Oefentoets Biologie: Dierfysiologie | VWO 4/VWO 5/VWO 6 - variant 1

Deze oefentoets bevat 29 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

29

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VWO 4, VWO 5, VWO 6

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Dierfysiologie

Vleermuis zijn winterslaap gestoord.

Indien een vleermuis in zijn winterslaap wordt gestoord en ontwaakt, gaat deze een ander plekje zoeken en zet daar zijn winterslaap voort.

Door deze activiteit worden de glycogeenvoorraad en de waterafgifte beïnvloed.

Op welke wijze?

afbeeldingafbeelding

Dierfysiologie

Veldonderzoek onder koolmezen.

Bij een veldonderzoek onder koolmezen werd er een bepaald verband gevonden tussen groei, voedselconsumptie en warmteproductie bij verschillende broedselgroottes (zie tabel)
afbeeldingafbeelding
Over dit verband worden vier beweringen gedaan:

1. de warmteproductie per jong per uur is onafhankelijk van de broedselgrootte;
2. de groei per jong wordt nauwelijks beïnvloed door de broedselgrootte;
3. de voedselconsumptie per jong en de warmteproductie per jong per uur zijn beide gekoppeld aan de broedselgrootte;
4. de voedselconsumptie voor het gehele broedsel is onafhankelijk van de broedselgrootte.

Welke beweringen zijn juist?

-

Dierfysiologie

Een kikker en een komkommer.

Een kikker en een komkommerplant worden met elkaar vergeleken. Over deze organismen worden drie uitspraken gedaan:

1. beide organismen absorberen een deel van het op hen vallende licht;
2. bij beide organismen speelt ATP een rol bij de stofwisseling;
3. bij beide organismen speelt de stofwisseling zich voor een deel in mitochondriën af.

Welke uitspraken zijn juist?

Dierfysiologie

Een orgaan van de mens.
Zie figuur B 1461 van de bijlage.

De afbeelding is een schematische tekening van een deel van een orgaan van de mens.
Hierover worden de volgende uitspraken gedaan:

1. het zuurstofgehalte van het bloed in bloedvat R is hoger dan dat in bloedvat S;
2. in cel P kunnen impulsen ontstaan;
3. in deel Q komen cellen voor die ontstaan zijn uit het entoderm.

Welke uitspraak is of welke uitspraken zijn juist?

afbeeldingafbeelding

Dierfysiologie

Dieren in poolgebieden.

In poolgebieden leven bepaalde diersoorten met een constante lichaamstemperatuur.
Bij deze dieren komen aanpassingen voor waardoor zij hun lichaamstemperatuur op peil kunnen houden en in het poolklimaat kunnen overleven.
Er worden de volgende beweringen gedaan over het quotiënt van lichaamsoppervlak en lichaamsvolume (= O/V) van deze dieren in relatie tot hun lichaamsgewicht.

1. Deze dieren overleven in poolgebieden wanneer hun lichaamsgewicht laag is en het quotiënt O/V klein.
2. Deze dieren overleven in poolgebieden wanneer hun lichaamsgewicht laag is en het quotiënt O/V groot.
3. Deze dieren overleven in poolgebieden wanneer hun lichaamsgewicht hoog is en het quotiënt O/V klein.
4. Deze dieren overleven in poolgebieden wanneer hun lichaamsgewicht hoog is en het quotiënt O/V groot.

Welke van deze beweringen is juist?

Dierfysiologie

Transport van stoffen in het lichaam van de mens.

In het lichaam van de mens vindt onder andere transport van de volgende stoffen plaats:

1. zuurstof vanuit longlucht naar het bloed;
2. koolstofdioxide vanuit spiercellen naar het bloed;
3. aminozuren vanuit de darmholte naar het bloed.

In welk of in welke van deze gevallen vindt het transport uitsluitend plaats door middel van passief transport?

Dierfysiologie

1/2 Leven in het water.
Zie figuur B 2054 van de bijlage.

Bepaalde vissen hebben zintuigcellen in de huid waarmee ze potentiaalverschillen kunnen waarnemen. In de afbeelding is een dergelijke zintuigcel Z getekend. Zintuigcel Z is verbonden met een uitloper van een sensorisch neuron Q. In zintuigcel Z bevinden zich blaasjes waarin een neurotransmitter wordt gevormd. Door afgifte van neurotransmitter kunnen impulsen in neuron Q ontstaan.
Zintuigcel Z heeft een rustpotentiaal van -70 mV. De binnenkant van zintuigcel Z is negatief geladen ten opzichte van het interne milieu van de vis. Bij een klein potentiaalverschil tussen de binnenzijde en de buitenzijde van het membraan op plaats 2 wordt meer neurotransmitter afgegeven dan bij een groot potentiaalverschil op die plaats.

In het externe milieu bij plaats 1 ontstaat een overmaat aan negatief geladen deeltjes. Hierdoor verdwijnen bij 1 positief geladen deeltjes uit zintuigcel Z.

Neemt de hoeveelheid neurotransmitter die zintuigcel Z bij 2 afgeeft, dan af, blijft deze gelijk of neemt deze toe?


-

afbeeldingafbeelding

Dierfysiologie

2/2 Leven in het water.
Zie figuur B 1311 van de bijlage.

Het zuurstofverbruik van een goudvis verandert afhankelijk van de temperatuur van het water. Het diagram (zie de afbeelding) geeft het zuurstofverbruik van een goudvis bij verschillende temperaturen weer in relatie met de zuurstofspanning in het water.
Het zuurstofverbruik van een goudvis wordt vergeleken bij een zuurstofspanning in het water van achtereenvolgens 10, 30 en 50 kPa.

Bij welke van deze zuurstofspanningen is de zuurstofspanning bij elke van de gemeten temperaturen de beperkende factor voor het zuurstofverbruik van de goudvis?

afbeeldingafbeelding

Dierfysiologie

1/3 Maandagochtendziekte.

'Maandagochtendziekte' komt niet alleen voor bij scholieren. Bij een werkpaard kan maandagochtendziekte ontstaan wanneer het dier, na een weekend rust, weer volop moet werken. Spierarbeid wordt bij paarden op dezelfde wijze geleverd als bij de mens. Wanneer het paard tijdens de rustdagen dezelfde hoeveelheid voer krijgt als tijdens de werkdagen, hoopt zich een bepaalde hoeveelheid stof (P) op in de spieren. Vier stoffen zijn alcohol, glycogeen, koolstofdioxide en melkzuur.

Vier stoffen zijn alcohol, glycogeen, koolstofdioxide en melkzuur.

Welke van deze stoffen is stof P?

Dierfysiologie

2/3 Maandagochtendziekte.

Zodra het paard op maandagochtend plotseling weer volop moet gaan werken, kan bij onvoldoende doorbloeding van de spieren de maandagochtendziekte ontstaan. De verschijnselen zijn acute uitputting en spierverstijving.

Ze worden veroorzaakt doordat de concentratie van een bepaald stofwisselingsproduct (Q) in de spieren sterk toeneemt. Een paard met deze ziekte valt neer en blijft verstijfd en zwetend liggen.

Ontstaat stofwisselingsproduct Q bij de assimilatie, bij de aërobe dissimilatie of bij de anaërobe dissimilatie?

afbeeldingafbeelding

Dierfysiologie

3/3 Maandagochtendziekte.

Het zwetende paard wordt toegedekt; een andere mogelijkheid is het dier af te drogen.

Waardoor vermindert de afkoeling van het paard door het afdrogen?

Dierfysiologie

1/3 Warmte.
Zie figuur B 1466 van de bijlage.

In een experiment werden drie landdieren in een ruimte met een bepaalde temperatuur gebracht. Na één uur werd de lichaamstemperatuur gemeten. Vervolgens werd het experiment een aantal keren herhaald bij verschillende temperaturen. Alle dieren waren in rust. In het afgebeelde diagram zijn de resultaten van het experiment weergegeven.

Welk van de onderzochte dieren is of welke zijn homoiotherm binnen het gehele onderzochte temperatuurtraject?

afbeeldingafbeelding

Dierfysiologie

2/3 Warmte.
Zie figuur B 1466 van de bijlage.

Van welk van deze dieren neemt de stofwisselingsintensiteit het sterkste toe, wanneer de omgevingstemperatuur toeneemt van 5° tot 30°C?

afbeeldingafbeelding

Dierfysiologie

3/3 Warmte.
Zie figuur B 1466 van de bijlage.

Bij welk van deze dieren is bij een omgevingstemperatuur van 10°C het warmteverlies per cm2 huidoppervlak het kleinst?

afbeeldingafbeelding

Dierfysiologie

1/2 Een zeehond.
Zie figuur B 373 van de bijlage.

Bij een zeehond worden gedurende enige tijd steeds op dezelfde plaats in het lichaam de hoeveelheid zuurstof, de hoeveelheid koolstofdioxide en de hoeveelheid melkzuur per ml bloed gemeten. Het resultaat van deze metingen is weergegeven in het afgebeelde diagram.
Op de verticale as is voor de verschillende grafieken uitgezet hoeveel ml CO2 en O2 , al dan niet gebonden, per ml bloed aanwezig zijn. Bovendien is de hoeveelheid melkzuur in mg per ml bloed uitgezet. In de periode PQ zwemt het dier rustig en ademt het regelmatig.
Op tijdstip Q begint het dier met een duik van 12 minuten. Op tijdstip R komt het dier weer boven water en begint het weer te ademen, terwijl het rustig verder zwemt. Tijdens de duik is de bloedstroom door de skeletspieren vrijwel nul.
Na de duik wordt in de lever uit een deel van het gevormde melkzuur geleidelijk glucose teruggevormd en de rest wordt gedissimileerd.

Welke grafiek geeft de verandering van het koolstofdioxidegehalte van het bloed weer gedurende deze metingen?

afbeeldingafbeelding

Dierfysiologie

2/2 Een zeehond.

Van welke van de stoffen ADP, ATP, NAD, en NADH2 neemt de totale hoeveelheid in de levercellen af door de omzetting van melkzuur in glucose?

Dierfysiologie

Mariene organismen.

Bepaalde mariene organismen (organismen uit zee) gaan dood als ze in zoetwater worden gebracht.

Wat is hiervan de meest waarschijnlijke verklaring?

Dierfysiologie

Een zoetwatervis.

Wat gebeurt er met een zoetwatervis die in zout water wordt gebracht?

Dierfysiologie

Zalmen.

Zalmen verblijven een gedeelte van hun leven in zoetwater en een gedeelte in zoutwater.

Als zalmen trekken van zoetwater naar zoutwater, welk van de volgende gebeurtenissen vindt dan niet plaats?

Dierfysiologie

Daphnia's.

Bij grotere en kleine Daphnia's bepaalt men de hartslagfrequentie, waarbij men bovendien de volgende factoren varieert:

1. de temperatuur van het water waarin de diertje leven;
2. al of niet toevoegen van verdunde cola aan het water.

Als men nu de verschillende variabelen combineert, dan treedt de hoogste hartslagfrequentie op bij

Dierfysiologie

Organische stoffen.

Welk van de genoemde organische stoffen of welke worden alleen door dieren opgebouwd?

Dierfysiologie

Kangoeroes.

Kangoeroes likken in de warmte de vacht op hun poten en buik.

Waardoor geeft dit een verkoelend effect?

Dierfysiologie

Spitsmuis.

De insectenetende spitsmuis is de kleinste onder de zoogdieren.

Iedere dag moet dit diertje ongeveer zijn eigen lichaamsgewicht aan voedsel opeten omdat

Dierfysiologie

Aalscholvers.

Aalscholvers produceren, anders dan veel andere watervogels, geen grote hoeveelheden vet voor hun veren.
Dat betekent dat zij na het vissen veel tijd moeten besteden aan het drogen van hun vleugels.

Wat is de meest waarschijnlijke verklaring hiervoor?

Dierfysiologie

1/2 Vier zoogdieren.

In de tabel hieronder staan het ademhalingsritme, het hartritme en de lichaamstemperatuur van vier zoogdiersoorten P, Q, R en S.
afbeeldingafbeelding

In de linkerkolom staat een rij van 1 t/m 4, volgens afnemende verhouding oppervlak/volume.

Zet de soorten P, Q, R en S in de juiste volgorde van afnemende verhouding.

  • P

  • Q

  • R

  • S

  • 1

  • 2

  • 3

  • 4

Dierfysiologie

2/2 Vier zoogdieren.

In de tabel hieronder staan het ademhalingsritme, het hartritme en de lichaamstemperatuur van vier zoogdiersoorten P, Q, R en S.
afbeeldingafbeelding

In de linkerkolom staat een rij van 1 t/m 4, volgens afnemend bloedvolume.

Zet de soorten P, Q, R en S in de juiste volgorde van afnemende verhouding.

  • S

  • Q

  • R

  • P

  • 1

  • 2

  • 3

  • 4

Dierfysiologie

Ademhaling bij poliepen.
Zie figuur B 5077 van de bijlage.

Holtedieren, zoals de hiernaast afgebeelde zoetwaterpoliep, zijn opgebouwd uit twee cellagen.

Deze dieren hebben geen speciale ademhalingsorganen nodig doordat

afbeeldingafbeelding

Dierfysiologie

Dieren in de kou.

Welk van de volgende eigenschappen is geen aanpassing van dieren aan het leven in de kou?