Oefentoets Biologie: Celleer | HAVO 4/HAVO 5 | variant 3

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

HAVO 4, HAVO 5

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Celleer

Bouw plantencel.

Wat zijn stippels?

Celleer

Functie celwand.

Behalve dat de celwand de inhoud van de cel beschermt tegen de omgeving, zorgt hij er ook voor dat

Celleer

Celwanden.

Welke cellen hebben celwanden?

Celleer

Plantaardige cellen.

Op de grens tussen twee volgroeide plantencellen kunnen verschillende lagen worden onderscheiden:

1. celmembraan;
2. eerst gevormde (primaire) celwand;
3. na strekking gevormde (secundaire) celwand.

In welke volgorde bevinden zich deze lagen tussen het cytoplasma van de ene plantencel en het cytoplasma van de aangrenzende cel?

Celleer

Celkern.

Wat gebeurt er als uit een cel de kern wordt verwijderd?

Celleer

Relatie tussen cel en organisme.

De cel wordt in zijn organisatiestructuur weleens vergeleken met een organisme als bijv. een mens.

In welk opzicht gaat deze vergelijking niet op?

Celleer

Celkern.

Aan een aantal cellen in een voedingsbodem wordt behalve de benodigde voedingsstoffen een stof toegevoegd die de werking van de kern in belangrijke mate vertraagt.

Dit zal tot gevolg hebben dat

Celleer

Kern.

Hoe zou men het beste kunnen aantonen dat een kern noodzakelijk zijn voor het leven van een cel?

Celleer

Een groenwiertje.
Zie figuur B 2 van de bijlage.

In de figuur is een amoebe getekend die een groenwiertje insluit.

Welke van de genoemde stoffen maakt of maken deel uit van de laag die met P is aangegeven?

afbeeldingafbeelding

Celleer

Biologisch membraan.

Elk biologisch membraan bestaat uit

Celleer

Transport van stoffen.

Vier voorbeelden van transport van stoffen in organismen zijn:

1. transport van uit de bodem opgenomen water naar het cytoplasma van de wortelcellen van een plant,
2. transport van uit de bodem opgenomen zouten naar het cytoplasma van de bladcellen van een plant,
3. transport van zuurstof uit de lucht in de longen naar het bloed van de mens,
4. transport van glucose uit de darminhoud naar het cytoplasma van de darmwandcellen bij de mens.

In welk of in welke van deze voorbeelden is er sprake van actief transport?

Celleer

Een celmembraan.
Zie figuur B 2621 van de bijlage.

In de afbeelding is een celmembraan schematisch getekend. Enkele delen zijn genummerd.

Welke van de genummerde delen geven eiwitten aan?

afbeeldingafbeelding

Celleer

Plantaardige cel.
Zie figuur B 1360 van de bijlage.

In de afbeelding is een plantaardige cel schematisch getekend.

Met welk nummers is een membraan aangegeven?

afbeeldingafbeelding

Celleer

Foto celorganel.
Zie figuur A 4 van de bijlage.

Welk organel is afgebeeld?

afbeeldingafbeelding

Celleer

Ribosomen.

Ribosomen liggen

Celleer

Endoplasmatisch reticulum.

In welke cellen vind je het meeste endoplasmatisch reticulum?

Celleer

Organellen in dierlijke cel.

Welke combinatie van organellen komt nooit in een dierlijke cel?

Celleer

Enzymen in mitochondrium.

Op de membranen van een mitochondrium bevinden zich enzymen, die betrokken zijn bij:

Celleer

Een plantencel.
Zie figuur A 297 van de bijlage.

In de afbeelding is schematisch een plantencel weergegeven. De in de cel aanwezige onderdelen zijn niet alle op dezelfde schaal getekend. Een van deze organellen is met P aangegeven.
Over organel P wordt een aantal beweringen gedaan:

1. In P vindt aërobe dissimilatie plaats.
2. In P vindt anaërobe dissimilatie plaats.
3. In P bevinden zich enzymen die een rol spelen bij de fotosynthese.
4. In P bevinden zich pigmenten die een rol spelen bij de fotosynthese.

Welke van deze beweringen is of zijn juist?

afbeeldingafbeelding

Celleer

Organellen.

Een onderzoeker bekijkt een preparaat van een cel met behulp van een elektronenmicroscoop bij een vergroting van 5000x. Hij ziet onder andere de volgende organellen:

1. endoplasmatisch reticulum,
2. mitochondrium,
3. plastiden.

Op grond van de aanwezigheid van welk of welke van deze organellen kan hij met zekerheid zeggen dat hij een plantencel bekijkt?