Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.
Aantal vragen
20
Vak(ken)
Biologie
Kerndoel(en)
VO Kerndoel 31: Processen in de natuur
Leerniveau(s)
VMBO theoretische leerweg, 4
Uitgever
NVON
Copyright
cc-by-sa-40
Ademhaling
Een voorwerp in de luchtpijp.
Wanneer bij iemand een voorwerp in de luchtpijp terecht is gekomen, kan men dit er soms uit krijgen door op de maagstreek te duwen. Hierdoor wordt lucht via de luchtpijp naar buiten geperst.
Dat is een gevolg van het feit dat
Ademhaling
Planten.
Een plant kan zuurstof opnemen uit de omgeving en koolstofdioxide afstaan aan de omgeving.
Hoe wordt dit proces genoemd?
Ademhaling
Trimmen. Zie figuur B 17 van de bijlage.
Een trimmer begint aan zijn dagelijks rondje hardlopen. Er zijn nu twee mogelijke factoren die invloed kunnen hebben op het aantal ademhalingsbewegingen (ademhalingsfrequentie) per minuut:
1. de hoeveelheid zuurstof in het bloed of 2. de hoeveelheid koolstofdioxide in het bloed.
Zie figuur B 17 van de bijlage.
In welke grafiek van de figuur is deze invloed goed weergegeven?
afbeelding
Ademhaling
Ademregeling.
Via een zenuw gaan impulsen naar het middenrif, waardoor een inademing ontstaat.
Is deze zenuw een gevoelszenuw of een bewegingszenuw? Gaat het middenrif dan omhoog of omlaag?
afbeelding
Ademhaling
Tabaksrook.
Tabaksrook bevat onder andere koolstofmonoxide, ook wel bekend als kolendamp. Een roker krijgt elke keer als hij een sigaret rookt een kleine hoeveelheid kolendamp binnen. Het blijkt dat koolstofmonoxide in het bloed op de plaats gaat zitten waar normaal zuurstof gebonden wordt. Het koolstofmonoxide gaat niet gemakkelijk van die plaats af.
Welk deel van het bloed van een roker bindt of welke delen binden koolstofmonoxide?
Ademhaling
Koolstofdioxide.
Bij de verbranding van glucose in de lichaamscellen van de mens ontstaat onder andere koolstofdioxide.
Deze koolstofdioxide verlaat het lichaam vooral via
Ademhaling
Vier muizen in een bak. Zie figuur B 381 van de bijlage.
Vier even grote muizen bevinden zich in afgesloten bakken met lucht. Muizen hebben energie nodig om hun lichaamstemperatuur constant te houden. De temperatuur in de bakken 1 en 3 is 5°C. De temperatuur in de bakken 2 en 4 is 20°C. De muizen in de bakken 1 en 2 slapen. De muis in de bak 3 is net zo actief als die in bak 4.
In welke bak neemt waarschijnlijk het zuurstofgehalte het snelst af?
afbeelding
Ademhaling
Ademhaling.
Een zittende volwassene blijkt 12 maal per minuut adem te halen. Onder drie verschillende omstandigheden heeft men geteld hoe vaak deze persoon ademhaalt:
in situatie 1 : 6 maal per minuut; in situatie 2 : 12 maal per minuut; in situatie 3 : 24 maal per minuut.
Welke omstandigheden horen bij deze situaties?
afbeelding
Ademhaling
Astma.
Bij een astma-aanval haalt een patiënt piepend adem. Dit wordt veroorzaakt door een vernauwing in een deel van de luchtwegen. De vernauwing is een reactie op prikkels uit de omgeving. Hieronder staan twee beweringen over gebeurtenissen tijdens een astma-aanval.
1. Tijdens een astma-aanval zijn de kringspieren in de kleine luchtwegen ontspannen. 2. Het verversen van de lucht in de longen gaat tijdens een astma-aanval slechter dan normaal.
Welke van deze beweringen is of welke zijn juist?
afbeelding
Ademhaling
Astma.
Bij een astma-aanval haalt een patiënt piepend adem. Het samentrekken van bepaalde spieren is er de oorzaak van, dat het verversen van de lucht in de longen bij een astmapatiënt veel moeizamer verloopt dan bij andere personen.
Welke spieren zijn dit?
Ademhaling
Hooikoorts.
Een hooikoortspatiënt is allergisch voor bepaalde deeltjes die in de lucht voor kunnen komen. In de lucht kunnen o.a. voor:
1. huidschilfertjes van dieren; 2. sporen van paddestoelen; 3. stuifmeelkorrels van grassen.
Voor welke van deze deeltjes is een hooikoortspatiënt speciaal allergisch?
Ademhaling
Hyperventilatie.
Bij iemand die een aanval van hyperventilatie heeft, versnelt de ademhaling. Ook gaat het hart sneller kloppen.
Heeft deze versnelling van de hartslag invloed op de bloeddruk?
Ademhaling
Invloed van roken.
Tabaksrook bevat schadelijke stoffen, zoals teer, nicotine en koolmonoxide. De teer in tabaksrook beschadigt onder andere de trilharen in de slijmvliezen. Nicotine is een giftige stof die het zenuwstelsel beïnvloedt. Van nicotine kun je afhankelijk worden. Koolmonoxide is een gas dat in het bloed wordt opgenomen. Hierdoor kan het bloed minder zuurstof opnemen.
In de tabel hieronder staan drie schadelijke gevolgen van roken genoemd. afbeelding Geef hieronder met ja of nee aan welke stof volgens de tekst elk gevolg vooral veroorzaakt.
Ademhalingsproblemen. Zie figuur B 3375 van de bijlage.
De vertakkingen van bronchiën worden luchtpijptakjes genoemd. De wand van een luchtpijptakje bestaat uit twee soorten cellen: slijmbekercellen en dekweefselcellen. Door een ontsteking kunnen in de luchtpijptakjes veranderingen ontstaan. Dit is in de afbeelding voor de luchtpijptakjes van een paard weergegeven. In de afbeelding is te zien dat door de ontsteking het aantal dekweefselcellen toeneemt.
Noem nog een verandering die in een ontstoken luchtpijptakje optreedt.
afbeelding
Ademhaling
1/2 Uitademing meten. Zie figuur B 4417 van de bijlage.
Bij een onderzoek naar de conditie van een aantal leerlingen wordt gemeten hoeveel lucht ze kunnen uitademen. Hierbij wordt gebruik gemaakt van een spirometer.
Zie figuur B 4418 van de bijlage.
Het diagram geeft de hoeveelheid lucht in de longen van Thomas weer gedurende een bepaalde tijd. In die tijd ademt hij eenmaal zo diep mogelijk uit door de spirometer.
Welke letter in het diagram geeft een tijdstip aan waarop Thomas zo diep mogelijk uitademt?
afbeeldingafbeelding
Ademhaling
2/2 Uitademing meten.
De samenstelling van de uitgeademde lucht wordt vergeleken met die van de ingeademde lucht.
Bevat de uitgeademde lucht meer of minder koolstofdioxide dan de ingeademde lucht, of is dat evenveel?
Ademhaling
1/2 Zuurstofopname.
Het bloed neemt zuurstof op uit de lucht die je inademt. Zuurstof is nodig voor de verbranding. Hieronder is de verbranding in een schema weergegeven.
(P) + zuurstof ® (Q) + water (+ energie)
Wat moet bij P en bij Q ingevuld worden om het schema volledig te maken?
P = [invulveld] Q = [invulveld]
Ademhaling
2/2 Zuurstofopname. Zie figuur B 4407 van de bijlage.
Voordat zuurstof wordt opgenomen, passeert de ingeademde lucht een aantal delen van het ademhalingsstelsel. In de afbeelding zijn enkele delen van het ademhalingsstelsel met een letter aangegeven.
Hoe heet het deel dat is aangegeven met de letter R? En hoe heet het deel dat is aangegeven met de letter S?
R = [invulveld] S = [invulveld]
afbeelding
Ademhaling
1/3 Tracheotomie. Zie figuur A 968 van de bijlage.
Een tracheotomie is een operatie waarbij een opening in de voorkant van de luchtpijp wordt gemaakt. Dit gebeurt door een snee te maken in de huid van de hals tussen het strottenhoofd en het borstbeen. Door de opening wordt, meestal tijdelijk, een buisje aangebracht tot in de luchtpijp, een zogenaamde canule (zie de afbeelding). Een tracheotomie wordt uitgevoerd bij iemand die door een vernauwing in de luchtpijp bijna niet meer kan ademhalen. Na de operatie kan de patiënt door de canule in- en uitademen. Twee groepen spieren die betrokken zijn bij de ademhaling zijn de buikspieren en de middenrifspieren.
Stroomt er lucht via de canule de luchtpijp binnen door het samentrekken van deze spieren?
afbeelding
Ademhaling
2/3 Tracheotomie.
Soms kan een patiënt na een tracheotomie niet goed zelf eten. Er wordt dan vloeibare voeding toegediend door een slangetje via de neus en de slokdarm.
Welke letter in de afbeelding geeft een plaats aan waar zo'n slangetje zich dan bevindt?