Oefentoets Biologie: Ordening - algemeen | VMBO theoretische leerweg, 3/VMBO theoretische leerweg, 4

Deze oefentoets bevat 38 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

38

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VMBO theoretische leerweg, 3, VMBO theoretische leerweg, 4

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Ordening

Zoogdier en insect.
Zie figuur B 930 van de bijlage.

De tekeningen stellen voor schematisch weergegeven pootgewrichten van een zoogdier en een insect. De spieren zijn aangegeven met de nummers 1 t/m 4.

Welke spier moet zich samentrekken om de poten te strekken?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Ordening

Symmetrie.

Welke dieren staan bij de juiste symmetrie?

afbeeldingafbeelding

Ordening

Ordening.

Komen in bacteriën bladgroenkorrels voor?
En in dieren?

Ordening

Ordening.

Hieronder volgen twee beweringen:

I. Schimmels hebben bladgroen,
II. Planten met bladgroen zijn autotroof.

Ordening

Ordening.

Komen in bacteriën bladgroenkorrels voor?
En in dieren?

Ordening

Soorten dieren.
Zie figuur B 1550 van de bijlage.

Van twee even grote gebieden worden de aantallen soorten kleine dieren, zoals insecten en kleine zoogdieren, met elkaar vergeleken. In de afbeelding is weergegeven op welke manier de gebieden gebruikt worden voor het
verbouwen van gewassen.

Is er verschil in het aantal soorten kleine dieren tussen deze twee gebieden?
Zo ja, in welk gebied is het aantal soorten kleine dieren dan het grootst?

afbeeldingafbeelding

Ordening

Ordening.
Zie figuur B 3032 van de bijlage.

Hieronder staan enkele kenmerken die voorkomen bij organismen.

1. Elke cel heeft een celkern.
2. Elke cel is omgeven door een celwand.
3. Voortplanting vindt plaats door sporen.

Welke van deze kenmerken komt of welke komen voor bij een champignon (zie de afbeelding)?

afbeeldingafbeelding

Ordening

1/5 Een aantal dieren.
Zie figuur B 1964 van de bijlage.

De afbeelding geeft een aantal dieren weer. Hoewel ze ongeveer even groot zijn getekend, verschillen de dieren in werkelijkheid sterk in grootte.

Welk dier uit de afbeelding is een amfibie?

afbeeldingafbeelding

Ordening

2/5 Een aantal dieren.

In welk milieu kun je geleedpotigen aantreffen?

Ordening

3/5 Een aantal dieren.
Zie figuur B 1964 van de bijlage.

Welk van deze dieren is een weekdier?

afbeeldingafbeelding

Ordening

4/5 Een aantal dieren.

Welke dieren uit de afbeelding behoren tot de lagere dieren?

afbeeldingafbeelding

Ordening

5/5 Een aantal dieren.

Welk van deze dieren is een gewerveld dier?

afbeeldingafbeelding

Ordening

Ordening:9 x ja of nee?
Zie de figuren B 3068 en B 3067 van de bijlage.

1. Komen in bacteriën bladgroenkorrels voor? [invulveld]

2. In een park komen eenden en merels voor. Kunnen deze vogels één populatie vormen? [invulveld]

3. Bacteriën kunnen voedselbederf veroorzaken. Kunnen insecten dat ook? [invulveld]

4. Is de huid van amfibieën met een lederhuid bedekt? [invulveld]

5. Als een ezel door een paard wordt gedekt, wordt een muilezel geboren. Mannelijke muilezels zijn onvruchtbaar.

Behoren een ezel en een paard tot dezelfde soort? [invulveld]

7. In de afbeelding B 3068 is een zeepaardje getekend. Zeepaardjes leven in zee. Ze bezitten vinnen en halen alleen adem door middel van kieuwen. Behoort een zeepaardje tot de amfibieën? [invulveld]

8. In de afbeelding B 3067 is een kaaiman (een soort krokodil) getekend. Haalt een kaaiman adem door middel van kieuwen? [invulveld]

9. Plant een kaaiman zich voort door eieren? [invulveld]



-

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Ordening

Ordening: 8 x ja of nee?
Zie figuur B 3072 van de bijlage.
1. De afbeelding B 3073 is een tekening van een microscopisch preparaat. Kan de afbeelding een deel van een schimmel voorstellen? [invulveld]

2. Een poedel wordt gedekt door een herdershond. De poedel krijgt drie jongen. Deze jongen krijgen op hun beurt nakomelingen. Behoren de poedel en de herdershond tot één soort? [invulveld]

3. Sommige soorten bacteriën kunnen een kapsel vormen. Kapselvorming treedt op in vochtige omstandigheden. [invulveld]

4. De huid van vissen is alleen met slijm bedekt. [invulveld]

5. In een bos kun je soorten organismen en populaties van organismen onderscheiden. Kan het aantal soorten kleiner zijn dan het aantal populaties? [invulveld]

6. In de afbeelding B 3072 is een vleermuis getekend. Vleermuizen brengen een deel van hun leven in de lucht door. Plant een vleermuis zich levendbarend voort? [invulveld]

7. Is een vleermuis warmbloedig? [invulveld]

8. Zie figuur B 3069 van de bijlage.

In de afbeelding is een dolfijn getekend. Dolfijnen leven in zee. Ze halen adem met longen. Ze hebben een constante lichaamstemperatuur. Behoort een dolfijn tot de vissen? [invulveld]

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Ordening

Juist of onjuist?

1. Het aantal populaties in een duinlandschap kan groter zijn dan het aantal soorten in dat landschap. [invulveld]

2. Bacteriën voeden zich met de resten van dode organismen. [invulveld]

3. Een schimmel bestaat altijd uit één cel. [invulveld]

4. Bij de bereiding van brood worden schimmels gebruikt. [invulveld]

5. Zwemmerseczeem wordt veroorzaakt door bacteriën. [invulveld]

6. Bij varens komen orgaantjes voor die sporen vormen. [invulveld]

7. Bij bedektzadigen komen vruchten voor. [invulveld]

8. Geleedpotigen hebben een uitwendig skelet van chitine. [invulveld]

9. Weekdieren kun je alleen op het land aantreffen. [invulveld]

10. Zie figuur B 3066 van de bijlage.

Het dier van de afbeelding behoort tot de insecten. [invulveld]

afbeeldingafbeelding

Ordening

Juist of onjuist?

1. Alle insecten in een bos vormen één populatie. [invulveld]

2. Een bacterie bestaat altijd uit één cel. [invulveld]

3. Het antibioticum penicilline wordt gemaakt van bacteriën. [invulveld]

4. Oorontsteking wordt veroorzaakt door een schimmel. [invulveld]

5. Schimmels zijn nuttig als opruimers van dode resten in de natuur. [invulveld]

6. Bij paardenstaarten komen sporevormende orgaantjes voor. [invulveld]

7. Zie figuur B 3070 van de bijlage.

Het in de afbeelding weergegeven orgaan komt voor bij bedektzadigen. [invulveld]

8. Bij weekdieren is groei alleen mogelijk tijdens vervellingen. [invulveld]

9. Geleedpotigen kun je alleen in de lucht aantreffen. [invulveld]

10. Zie figuur B 3031 van de bijlage.

Het dier van afbeelding behoort tot de spinachtigen. [invulveld]

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Ordening

Ordening: 8 invulvragen.
Zie figuur C 317 van de bijlage

Beantwoord de volgende vragen door het nummer van het (de) gevraagde hokje(s) in te vullen.
afbeeldingafbeelding
1. Bij welke twee afdelingen zijn de dieren niet-symmetrisch? [invulveld] en [invulveld]

2. Bij welke afdeling hebben de dieren een inwendig skelet van harde naalden van kalk, kiezel of hoornstof? [invulveld]

3. Bij welke afdeling is groei alleen mogelijk tijdens vervellingen. [invulveld]

4. In de afbeelding C 371 zijn vijf dieren getekend. Tot welke afdeling behoort dier 1? [invulveld]

5. Tot welke afdeling behoort dier 2? [invulveld]

6. Tot welke afdeling behoort dier 3? [invulveld]

7. Tot welke afdeling behoort dier 4? [invulveld]

8. Tot welke afdeling behoort dier 5? [invulveld]

afbeeldingafbeelding

Ordening

Ordening: 8 invulvragen.
Zie figuur C 345 van de bijlage.

Beantwoord de volgende vragen door het nummer van het (de) gevraagde hokje(s) in te vullen.
afbeeldingafbeelding

1. Bij welke twee afdelingen zijn de dieren veelzijdig symmetrisch? [invulveld] en [invulveld]

2. Bij welke afdeling hebben de dieren meestal een schelp als skelet? [invulveld]

3. Bij welke afdeling hebben sommige dieren een skelet van chitine? [invulveld]

4. In de afbeelding C 345 zijn vijf dieren getekend. Tot welke afdeling behoort dier 1? [invulveld]

5. Tot welke afdeling behoort dier 2? [invulveld]

6. Tot welke afdeling behoort dier 3? [invulveld]

7. Tot welke afdeling behoort dier 4? [invulveld]

8. Tot welke afdeling behoort dier 5? [invulveld]

afbeeldingafbeelding

Ordening

Een vertakkingsschema.
Zie figuur C 66 van de bijlage.

Gegeven is een deel van het vertakkingsschema (boomdiagram) van de organismen. Enkele rijken, afdelingen en groepen zijn vervangen door nummers.

Noteer de namen van de rijken, afdelingen en groepen.

afbeeldingafbeelding

Ordening

Nederlandse planten.

Planten en dieren hebben soortnamen. Niet elke naam waarmee een plant of dier wordt aangeduid, is een soortnaam. Zo is "gras" geen soortnaam, "Engels raaigras" wel.

Noem de Nederlandse soortnaam van een loofboom, van een eenjarige plant (geen kamerplant) en van een schimmel die alle in Nederland voorkomen.

Doe het zo:

loofboom:
éénjarige plant:
schimmel:

Ordening

1/3 Champignons.
Zie figuur B 2160 van de bijlage.

In afbeelding staat een champignon getekend.
Veel mensen eten champignons. Deze paddestoelen worden daartoe in grote aantallen gekweekt. De champignons groeien in bakken die gevuld zijn met compost, afgedekt met een laagje aarde. De bakken staan in het donker.

Halen champignons uit de compost met aarde organische stoffen voor hun groei?
En mineralen (= voedingszouten)?

afbeeldingafbeelding

Ordening

2/3 Champignons.

Een bekende groente is sla.

Kan glucose voorkomen in een champignon?
En in een krop sla?

Ordening

3/3 Champignons.

Delen van cellen zijn bladgroenkorrel, celmembraan en celplasma.

Welke van deze delen komt of komen voor in een cel van een champignon?

Ordening

1/5 Schimmels.
Zie figuur B 4581 van de bijlage.

Schimmels komen overal op de wereld voor. Wetenschappers denken dat er 1.500.000 verschillende soorten schimmels bestaan. Daarvan is maar een klein deel door hen beschreven (zie de afbeelding).

Hoeveel procent van de verschillende soorten schimmels is beschreven?

afbeeldingafbeelding

Ordening

2/5 Schimmels.
Zie figuur B 4582 van de bijlage.

Een bepaalde soort schimmel kan zich voortplanten met sporen die allemaal hetzelfde zijn. Als zo'n spore op een goede groeiplaats terechtkomt, groeit daaruit een zwamvlok. Dit is een netwerk van draadvormige cellen.
Op verschillende plaatsen vormen zich bolletjes op de zwamvlok. Uit zo'n bolletje groeit een paddenstoel, die weer miljoenen sporen kan vormen.

Welke vorm van voortplanting wordt hierboven beschreven?

afbeeldingafbeelding

Ordening

3/5 Schimmels.
Zie figuur B 4583 van de bijlage.

Sommige paddenstoelen worden als voedingsmiddel gebruikt, bijvoorbeeld champignons. In de 17e eeuw ontdekte men dat champignons groeien op een mengsel van mest en stro. Er groeiden er meer als de mest werd begoten met water waarmee men champignons had gewassen.

Leg uit waardoor er meer champignons groeien als de mest wordt begoten met water waarmee champignons zijn gewassen.

afbeeldingafbeelding

Ordening

4/5 Schimmels.

Sommige mensen eten geen vlees. Ze zoeken daarom naar producten die vlees kunnen vervangen bij een maaltijd. Hieronder is een deel van de voedingsmiddelentabel weergegeven.
afbeeldingafbeelding

Zijn champignons goede vleesvervangers? Leg je antwoord uit met behulp van de informatie.

Ordening

5/5 Schimmels.
Zie figuur B 4584 van de bijlage.

De vorm van de spore is niet bij elke soort schimmel hetzelfde. Hieronder zijn vier verschillende sporen weergegeven. Ook is hieronder een determineerlijst voor sporen afgebeeld.

afbeeldingafbeelding

Spore 2 is van de champignon.

Wat is de Latijnse naam van de champignon? Gebruik de bovenstaande informatie.

afbeeldingafbeelding

Ordening

1/4 Het nijlpaard.
Zie figuur B 4591 van de bijlage.

Nijlpaarden zijn dieren die in Afrika in het wild leven.
Ze hebben een groot rond lichaam en korte poten.
De mannetjes kunnen ongeveer 3000 kg zwaar worden.
Nijlpaarden zijn overdag meestal in het water te vinden.
Als het in de avond wat koeler wordt, komen de nijlpaarden aan land.
Ze gaan dan op zoek naar planten zoals gras.
Hiernaast is een nijlpaard weergegeven.

Is het nijlpaard een consument, een producent of een reducent? Gebruik hierbij de bovenstaande informatie.

afbeeldingafbeelding

Ordening

2/4 Het nijlpaard.
Zie figuur B 4589 van de bijlage.

Een nijlpaard eet grasplanten.

Kunnen de afgebeelde cellen afkomstig zijn van een grasplant?
En kunnen deze cellen afkomstig zijn van een nijlpaard?

afbeeldingafbeelding

Ordening

3/4 Het nijlpaard.

Overdag zie je vaak alleen maar de ogen en de neusgaten van een nijlpaard boven het water uitsteken.
Af en toe sluit het dier de neusgaten en verdwijnt helemaal onder water.

Geef de naam van de ademhalingsorganen van een nijlpaard.

Dit zijn de [invulveld]

Ordening

4/4 Het nijlpaard.

Ademhalen is een levenskenmerk.

Noem nog twee levenskenmerken die bij een nijlpaard kunnen voorkomen.

Ordening

Wijn maken.

Tot welke groep organismen behoren gisten?

Ordening

Wijn maken.

Enkele producten zijn oliebollen, yoghurt en zuurkool.

Welk van deze producten wordt gemaakt met behulp van gisten?

Ordening

Schimmels.

Welke van de volgende twee beweringen over de bouw van een cel van een schimmel is juist?

1. Een cel van een schimmel heeft een celkern.
2. Rond een cel van een schimmel bevindt zich een celwand.

Ordening

Vleesetende planten.
Zie figuur B 461 van de bijlage.

Sommige vleesetende planten vangen hun 'prooi' met vangbekers (zie de afbeelding). In de vangbekers bevindt zich regenwater met bacteriën. Een insect dat in zo'n beker terechtkomt, kan niet meer ontsnappen en verdrinkt. De bacteriën verteren de prooi, waarna de plant de vrijgekomen voedingszouten kan opnemen.

In de tekst worden bacteriën, insecten en planten genoemd. Deze vertonen zowel verschillen als overeenkomsten in de bouw van hun cellen.

Welke van deze organismen hebben celwanden?

afbeeldingafbeelding

Ordening

Schimmels.

Welke van de volgende twee beweringen over de bouw van een cel van een schimmel is juist?

1. Een cel van een schimmel heeft een celkern.
2. Rond een cel van een schimmel bevindt zich een celwand.

Ordening

Tyfus-Mary.

In de tekst is er sprake van dat ‘andere bacteriën dan Salmonella typhi ziekten kunnen veroorzaken. Een voorbeeld hiervan zijn bacteriën die aangeduid worden met Salmonella paratyphi.

In welke relatie staan deze bacteriën met Salmonella typhi?