Oefentoets Biologie: Gedrag - Territoriumgedrag | VWO 3/VWO 4/VWO 5

Deze oefentoets bevat 8 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

8

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VWO 3, VWO 4, VWO 5

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Gedrag

1/4 Scholeksters.
Zie figuur C 183 van de bijlage.

In het Waddengebied leven scholeksters (zie de afbeelding). Scholeksters eten soms grote tweekleppige schelpdieren, soms wormen. Scholeksters die schelpdieren eten, hebben een beitelvormige snavel waarmee ze de schelp kunnen openen. Scholeksters die wormen eten, hebben puntsnavels. Afhankelijk van het dieet kan de snavel van een bepaalde scholekster in veertien dagen tijd veranderen van beitelvormig naar puntvormig. Ook de omgekeerde verandering kan plaatsvinden.

Is deze reversibele verandering van de snavelvorm bij deze scholekster een voorbeeld van modificatie, mutatie, recombinatie of selectie?

afbeeldingafbeelding

Gedrag

2/4 Scholeksters.
Zie figuur C 183 en figuur B 2422 van de bijlage.

Scholeksters broeden in kolonies waarin de nesten vlak bij elkaar liggen. Een scholeksterpaar blijft vaak jaren lang samen. De jongen zijn nog lange tijd na het uitvliegen afhankelijk van hun ouders voor hun voedselvoorziening.
In de afbeelding is de scholeksterkolonie op de kwelders van Schiermonnikoog geschematiseerd in kaart gebracht. Afhankelijk van de ligging van hun broedplaatsen worden de scholeksters verdeeld in hokkers en wippers. Hokkers hebben hun broedplaatsen grenzend aan de voedselgebieden op het wad. Wippers hebben hun broedplaatsen meer landinwaarts en moeten over de hokkers heen vliegen om de voedselgebieden op het wad te bereiken. Behalve ten aanzien van de ligging zijn de broedplaatsen verder praktisch gelijk.

In de afbeelding B 2422 zijn de broedresultaten van 141 nesten van hokkers en van 171 nesten van wippers verwerkt. Het broedresultaat is weergegeven als het deel van de jongen dat uiteindelijk kan uitvliegen. De getallen bij de verticale streepjes geven het aantal onderzochte nesten aan. De eieren zijn gelegd in mei en juni. De verschillen in broedresultaten treden elk jaar op dezelfde wijze op.

Geef een verklaring voor de verschillen in broedresultaten tussen hokkers en wippers. Gebruik bij je verklaring afbeelding C 183.

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Gedrag

3/4 Scholeksters.
Zie figuur A 449 van de bijlage.

Behalve hokkers en wippers zijn er soosvogels in de scholeksterkolonie. Soosvogels zijn vogels die niet broeden. Tussen hokkers, wippers en soosvogels bestaan relaties die in het model van de afbeelding zijn weergegeven. De cijfers bij de pijlen geven de kans aan die een scholekster heeft om het volgende seizoen zijn status te behouden of deze te veranderen. Van soosvogels wordt aangegeven welk percentage in het volgende seizoen de status soosvogel behoudt, welk percentage wipper wordt, welk percentage hokker wordt en welk percentage dood gaat. Voor wippers en hokkers is de statusverandering op dezelfde wijze weergegeven.
In dit model wordt ervan uitgegaan dat er een stabiele verdeling over deze groepen vogels is wanneer er 31% soosvogels, 27,8% hokkers en 41,2% wippers zijn. Voor vogels die doodgaan, komen jongen van hokkers en wippers in de plaats.

Een onderzoeker vraagt zich af wanneer voor een soosvogel, die in het volgende seizoen van status verandert, de kans op het beste broedresultaat het grootst is. Ter beantwoording van deze vraag gebruikt hij de gegevens uit de afbeeldingen B 2422 en A 449. Hij gaat uit van het broedresultaat van hokkers en wippers die op dag 140 alle eieren in het nest hebben gelegd (zie afbeelding B 2422).

Leg uit of een soosvogel als wipper of als hokker de grootste kans op het beste broedresultaat heeft.




-

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Gedrag

4/4 Scholeksters.

Een student heeft op basis van literatuuronderzoek de volgende hypothesen geformuleerd over de statusverandering van de scholeksters:

1. alleen de sterkste scholeksters veroveren een broedplaats aan de rand van het wad,
2. scholeksters leren door ervaring wat goede en wat slechte broedplaatsen zijn,
3. de kans voor wippers op het verkrijgen van een hokkerbroedplaats is kleiner dan de kans voor soosvogels op het verkrijgen van een hokkerbroedplaats.

Geef van elke hypothese aan of deze met de gegevens uit het beschreven onderzoek getoetst kan worden.
Zo ja, geef aan of de hypothese al dan niet moet worden verworpen.
Geef een verklaring voor je antwoorden.

Gedrag

1/4 Territoriumgedrag van grutto's.
Zie figuur B 1257 van de bijlage.

In de weilanden in Noord-Holland zijn grutto's algemene broedvogels. De foto in de afbeelding geeft een situatie weer die voorkomt in het territoriumgedrag van mannelijke grutto's. Het territoriumgedrag wordt bovendien beschreven in onderstaande tekst.

Een grutto bepaalt zijn territorium door zich opgewonden roepend op een goed zichtbare plaats in het weiland op te stellen. Bij het naderen van een concurrent wordt door het spreiden van de staart de zwarte eindband opvallend zichtbaar. De vogel zet de rugveren en vleugels op. Vervolgens loopt de grutto met uitgespreide staart en in de grond pikkend op de tegenstander af. De grutto's die elkaar een territorium betwisten, proberen elkaar bij de snavel te pakken en elkaar dan al fladderend weg te duwen. Dit gedrag wordt afgewisseld met het uittrekken van graspollen, in de grond pikken en het tonen van de uitgespreide staart. Zij springen fladderend tegen elkaar op waarbij ze naar elkaar trappen. Ze proberen op elkaars rug te komen en daar geruime tijd op te blijven staan. Ze pikken hierbij naar elkaar.

Geef één gedragselement van het territoriumgedrag dat in de tekst wordt beschreven en dat in de afbeelding te zien is.

afbeeldingafbeelding

Gedrag

2/4 Territoriumgedrag van grutto's.

Omgericht gedrag ontstaat wanneer een van de grutto's zowel aanvalsneigingen als vluchtneigingen heeft. De aanval wordt dan gericht op een ander object.

Noem twee stelsels van organen die invloed hebben op de motivatie voor het territoriumgedrag.

Gedrag

3/4 Territoriumgedrag van grutto's.

Noem twee voorbeelden van omgericht gedrag die in de tekst worden beschreven.

Gedrag

4/4 Territoriumgedrag van grutto's.

Succesvol territoriumgedrag leidt tot een groot territorium voor een broedend gruttopaar.

Geef een verklaring waardoor het hebben van een groot territorium bijdraagt tot het voortplantingssucces van een grutto.