt koolstofassimilatie plaats met behulp van de energie die vrijkomt bij de omzetting van de vulkanische verbindingen.
Van deze organismen leven weer andere diepzeeorganismen en zo is een volledige koolstofkringloop mogelijk met onder andere organismen die dode resten afbreken.
Het is een eigenaardig idee, dat hier een complete levensgemeenschap functioneert zonder zonlicht!'
Organismen zijn naar hun functie in een levensgemeenschap in te delen in de groepen autotrofe en heterotrofe organismen.
Welke van deze groepen komt of welke komen in de beschreven levensgemeenschap voor?
2/4 Vulkanen in de diepzee.
Organismen zijn volgens de systematiek in te delen in vier of vijf rijken.
Tot welk rijk behoren de organismen die in staat zijn tot koolstofassimilatie in deze levensgemeenschap wanneer we uitgaan van een vierrijkensysteem?
Tot het rijk van de [invulveld]
3/4 Vulkanen in de diepzee.
Tot welk rijk behoren de organismen die in staat zijn tot koolstofassimilatie in deze levensgemeenschap wanneer we uitgaan van een vijfrijkensysteem?
Tot het rijk van de [invulveld]
4/4 Vulkanen in de diepzee.
In deze diepzee vindt voortgezette assimilatie plaats op basis van de bij de koolstofassimilatie gevormde stoffen.
Bij de vulkaanuitbarstingen komen ook stikstof- en zwavelverbindingen vrij zodat daardoor onder andere vier typen verbindingen vrijkomen:
eiwitten, koolhydraten, nucleïnezuren en vetten.
Welke van de organismen (autotroof of heterotroof) kunnen deze verbindingen niet op bovenstaande wijze laten ontstaan uit alleen de bij de koolstofassimilatie gevormde stoffen?
Door de [invulveld] organismen
1/2 Fotosynthese en dissimilatie.
Zie figuur B 2389 van de bijlage.
Bij een plant is de zuurstofafgifte en -opname bij verschillende verlichtingssterkten gemeten. Eerst werden de metingen uitgevoerd bij een temperatuur van 15°C en daarna bij een temperatuur van 25°C. De resultaten zijn weergegeven in het diagram (zie de afbeelding.
Aangenomen wordt dat de verlichtingssterkte geen invloed heeft op de intensiteit van de dissimilatie.
Is bij verlichtingssterkte R de dissimilatiesnelheid bij 25°C kleiner dan die bij 15°C, gelijk aan die bij 15°C of groter dan die bij 15°C?
afbeelding
2/2 Fotosynthese en dissimilatie.
Bij welke van de verlichtingssterkten R en S is de fotosynthese-snelheid bij 25°C groter dan bij 15°C?
afbeelding
1/2 Stofwisseling.
Zie figuur B 3870 van de bijlage.
In de afbeelding is de uitwisseling van CO2
en van O2
tussen celonderdelen van een plantencel en de atmosfeer sterk vereenvoudigd weergegeven.
Drie processen zijn:
1. donkerreacties van de fotosynthese;
2. lichtreacties van de fotosynthese;
3. voortgezette assimilatie.
Zie figuur B 3871 van de bijlage.
Welke van deze processen wordt of welke worden in de afbeelding aangeduid met Y?
afbeelding
afbeelding