Plantenanatomie
Kurklaagjes.
In de buitenste laag (korst) van de stam van de Grove Den kunnen vele laagjes kurk worden aangetroffen.
Er worden telkens nieuwe laagjes kurk gevormd, omdat de oude kurklaagjes
Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.
20
Biologie
VO Kerndoel 31: Processen in de natuur
VWO 5, VWO 6
NVON
cc-by-sa-40
Kurklaagjes.
In de buitenste laag (korst) van de stam van de Grove Den kunnen vele laagjes kurk worden aangetroffen.
Er worden telkens nieuwe laagjes kurk gevormd, omdat de oude kurklaagjes
Verschillende bladtypen.
Bij planten uit woestijngebieden en planten uit de ondergroei van tropische regenwouden is het volgende geconstateerd:
1. ongeveer 700 huidmondjes per mm2
;
2. ongeveer 300 huidmondjes per mm2
;
3. kleine, dikke bladeren;
4. grote, dunne bladeren.
Welke eigenschappen zijn bij woestijnplanten te verwachten?
Planten uit verschillende milieu's.
Bij meerjarige planten uit woestijngebieden en planten uit de ondergroei van tropische regenwouden is het volgende geconstateerd:
1. ongeveer 700 huidmondjes per mm2
;
2. ongeveer 300 huidmondjes per mm2
;
3. een in de breedte ontwikkeld wortelstelsel;
4. een in de diepte ontwikkeld wortelstelsel;
5. kleine, dikke bladeren;
6. grote, dunne bladeren.
Welke combinaties zijn het meest waarschijnlijk bij
afbeelding
Aanwezigheid van huidmondjes.
Bij kruidachtige zaadplanten, die op het land groeien, komen huidmondjes voor in de opperhuid van
Huidmondje.
Zie figuur B 262 van de bijlage.
Hoe verandert de wanddruk van een sluitcel (zie tekening) als de opening van het huidmondje nauwer wordt en hoe verandert de dikte (de afstand P - Q)?
afbeelding
afbeelding
Wortelgroei.
Een bepaalde meerjarige plant heeft slechts één hoofdwortel, die recht naar beneden groeit. Op een bepaald moment bevinden zich hieraan de wortelharen op 25 cm diepte.
Op hetzelfde moment bevindt zich een litteken aan deze wortel op 5 cm diepte.
Een jaar later bevindt zich het aardoppervlak nog op dezelfde hoogte.
Op welke diepte bevinden zich na dit jaar de wortelharen?
En op welke diepte bevindt zich dan het litteken?
afbeelding
Stengeldoorsneden.
Zie de figuren B 1515 en B 1516 van de bijlage
In de afbeelding zijn een deel van een dwarsdoorsnede van de stengel van plant E en een deel van een dwarsdoorsnede van de stengel van plant F weergegeven.
In afbeelding B 1516 is een deel van een lengtedoorsnede van een stengel van plant G weergegeven. In deze doorsnede zijn de weefseltypen P, Q, R en S te onderscheiden.
Welk van de weefseltypen van de afbeelding B 1516 komt wel voor in de stengeldoorsnede van plant E, maar niet in de stengeldoorsnede van plant F?
afbeelding
afbeelding
Hangende takken van treurwilg.
Zie figuur B 2502 van de bijlage.
Kenmerkend voor treurwilgen zijn de hangende takken.
Wat kan hiervan de oorzaak zijn?
afbeelding
Stevigheid houtvaten.
De celwanden van houtvaten zijn meestal door verdikkingen verstevigd.
Welk voordeel heeft de plant van deze verstevigingen?
Stevigheid.
Welke van de stoffen cellulose, houtstof en pectine kan of welke kunnen aan de stevigheid van een blad van een plant bijdragen?
Een blad.
Zie figuur B 1687 van de bijlage.
In de afbeelding is een dwarsdoorsnede van een deel van een blad van een plant getekend.
Drie delen zijn aangegeven met 1, 2 en 3. Over de delen 1, 2 en 3 worden de volgende beweringen gedaan:
1. de stevigheid van de delen bij 1 ontstaat door de aanwezigheid van cellulose en houtstof in de celwanden;
2. het deel dat met 2 is aangegeven, verkrijgt stevigheid door turgor;
3. het openen en sluiten van de opening tussen de cellen bij 3 berust op veranderingen van turgor in deze cellen.
Welke van deze beweringen is of welke zijn juist?
afbeelding
Deel van boomtak.
Zie figuur A 233 van de bijlage.
In de afbeelding is schematisch een deel van een tak weergegeven. Vier plaatsen zijn aangegeven met de cijfers 1, 2, 3 en 4.
Op welke van de plaatsen 1, 2 en 3 bevinden zich bladgroenkorrels?
afbeelding
Lengtedoorsnede stengel.
Zie figuur B 286 van de bijlage.
De tekening stelt een lengtedoorsnede voor van een deel van de stengel van een zaadplant.
Welk cijfer verwijst naar het cambium?
afbeelding
Wortel van zaadplant.
Zie figuur A 65 van de bijlage.
Tekening 1 geeft een dwarsdoorsnede van een wortel van een zaadplant weer.
Het omlijnde deel hiervan is in tekening 2 schematisch en vergroot weergegeven.
De celwanden zijn in deze tekening zwart gekleurd. in de tekening staan vier pijlen,
Welke pijl kan de verplaatsing van een ion door actief transport weergeven?
afbeelding
Transport van glucose in stengel.
Zie figuur B 1716 van de bijlage.
In de figuur staat een tekening van een gedeelte van een dwarsdoorsnede door een stengel.
Het transport van glucose naar het centrum van het merg vindt plaats
afbeelding
Voorjaarshout.
Uit een knop ontstaat in het voorjaar een takje.
Waar in het takje bevindt zich in de eerstvolgende winter het door het cambium gevormde voorjaarshout?
Bouw van bast- en houtvaten.
Komen dwarswanden voor in bastvaten en/of houtvaten?
Komt cytoplasma voor in functionerende bastvaten en/of houtvaten?
afbeelding
Doorsneden van organen van planten.
Zie figuur B 617 van de bijlage.
Figuur P en figuur Q stellen dwarsdoorsneden van twee organen van een plant voor. Figuur R stelt een lengtedoorsnede van enkele vaten voor.
In welke van de aangegeven delen kunnen de in figuur R weergegeven vaten worden aangetroffen?
afbeelding
Doorsnede vaatbundel.
Zie figuur B 249 van de bijlage.
De doorsnede stelt een vaatbundel in een boom voor.
Is dit een dwars- of een lengtedoorsnede?
Komt deze vaatbundel voor in een blad of in een tweejarige tak?
afbeelding
Bladnerven.
Bladnerven ontstaan als aftakkingen van vaatbundels in de stengel.
Bevat de bovenkant van een volgroeide nerf houtvaten of bastvaten?
Bevatten deze vaten cytoplasma?
De bovenkant van een volgroeide nerf bevat