Biotechnologie
6/8 Dierproeven.
Voor dierproeven in de medische sector worden voornamelijk zoogdieren gebruikt.
Geef hiervoor een verklaring.
Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.
20
Biologie
VO Kerndoel 31: Processen in de natuur
HAVO 4, HAVO 5
NVON
cc-by-sa-40
6/8 Dierproeven.
Voor dierproeven in de medische sector worden voornamelijk zoogdieren gebruikt.
Geef hiervoor een verklaring.
7/8 Dierproeven.
Zie figuur A 649 van de bijlage.
Voor een presentatie wil je de gegevens uit de tabel zo ordenen dat de ontwikkeling in het gebruik van het totale aantal proefdieren in de loop van de jaren 1991 tot en met 1994 direct te zien is.
Op de bijlage is een stuk millimeterpapier afgedrukt.
Teken daarin een assenstelsel en maak hierin een staafdiagram van dit gebruik aan proefdieren waarbij je op de Y-as uitsluitend het bereik van 760.000 - 900.000 uitzet.
afbeelding
8/8 Dierproeven.
Tijdens de presentatie geef je aan in een toelichting bij het diagram dat er elk jaar evenveel biomedisch onderzoek is geweest, terwijl het aantal dierproeven is afgenomen. Een van de toehoorders vraagt hoe dat kan. Jij antwoordt dat de druk van de publieke opinie op dierproeven de onderzoekers er toe brengt om het aantal dierproeven te verminderen.
Geef een mogelijkheid voor wetenschappers om bij evenveel biomedisch onderzoek het aantal proefdieren toch te verminderen.
1/4 Insuline.
Leg uit hoe de productie van insuline plaatsvindt volgens de 'oude' technologie.
2/4 Insuline.
Welke nadelen kleven aan de oude manier van productie van insuline (minstens twee)? Leg uit.
3/4 Insuline.
Hoe vindt de productie plaats volgens de 'nieuwe' technologie (minstens zes stappen)?
4/4 Insuline.
Geef de voordelen (2x) en nadelen (2x) van deze 'nieuwe' technologie.
1/3 Transgene organismen.
Zie figuur C 155 van de bijlage.
Het is mogelijk stukjes DNA met een bepaald gen in een zygote in te brengen. Zo'n stukje extra DNA kan afkomstig zijn van een andere soort dan de soort waarvan de zygote afkomstig is.
Als dit extra DNA van een andere soort wordt ingebouwd in het DNA van de zygote, kan als nakomeling een zogenoemd transgeen dier ontstaan.
In de afbeelding C 155 is deze techniek bij muizen weergegeven. Of de muizenjongen transgeen zijn, wordt ongeveer 6 weken na de geboorte bepaald door het DNA van bloedcellen te analyseren. Van een transgene muis bevatten alle lichaamscellen het ingebrachte gen.
Geef de naam van het proces, door middel waarvan het in de zygote ingebrachte gen in alle lichaamscellen van de transgene muis is terechtgekomen.
afbeelding
2/3 Transgene organismen.
Zie figuur C 155 van de bijlage.
In het genotype van de eerste generatie transgene muizen is het desbetreffende gen slechts in enkelvoud aanwezig. Een transgeen mannetje van deze eerste generatie vormt zaadcellen.
In hoeveel procent van de zaadcellen komt het nieuwe gen voor?
afbeelding
3/3 Transgene organismen.
Zie figuur C 155 van de bijlage.
Groeihormoon dat momenteel als geneesmiddel voor de mens wordt gebruikt, wordt op grote schaal gemaakt door bacteriën waaraan door genetische manipulatie menselijk DNA is toegevoegd. Dat geldt ook voor het hormoon insuline. Deze hormonen zijn zeer geschikt om via genetische manipulatie te worden geproduceerd, omdat ze beide tot een bepaalde groep stoffen behoren.
Tot welke van de volgende groepen stoffen behoren deze hormonen?
afbeelding
1/6 Groeihormoon.
Zie figuur A 442 van de bijlage.
Door genetische manipulatie is het gelukt om bacteriën stoffen te laten produceren die ze oorspronkelijk niet konden maken.
Voorbeelden van producten die al op commerciële schaal door bacteriën worden gemaakt, zijn insuline, groeihormoon van de mens (HST) en groeihormoon van het rund (BST). Deze drie hormonen zijn eiwitten. Bij de genoemde techniek is de DNA-code voor het desbetreffende eiwit van een mens of van een zoogdier in een bacterie gebracht.
In de afbeelding is een cel van een mens of dier met een aantal organellen en structuren schematisch weergegeven.
Geef het nummer en de naam van de structuur of het organel waarin zich de DNA-code bevindt die kan worden overgebracht in een bacterie.
afbeelding
2/6 Groeihormoon.
Leg uit waardoor juist eiwitten geschikte stoffen zijn om met behulp van genetische manipulatie te worden geproduceerd.
3/6 Groeihormoon.
Bij rundvee heeft het rundergroeihormoon (BST) behalve een groeibevorderende werking ook een stimulerende invloed op de melkproductie. Uit experimenten blijkt dat injecties met groeihormoon de melkproductie met 10 tot 20% doen toenemen.
In Nederland is het gebruik van BST niet toegestaan, in de Verenigde Staten wel. Tegenstanders van de toepassing van BST in de melkveehouderij vrezen onder andere dat de mens extra groeihormoon in het bloed krijgt wanneer melk of vlees van behandelde koeien wordt geconsumeerd.
Is deze vrees gegrond? Leg je antwoord uit met een argument uit de biologie.
4/6 Groeihormoon.
Uit onderzoek is gebleken dat een koe die behandeld wordt met BST, minder voedsel van dezelfde samenstelling nodig heeft voor de productie van 1 liter melk dan een koe die niet met BST behandeld wordt.
Wordt de hoeveelheid mest per geproduceerde liter melk kleiner, blijft deze gelijk of wordt deze groter na toediening van BST?
5/6 Groeihormoon.
Er zijn voor- en tegenstanders van het gebruik van BST. De voor- en tegenstanders gebruiken ieder hun eigen argumenten.
In het voorgaande worden argumenten gegeven die door een voorstander kunnen worden gebruikt.
Noem zo'n argument.
6/6 Groeihormoon.
Vind jij dat BST ter stimulering van de melkproductie wel of niet moet worden toegestaan? Geef voor je standpunt, op basis van je kennis van de biologie, een argumentatie die verder gaat of anders is dan wat in het voorgaande al aan de orde is geweest.
Alleen je argumentatie wordt beoordeeld, je mening als zodanig niet.
1/4 Klassieke biotechnologie.
Zie figuur A 745 van de bijlage.
Al heel lang worden biotechnologische processen gebruikt bij de voedselbereiding. Het is vrij gemakkelijk om deze processen op kleine schaal toe te passen. Je vult bijvoorbeeld een fles met druivensap en voegt er wat gist aan toe. Daarna sluit je de fles af met een waterslot. Hierdoor gaat gas wel naar buiten, maar niet naar binnen (zie de afbeelding A 745). Zo verloopt de gisting onder anaërobe omstandigheden (fase 1).
Daarna verwijder je het waterslot. Nu kan er lucht de fles in. In die lucht bevinden zich azijnzuurbacteriën. Azijnzuurbacteriën zetten met behulp van zuurstof een door de gistcellen geproduceerde afvalstof om in azijnzuur (fase 2).
Bron: Thuis gemaakte landwijnen en bieren. Herman Wijnhuis, 1979, 19
Verandert de massa van de inhoud van de fles tijdens fase I?
Zo ja, hoe verandert de massa?
afbeelding
2/4 Klassieke biotechnologie.
Zie figuur A 745 van de bijlage.
Welke stof wordt geproduceerd door de gistcellen en vervolgens gebruikt door azijnzuurbacteriën? [invulveld]
afbeelding
3/4 Klassieke biotechnologie.
Zie figuur A 745 van de bijlage.
Stijgt of daalt de pH tijdens fase of blijft hij gelijk? Leg je antwoord uit.
afbeelding
4/4 Klassieke biotechnologie.
Zie figuur A 745 van de bijlage.
Tot welke van de volgende groepen worden gistcellen gerekend?
afbeelding