Oefentoets Biologie: Celleer | HAVO 4/HAVO 5 | variant 1

Deze oefentoets bevat 46 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

46

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

HAVO 4, HAVO 5

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Celleer

Bouw plantencel.

Wat zijn stippels?

Celleer

Functie celwand.

Behalve dat de celwand de inhoud van de cel beschermt tegen de omgeving, zorgt hij er ook voor dat

Celleer

Celwanden.

Welke cellen hebben celwanden?

Celleer

Plantaardige cellen.

Op de grens tussen twee volgroeide plantencellen kunnen verschillende lagen worden onderscheiden:

1. celmembraan;
2. eerst gevormde (primaire) celwand;
3. na strekking gevormde (secundaire) celwand.

In welke volgorde bevinden zich deze lagen tussen het cytoplasma van de ene plantencel en het cytoplasma van de aangrenzende cel?

Celleer

Celkern.

Wat gebeurt er als uit een cel de kern wordt verwijderd?

Celleer

Relatie tussen cel en organisme.

De cel wordt in zijn organisatiestructuur weleens vergeleken met een organisme als bijv. een mens.

In welk opzicht gaat deze vergelijking niet op?

Celleer

Celkern.

Aan een aantal cellen in een voedingsbodem wordt behalve de benodigde voedingsstoffen een stof toegevoegd die de werking van de kern in belangrijke mate vertraagt.

Dit zal tot gevolg hebben dat

Celleer

Kern.

Hoe zou men het beste kunnen aantonen dat een kern noodzakelijk zijn voor het leven van een cel?

Celleer

Een groenwiertje.
Zie figuur B 2 van de bijlage.

In de figuur is een amoebe getekend die een groenwiertje insluit.

Welke van de genoemde stoffen maakt of maken deel uit van de laag die met P is aangegeven?

afbeeldingafbeelding

Celleer

Biologisch membraan.

Elk biologisch membraan bestaat uit

Celleer

Transport van stoffen.

Vier voorbeelden van transport van stoffen in organismen zijn:

1. transport van uit de bodem opgenomen water naar het cytoplasma van de wortelcellen van een plant,
2. transport van uit de bodem opgenomen zouten naar het cytoplasma van de bladcellen van een plant,
3. transport van zuurstof uit de lucht in de longen naar het bloed van de mens,
4. transport van glucose uit de darminhoud naar het cytoplasma van de darmwandcellen bij de mens.

In welk of in welke van deze voorbeelden is er sprake van actief transport?

Celleer

Een celmembraan.
Zie figuur B 2621 van de bijlage.

In de afbeelding is een celmembraan schematisch getekend. Enkele delen zijn genummerd.

Welke van de genummerde delen geven eiwitten aan?

afbeeldingafbeelding

Celleer

Plantaardige cel.
Zie figuur B 1360 van de bijlage.

In de afbeelding is een plantaardige cel schematisch getekend.

Met welk nummers is een membraan aangegeven?

afbeeldingafbeelding

Celleer

Foto celorganel.
Zie figuur A 4 van de bijlage.

Welk organel is afgebeeld?

afbeeldingafbeelding

Celleer

Ribosomen.

Ribosomen liggen

Celleer

Endoplasmatisch reticulum.

In welke cellen vind je het meeste endoplasmatisch reticulum?

Celleer

Organellen in dierlijke cel.

Welke combinatie van organellen komt nooit in een dierlijke cel?

Celleer

Enzymen in mitochondrium.

Op de membranen van een mitochondrium bevinden zich enzymen, die betrokken zijn bij:

Celleer

Een plantencel.
Zie figuur A 297 van de bijlage.

In de afbeelding is schematisch een plantencel weergegeven. De in de cel aanwezige onderdelen zijn niet alle op dezelfde schaal getekend. Een van deze organellen is met P aangegeven.
Over organel P wordt een aantal beweringen gedaan:

1. In P vindt aërobe dissimilatie plaats.
2. In P vindt anaërobe dissimilatie plaats.
3. In P bevinden zich enzymen die een rol spelen bij de fotosynthese.
4. In P bevinden zich pigmenten die een rol spelen bij de fotosynthese.

Welke van deze beweringen is of zijn juist?

afbeeldingafbeelding

Celleer

Organellen.

Een onderzoeker bekijkt een preparaat van een cel met behulp van een elektronenmicroscoop bij een vergroting van 5000x. Hij ziet onder andere de volgende organellen:

1. endoplasmatisch reticulum,
2. mitochondrium,
3. plastiden.

Op grond van de aanwezigheid van welk of welke van deze organellen kan hij met zekerheid zeggen dat hij een plantencel bekijkt?

Celleer

Organellen.
Zie figuur B 1265 van de bijlage.

In de afbeelding is een elektronenmicroscopische foto weergegeven van een deel van een cel van een dier.
Met P wordt een bepaald type organel aangegeven.
Over het type organel dat met P is aangegeven, worden twee beweringen gedaan:

I. Dit type organel komt niet voor bij planten met bladgroen.
II. Dit type organel komt bij dieren voor in alle lichaamscellen.

afbeeldingafbeelding

Celleer

Een plantencel.
Zie figuur A 297 van de bijlage.

In de afbeelding is schematisch een plantencel weergegeven. De in de cel aanwezige onderdelen zijn niet alle op dezelfde schaal getekend. Eén van de organellen is met P aangegeven.
Over organel P wordt een aantal beweringen gedaan :

1. In P vindt verbranding plaats.
2. In P bevinden zich enzymen die een rol spelen bij de fotosynthese.
3. In P bevinden zich pigmenten die een rol spelen bij de fotosynthese.

Welke van deze beweringen is of welke zijn juist?

afbeeldingafbeelding

Celleer

Een mitochondrium.
Zie figuur A 51 van de bijlage.

De foto geeft een gedeelte van een cel weer.

Met welk cijfer is een mitochondrium aangegeven?

afbeeldingafbeelding

Celleer

Cellen.
Zie figuur B 2115 van de bijlage.

De afbeelding stelt schematisch een cel van een plant voor. In de afbeelding is een aantal verschillende structuren met een cijfer aangegeven.
Voor planten en dieren gelden de volgende definities:

- Planten zijn autotroof, hebben cellen van 10-100 µm groot met een celkern; om elke cel bevindt zich een celwand.
- Dieren zijn heterotroof, hebben cellen van 10-100 µm groot met een celkern; om de cellen bevinden zich geen celwanden.

Welke van de in de afbeelding genummerde structuren kunnen ook in weefsel van de mens voorkomen?

afbeeldingafbeelding

Celleer

Plastiden.

De plastiden die voorkomen in peentjes zijn

Celleer

Vergelijken van cellen.

Bestudering van twee verschillende cellen (1 en 2) van dezelfde plant leert, dat cel 1 over een groot aantal groene korrels in het celplasma beschikt. Cel 2 bezit deze korrels niet.

Uit deze gegevens kan men afleiden, dat

Celleer

Plastiden.

Als een deel van een groeiende aardappel boven de grond uitkomt, kleurt dit deel groen.

Welke verandering in de plastiden is hiervan de oorzaak?

Celleer

Kleurverandering.

Als een rozenbottel rijp wordt, verandert de kleur van groen naar rood.

Welke verandering in de plastiden is hiervan de oorzaak?

Celleer

Verandering bloemkleur.

Bij een vergeet-mij-nietje zijn de bloemen eerst roze, daarna blauw.

Wat kun je hieruit afleiden over het verloop van de zuurgraad in de bloemen en waar bevindt zich de kleurstof?

afbeeldingafbeelding

Celleer

Grote vacuole.

Een grote centrale vacuole

Celleer

Anthocyaan in rode kool.

In cellen van de rode kool komt anthocyaan voor. De kleur van anthocyaan is:

- rood bij pH < 7
- paars bij pH = 7
- blauw bij pH > 7.

Wanneer men rode kool kookt, zal de kleur veelal wat paarsachtig zijn. Kookt men de kool samen met stukjes appel, dan wordt de kleur wat roder.

Wat bevat een appel waardoor de kleur van de kool roder wordt?

Celleer

Verandering bloemkleur.

Bij een vergeet-mij-nietje zijn de bloemen eerst roze, daarna blauw.

Wat kun je hieruit afleiden over het verloop van de pH in de bloemen en waar bevindt zich de kleurstof?

afbeeldingafbeelding

Celleer

Bladgroenkorrels.

Welke cellen van een blad van een plant met bladgroen bevatten bladgroenkorrels?

Celleer

Endoplasmatisch reticulum.

Het endoplasmatisch reticulum speelt in cellen hoofdzakelijk een rol bij

Celleer

Erwtenplanten.
Zie figuur B 1584 van de bijlage.

In de afbeelding geeft tekening 1 een deel van een bloeiende erwtenplant weer. Tekening 2 geeft een bloem van deze plant weer en tekening 3 twee zaden. Sommige zaden van deze erwtenplant zijn rond, andere hoekig.
Tekening 4 geeft de wortels van deze erwtenplant weer. In tekening 5 is een organel uit een cel van de erwtenplant schematisch weergegeven.

In welke van de in de tekeningen 2, 3 en 4 weergegeven delen van de erwtenplant komen dergelijke organellen voor?

Alleen in het deel/de delen, weergegeven in:

afbeeldingafbeelding

Celleer

Afweer tegen ziekteverwekkers.

In het bloed van de mens komen bepaalde witte bloedcellen voor, de B-lymfocyten. Deze B-lymfocyten spelen een belangrijke rol bij de bestrijding van ziekteverwekkers. Hecht zich een antigeen aan een B-lymfocyt, dan begint deze lymfocyt te groeien en zich te delen. Uit deze lymfocyt ontstaan dan na enkele dagen talrijke cellen die beginnen met de productie en afscheiding van antistoffen. Deze B-lymfocyten worden dan actieve lymfocyten genoemd. Als de ziekteverwekker afdoende bestreden is, verdwijnen de meeste actieve lymfocyten.
Een aantal blijft in leven en maakt een rustfase door. Deze lymfocyten worden dan geheugencellen genoemd.
Zodra een geheugencel in aanraking komt met eenzelfde ziekteverwekker, wordt hij sneller dan bij de eerste infectie geactiveerd.
In het elektronenmicroscopische beeld zijn actieve lymfocyten duidelijk te onderscheiden van geheugencellen.
In verband met de productie van antistoffen zijn in de actieve lymfocyten bepaalde organellen uitgebreider of in grotere aantallen aanwezig.

Welke organellen zijn dit?

Celleer

Papier.

Cellulose is het belangrijkste bestanddeel van papier. Cellulose wordt uit algen gewonnen.

Uit welk deel of welke delen?

Celleer

Een amoebe.
Zie figuur B 2 van de bijlage.

In de afbeelding is een amoebe getekend die een groenwiertje insluit.

Welke van de stoffen cellulose, chitine, eiwitten en vetten maakt of welke maken deel uit van de laag die met P is aangegeven?

afbeeldingafbeelding

Celleer

Langer plezier van nieuwe rozen.

Verschillende soorten snijbloemen hebben een verschillende houdbaarheid. Veel snijrozen verwelken al wanneer ze pas een paar dagen in de vaas staan. Dit gebeurt doordat de vaten in de stengels, terwijl ze in het water staan, verstopt raken met uitscheidingsproducten van bacteriën. Hierdoor wordt het watertransport belemmerd.
In de toekomst wordt het toevoegen van bacteriedodende stoffen misschien overbodig. Er wordt onderzoek gedaan om bij rozen via genetische manipulatie 'genen met een antibacteriële werking' in te bouwen. De aandacht richt zich daarbij vooral op bepaalde eiwitten, die cecropines worden genoemd.

Na een geslaagde genetische manipulatie worden in de plant cecropines gemaakt.

Waar in een plantencel gebeurt dit?

Celleer

Slapen en geheugen.

Tijdens de diepe slaap worden eiwitten in zenuwcellen aangemaakt. De concentratie van het groeihormoon in het bloed is verhoogd. Dit is belangrijk voor de vorming van nieuwe verbindingen tussen zenuwcellen in de hersenen en om bestaande verbindingen tussen zenuwcellen te versterken. Dit proces wordt in gang gezet tijdens de diepe slaap en wordt afgemaakt tijdens de laatste REM-slaap.

Welk organel zorgt of welke organellen zorgen voor transport van deze eiwitten in een zenuwcel?

Celleer

4/6 Botox.

Door de Amerikaanse onderzoeker Swaminathan is de structuur van het botulinemolecuul onderzocht. Hij bracht een verandering aan in het gen voor het botuline. Hij ontdekte dat door de verandering van slechts één aminozuur in het botuline, er een niet giftig product ontstaat. De op deze manier geproduceerde stof geeft niet alleen inzicht in de werking van het botuline, maar kan misschien ook gebruikt worden in de bestrijding van botulisme; een ziekte die bij waterdieren optreedt als zij het botuline binnenkrijgen.

Om de verandering aan te brengen moet eerst het oorspronkelijke botuline-gen geïsoleerd worden uit de bacterie.

Waar in deze bacterie is dit gen aan te treffen?