Ecologie
3/3 Malaria.
Volgens de experts moeten we, afgezien van resistentieproblemen, een anti-ziektemiddel hebben en geen anti-parasietmiddel.
Leg met behulp van gegevens uit de tekst uit waardoor een goed anti-parasietmiddel niet afdoende is.
Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.
20
Biologie
VO Kerndoel 31: Processen in de natuur
HAVO 4, HAVO 5
NVON
cc-by-sa-40
3/3 Malaria.
Volgens de experts moeten we, afgezien van resistentieproblemen, een anti-ziektemiddel hebben en geen anti-parasietmiddel.
Leg met behulp van gegevens uit de tekst uit waardoor een goed anti-parasietmiddel niet afdoende is.
1/3 Malaria.
Tekst:
Malaria wordt veroorzaakt door een bloedparasiet. Het bekendste symptoom van de ziekte is dat de patiënt om de paar dagen koortsaanvallen krijgt. Als een malariamug een mens steekt, besmet zij het bloed van deze persoon veelal met de parasiet. Strijd tegen de malaria was zeer lang synoniem met oorlog tegen de muggen. Binnen en buiten werd daartoe overmatig gesproeid met het insecticide DDT. DDT bleek persistent (niet afbreekbaar) te zijn. Tot in lengte van jaren zal DDT in het milieu aanwezig blijven. De stof komt zelfs in de ijslagen op de polen voor en in het lichaamsvet van pinguïns. DDT was in de beginjaren van het gebruik uiterst effectief, vooral in combinatie met maatregelen tegen het voorkomen van stilstaand water, de broedplaats voor muggenlarven. In 1963 was zo de malaria op Sri Lanka bijna verdwenen, doordat de muggenpopulatie vrijwel was uitgeroeid. Zeventien ziektegevallen telde het eiland dat jaar. Plotseling nam de muggenpopulatie ondanks het spuiten met DDT weer sterk toe. Nu zijn er weer miljoenen ziektegevallen.
Ontleend aan: Vrij Nederland, 1992
In 1963 was de malariaparasiet op Sri Lanka bijna uitgeroeid doordat de muggenpopulatie niet resistent was tegen DDT.
Beschrijf wat er in de muggenpopulatie is gebeurd waardoor na 1963 de muggenpopulatie ondanks het spuiten met DDT plotseling sterk toenam.
2/3 Malaria.
DDT komt voor in het lichaamsvet van pinguïns. De pinguïns die rond de Zuidpool en in Zuid-Amerika voorkomen, jagen veel op vis en inktvis. In hetzelfde gebied leven plantenetende ganzen. Deze ganzen blijken veel minder DDT in het lichaamsvet te hebben.
Leg met behulp van deze gegevens uit waardoor zich in ganzen minder DDT per gram lichaamsvet bevindt dan in pinguïns in hetzelfde gebied.
3/3 Malaria.
Over de hele wereld wordt onderzoek gedaan naar het terugdringen van de ziekte malaria met andere middelen dan DDT. Als mogelijke andere methoden om de ziekte terug te dringen worden genoemd:
1. het bestrijden van de malariamug met behulp van een nieuw, biologisch afbreekbaar insecticide,
2. het bestrijden van de parasiet door middel van medicijnen die aan malariapatiënten worden toegediend,
3. het uitzetten van mannetjes die wel kunnen paren maar onvruchtbaar zijn.
Bij welke van deze andere methoden is er gevaar voor resistentie van de malariamug of van de malariaparasiet?
1/5 Japanse oesters.
De Japanse oester is bewust geïntroduceerd in de Oosterschelde. In de strenge winter van 1963 stierf de platte Zeeuwse oester bijna uit. Op advies van het RIVO (Rijks Instituut voor Visserij Onderzoek) werd de Japanse oester als alternatief binnengehaald. Aanvankelijk dacht men dat de Japanse oester zich niet in de koude wateren zou voortplanten. Toch werden in 1976 de eerste broedjes, larven van de oester, aangetroffen. Na die tijd is het aantal Japanse oesters alleen maar toegenomen. Met behulp van luchtfoto's is bepaald hoe groot het oppervlak is dat door de Japanse oester wordt bedekt (zie onderstaande tabel).
afbeelding
In de Oosterschelde heerste een evenwicht tussen algen en mosselen. Sinds 1998 is dit aan het veranderen.
Misschien speelt de nieuwkomer daarin een kwalijke rol. De Japanse oester is groot en eet ongeveer een derde van de algenpopulatie in de Oosterschelde op. De vrees is verder dat de Japanse oesters de larven van mosselen opeten.
In bovenstaande tabel staan de oppervlaktes die bedekt zijn door Japanse oesters. Voldoende voedsel is één van de factoren die deze groei mogelijk maakt.
Zie volgende scherm
2/5 Japanse oesters.
Noem nog twee biotische factoren die invloed kunnen hebben op deze toename van de Japanse oester.
3/5 Japanse oesters.
Welke twee relaties tussen de mossel en de Japanse oester worden in de tekst beschreven?
4/5 Japanse oesters.
Andere organismen in de Oosterschelde die gevaar lopen zijn onder andere de scholekster en de eidereend. Deze vogels leven van mosselen, die mogelijk het veld moeten ruimen voor de Japanse oester. De scholekster en de eidereend hebben nog geen truc gevonden om de Japanse oester open te krijgen. Dit in tegenstelling tot de zilvermeeuw. Die laat oesters van grote hoogte op een dijk vallen zodat de oesterschelp breekt.
Een tweetal waarnemingen met betrekking tot dit gedrag zijn:
1. Niet alle meeuwen in een populatie vertonen het gedrag;
2. In sommige populaties meeuwen komt dit gedrag helemaal niet voor.
Welke van de volgende verklaringen over het ontstaan en de verspreiding van dit gedrag is juist?
5/5 Japanse oesters.
Niet iedereen is pessimistisch over de gevolgen van de groei van de populatie Japanse oesters in de Oosterschelde. Het kan ook zo zijn dat de schelpen van verwilderde Japanse oesters een ondergrond vormen waarop nieuwe soorten zich kunnen vestigen.
Desondanks zijn er veel mensen die de introductie van een exotische soort niet steunen.
Geef een biologisch argument dat deze mensen kunnen gebruiken om hun standpunt te onderbouwen.
1/4 Een dak in het bos.
Vóór 1950 was in bos-ecosystemen de hoeveelheid stikstof de beperkende factor want er was weinig aanvoer van stikstof via neerslag. Er was ook weinig afvoer van stikstof naar het grondwater. De stikstofkringloop was vrijwel gesloten en bossen gingen zeer efficiënt met stikstof om.
Sinds enkele tientallen jaren is in de Nederlandse bossen via zure regen veel stikstof terechtgekomen.
In 1989 is een uniek experiment gestart. Met de bouw van een dak in een dennenbos in de Peel wordt voorkomen dat vervuilde neerslag de bosbodem bereikt. In plaats van vervuilde neerslag met daarin de hoge concentraties aan stikstof, krijgt de bodem onder het dak schone, stikstofvrije neerslag. Het onderzoek moet duidelijk maken of het ooit nog goed kan komen met de bossen.
Momenteel komt er veel stikstof via neerslag in de bodem terecht. We onderscheiden hierbij ammoniumstikstof en nitraatstikstof.
Welke zijn de voornaamste bronnen voor deze stikstofvervuilingen?
afbeelding
2/4 Een dak in het bos.
In het experiment werd in 1989 in een naaldbos op 2 à 3 meter hoogte een transparant dak geplaatst. Onder het dak ontstaat een broeikaseffect. De bomen steken met hun stammen door het dak. Onder dit dak zijn 2 proefvelden ingericht, dak-schoon (A) en dak-controle (B), beide 10 x 10 m, met ongeveer 10 bomen per proefveld. De neerslag die op het dak boven het proefveld dak-schoon valt, wordt afgevoerd en vervangen door evenveel kunstmatige regen in de vorm van water waaraan alle voedingsstoffen zijn toegevoegd behalve stikstof en zwavel. De neerslag die op het dak boven het proefveld dak-controle valt, wordt opgevangen en op het proefveld dak-controle gesproeid.
Buiten het dak is een tweede controle proefveld (C) aangelegd. Het controleveld C was nodig, omdat men veronderstelde dat één of meer factoren onder het dak niet gelijk waren aan die in een proefveld zonder dak.
Over welke factor of over welke factoren gaat het?
3/4 Een dak in het bos.
Zie figuur B 3815 van de bijlage.
De chemische samenstelling van de naalden wordt jaarlijks bepaald, als maat voor de gezondheid van de bodem. Men bepaalt het kaliumgehalte (K) ten opzichte van het stikstofgehalte (N) in de naalden. Een hoge concentratie stikstof in de bodem remt de opname van K, zodat er weinig K in de naalden komt. In de afbeelding staan de resultaten van deze bepalingen. De resultaten van de proefvelden werden met elkaar vergeleken.
Door de resultaten van veld A met veld B te vergelijken werd antwoord op een onderzoeksvraag gekregen.
Formuleer deze onderzoeksvraag.
afbeelding
4/4 Een dak in het bos.
Zie figuur B 3815 van de bijlage.
Sinds 1991 is de groei van de bomen in het proefveld A met 60% toegenomen ten opzichte van controleproefveld B. In de periode 1997-2001 wordt de K/N verhouding in proefveld A vergeleken met die in proefveld B.
Wat is de gemiddelde K/N verhouding in deze periode in proefveld A?
Wat is de gemiddelde K/N verhouding in deze periode in proefveld B?
afbeelding
1/3 Op de grote gele heide.
Tekst:
"Hei komt in Nederland voor sinds circa 2500 v. Chr. Na een periode van koud en droog weer werd het klimaat hier warm genoeg voor plantengroei. Na enige tijd verschenen er heideplanten, die weer wegbereiders waren voor een andere vegetatie. Als de mens er zich niet mee bemoeit, ontstaat er uiteindelijk een bos.
Heideplanten kunnen met weinig voedsel toe. Als het vochtig genoeg is, ontkiemen de heidezaadjes op arme zandgrond. Enige regen is nodig voor de aanvoer van voedingsstoffen. Na verloop van tijd valt dood materiaal van de heideplanten op de bodem. Daar hopen zich dode takjes en bloemetjes op die worden omgezet in anorganisch materiaal en die zo de bodem verrijken met veel voedingsstoffen. Als door een insectenplaag of door extreme weersomstandigheden zoals droogte, veel heideplanten doodgaan, grijpen de grassen hun kans. Op dat moment dringt er voldoende licht door tot de goed van voedingsstoffen voorziene bodem, met als gevolg dat de grassen het veld gaan overwoekeren."
bewerkt naar: Marc van den Broek, Op de grote gele heide, de Volkskrant, 22 september 2002
Hoe wordt de plantengroei genoemd die als eerste optreedt in een gebied waarin daarvoor nog geen planten groeiden?
2/3 Op de grote gele heide.
Leerlingen die een profielwerkstuk maken over "De vergrassing van de heide" doen in hun werkstuk de volgende uitspraken:
1. Op kale arme zandgrond groeien de heideplantjes beter dan de grasplantjes.
2. Voor grasplantjes die onder of tussen heideplantjes groeien, is meestal water de beperkende factor.
Welke uitspraak is of welke uitspraken zijn op grond van de gegevens in de tekst juist?
3/3 Op de grote gele heide.
Zie figuur A 733 van de bijlage.
Het heidehaantje, een keversoort, eet de blaadjes van heideplanten op. In de afbeelding staat een aantal diagrammen waarin de totale biomassa aan heideplanten is uitgezet in de loop van de tijd.
Op tijdstip T heeft het heidehaantje zich tot een plaag ontwikkeld.
Welke van deze diagrammen kan op een juiste wijze het verloop van deze biomassa weergeven?
afbeelding
1/3 Groene daken.
Zie figuur B 2899 van de bijlage.
Tekst:
De laatste jaren is er een toenemende tendens om platte daken te voorzien van vegetatie. De vegetatie mag niet te diep wortelen en moet makkelijk te onderhouden zijn. In 1995 werd er in ons land op zo'n zeven hectare dak vegetatie aangebracht; in Duitsland zelfs op negenhonderd hectare.
In een aaneengesloten dakvegetatie ontwikkelt zich een speciale levensgemeenschap van onder andere muurpeper (een vetplant), mossen en kleine dieren.
bron: Natuur en Techniek, 4 april 1996
Zie figuur B 2899 van de bijlage.
In de afbeelding is de gemiddelde temperatuurschommeling in de loop van een aantal zomer- en winterdagen te zien op een kaal plat dak en op een plat dak met vegetatie (in Oostenrijk).
Leg uit waardoor begroeiing ertoe bijdraagt dat de temperatuur op een plat dak met vegetatie in de zomer veel minder hoog oploopt dan op een kaal plat dak.
afbeelding
2/3 Groene daken.
Als men een onderhoudsvrij groen dak wil maken, is de aanplant van mossen of muurpeper voldoende. Deze planten kunnen zowel in relatief droge als in natte omstandigheden overleven en ze groeien ook in voedselarme omstandigheden. Daarom krijgen ze een kleine starthoeveelheid voedingsstoffen en alleen de eerste twee jaar, naast de normale hoeveelheid regen, extra water. Tevens moeten in die periode ongewenste plantensoorten verwijderd worden.
Leg uit waarom alleen de eerste twee jaren extra water gegeven hoeft te worden en daarna niet meer. Gebruik bij je uitleg het begrip tolerantiegebied.
3/3 Groene daken.
Leg uit waardoor na twee jaar, in zomers met genoeg water, andere kruiden zich toch niet op de nog open plekjes kunnen vestigen.
1/7 De Groote Peel.
Zie figuur B 1242 van de bijlage.
Tekst:
Op de grens van Noord-Brabant en Limburg ligt een groot natuurgebied: de Groote Peel. Dit gebied wordt gekenmerkt door uitgestrekte hoogveenterreinen, plassen, heidevelden, vlakten met pijpenstrootje (een grassoort) en zandruggen.
De plassen zijn ontstaan door turfwinning. In de jaren '50 en '60 van de vorige eeuw zijn rond deze plassen bomen geplant. Hierdoor is een zeer gevarieerd landschap ontstaan. Men spreekt van hoogveen als veenmosplanten (zie de afbeelding) geen contact meer hebben met het grondwater en dus voor hun water- en zoutenvoorziening volledig afhankelijk zijn van het regenwater: Hoogveen werkt als een spons. Het regenwater wordt er vastgehouden en de bodem wordt volledig verzadigd met water. Veenmos geeft waterstofionen af, waardoor het vastgehouden water zuur wordt. Door de grote verzuring en de geringe hoeveelheid lucht in de bodem gaan andere planten, zelfs bomen, dood en worden vervolgens overwoekerd door het veenmos. De dode resten van deze bomen, kienhout genaamd, bevinden zich in hoogveen en kunnen soms wel enige duizenden jaren oud zijn.
De Groote Peel is bijzonder rijk aan diersoorten. Zo leven er veel soorten vogels, reptielen, vlinders en libellen. Het water is daarentegen soortenarm: als enige vissoort komt het Amerikaanse hondsvisje voor.
bron: Nationaal Park Brochure Staatsbosbeheer; okt. 1995
Men spreekt bij de Groote Peel van een 'voedselarm' gebied.
Welke stof is of welke stoffen zijn in dit voedselarme gebied weinig aanwezig?
afbeelding