Oefentoets Biologie: Voortplanting - planten_algemeen | VWO 4/VWO 5/VWO 6

Deze oefentoets bevat 27 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

27

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VWO 4, VWO 5, VWO 6

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Voortplanting

Ei(cel)kernen in één zaadbeginsel.

Hoeveel ei(cel)kernen zijn vlak voor de bevruchting in één zaadbeginsel van een bedektzadige plant aanwezig?

Voortplanting

De bouw van een vrouwelijke bloem.
Zie figuur B 264 van de bijlage.

De tekening geeft schematisch de bouw weer van een bepaalde onbestoven vrouwelijke bloem.

Met welk cijfer worden de kelkbladen aangeduid?
In welk deel kunnen haploïde cellen voorkomen?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

Een doorsnede van een zaadknop voor de bevruchting.
Zie figuur B 223 van de bijlage.

De tekening stelt voor een doorsnede van een zaadknop voor de bevruchting. De kernen in de bladcellen van dezelfde plant bevatten 20 chromosomen.

Hoe groot is het aantal chromosomen in de kernen aangegeven met 1 en 2?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

Vorming en ontwikkeling van stuifmeelkorrels.
Zie figuur B 246 van de bijlage.

De figuur stelt voor de vorming van stuifmeelkorrels uit de stuifmeelmoedercel en de verdere ontwikkeling van één ervan.

Tussen welke stadia wordt het aantal chromosomen per kern gehalveerd (meiose I)?

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

Het aantal chromosomen na een meiosefout.

Een plant heeft in zijn bladcellen 18 chromosomen.
Door een fout bij de meiose ontstaan stuifmeelkorrels met 1 chromosoom minder dan normaal.
Door een van deze stuifmeelkorrels treedt zelfbestuiving op, waarna een zaad gevormd wordt.

Hoe groot is het aantal chromosomen in de zaadhuid?

Voortplanting

Het aantal chromosomen in een kern van een stuifmeelbuis.

Voor een bepaalde zaadplant geldt: 2n = 36.

Hoeveel chromosomen bevinden zich in een kern in een stuifmeelbuis van deze plant?

Voortplanting

Twee stadia van de ontwikkeling van een stuifmeelbuis.
Zie figuur B 299 van de bijlage.

De figuur stelt voor twee stadia van de ontwikkeling van een stuifmeelbuis.
Bladmoescellen van de plant waarvan de stuifmeelkorrel afkomstig is, bevatten 12 chromosomen per kern.

Hoeveel chromosomen bevat kern 1?
En hoeveel kern 2?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

Chromosomen in een bloem.

Het aantal chromosomen in een kern van een cel van een kroonblad van een bepaalde plant bedraagt 16.

Hoeveel chromosomen bevinden zich bij deze plant in alle kernen in de stuifmeelbuis tezamen, vlak voordat deze stuifmeelbuis het zaadbeginsel bereikt heeft?

Voortplanting

Allelen in een chromosomenpaar van een zaadplant.
Zie figuur B 1128 van de bijlage.

In de afbeelding is schematisch een chromosomenpaar van een zaadplant weergegeven. Op elk van de met * aangegeven plaatsen bevindt zich een allel voor de bloemkleur. Dit chromosomenpaar bevindt zich in een zich delende cel van een helmknop in een bloem.
Aangenomen wordt dat er geen mutatie optreedt of is opgetreden.

Hoeveel verschillende typen allelen kunnen maximaal op de vier aangegeven plaatsen worden aangetroffen?

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

Meiose en allelen in een meeldraad.
Zie figuur B 73 van de bijlage.

In een meeldraad van een plant ondergaat een stuifmeelmoedercel meiose I en meiose II. De foto in de figuur geeft het laatste stadium weer van de meiose II. De chromosomen zijn niet goed van elkaar te onderscheiden. De plant, waarvan de getekende cellen afkomstig zijn, is heterozygoot voor een bepaalde eigenschap en heeft genotype Qq. Bij 1 bevindt zich in één van de chromosomen een allel Q.
Aangenomen wordt dat er in de plant geen mutaties optreden, maar dat bij de meiose crossing-over wel mogelijk is.

Welk van de allelen Q en q bevindt zich of welke bevinden zich bij 2?
Is dat met zekerheid te zeggen?

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

Meiotische deling bij de lelie.

De eicel ontwikkelt zich bij zaadplanten uit een diploïde (2n) embryozakmoedercel. Er treedt een meiotische deling op van de embryozakmoedercel. Drie van de vier kernen vormen samen één nieuwe kern. Er zijn nu twee kernen. Daarna ondergaan beide kernen een mitose. De hierbij gevormde kernen ondergaan eveneens een mitose.

Hoeveel kernen zijn er nu en hoeveel chromosomen heeft elke kern?

Voortplanting

Chromosomen in een stuifmeelbuis.
Zie figuur B 2367 van de bijlage.

Bij een bepaalde zaadplant (zie de afbeelding) is 2n = 40.

Hoeveel chromosomen zijn maximaal te verwachten in alle kernen te zamen van één bijna volgroeide stuifmeelbuis van deze plant?

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

Meiose bij bedektzadige planten.

Waar vindt bij bedektzadige planten meiose plaats?

Voortplanting

Haploïde cellen bij Salomonszegel.
Zie figuur A 21 van de bijlage.

De figuur stelt voor een Salomonszegel (een diploïde zaadplant).

In welk of in welke van de aangegeven organen kunnen haploïde cellen voorkomen?

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

Meiose bij planten.

Bij zaadplanten komen voor:

1. helmknoppen;
2. stempels;
3. stuifmeelbuizen;
4. zaadbeginsels.

Waar vindt meiose plaats?

Voortplanting

Een eicel in het zaadbeginsel.
Zie figuur B 37 van de bijlage.

De afbeelding geeft vier stadia in de ontwikkeling van een eicel uit de embryozakmoedercel in het van een zaadplant weer.

Tussen welke van deze stadia vindt alleen mitose plaats bij de ontwikkeling van de eicel?

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

Een dwarsdoorsnede van een deel van een bloem.
Zie figuur B 1677 van de bijlage.

De afbeelding is een tekening van een microscopisch preparaat van een dwarsdoorsnede van een deel van een bloem. Op de tekening zijn zes zaadbeginsels zichtbaar.

Hoeveel eikernen zouden zich maximaal in deze zes zaadbeginsels hebben kunnen ontwikkelen als de bloem was blijven leven?

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

Delingstypen in een zaadbeginsel.
Zie figuur B 2368 van de bijlage.

Drie delingstypen kunnen als volgt worden weergegeven:

1: 2n ® 2n + 2n,
2: 2n ® n + n,
3: n ® n + n.

In de afbeelding is een jong zaadbeginsel getekend. P is de embryozakmoedercel.

Welke van de genoemde delingstypen vindt of welke vinden, uitgaande van cel P, plaats tot en met de vorming van een eicel?

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

Bloemen en allelen.
Zie figuur B 37 van de bijlage.

De tekeningen geven de ontwikkeling weer in een zaadbeginsel van een plant, voordat bevruchting kan plaatsvinden. De plant waarvan het zaadbeginsel afkomstig is, heeft voor een bepaalde eigenschap genotype Rr. Op een bepaald moment blijkt dat de eikern vóór de bevruchting een allel R heeft gehad.
Er hebben geen mutaties plaatsgevonden.

In welk of in welke van de getekende stadia van de ontwikkeling lag het vast dat de eikern een allel R en geen allel r zou hebben?

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

Voortplanting bij zaadplanten.
Zie figuur B 1504 van de bijlage.

Bij een embryozakmoedercel van een zaadplant treedt in één allel van een allelenpaar een mutatie op.
Het andere allel van dit allelenpaar blijft ongemuteerd. Deze embryozakmoedercel ontwikkelt zich tot embryozak (zie de afbeelding). Het door mutatie ontstane allel komt voor in de kern van de eicel.
Andere mutaties treden niet op.

Hoe groot is de kans dat het door mutatie ontstane allel ook voorkomt in de kern die met P is aangegeven?

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

Kernen in de stuifmeelbuis.
Zie figuur A 46 van de bijlage.

Stuifmeelkorrels ontstaan uit stuifmeelmoedercellen.
In een stuifmeelbuis van een bedektzadige plant komen op een bepaald moment drie kernen voor. De schema's waarin een O een kern voorstelt, geven het ontstaan van deze drie weer (1, 2 en 3).

Welk schema is het juiste?

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

Generatiewisseling bij varens en holtedieren.
Zie figuur C 33 van de bijlage.

Zowel bij sommige varens als bij sommige holtedieren (bijvoorbeeld de oorkwal) komt generatiewisseling voor, waarbij de geslachtelijke en de ongeslachtelijke generatie elkaar afwisselen. De generatie die gameten produceert wordt geslachtelijke generatie genoemd.

Figuur 1: Generatiewisseling van de eikvaren.
Op de bladeren van deze varensoort (P) ontwikkelen zich sporedoosjes, waaruit door meiose sporen ontstaan. Een spore groeit uit tot een klein plantje (Q). Daaraan ontwikkelen zich voortplantingsorganen (R en S), waarin gameten worden gevormd. De zygote groeit uit tot een nieuwe varenplant.
Figuur 2: Generatiewisseling van de oorkwal.
Bij deze dieren brengen de kwallen gameten voort. Na bevruchting ontstaan poliepen waaruit door afsnoering nieuwe kwallen ontstaan.

Welke generatie is of welke generaties zijn diploïd bij de eikvaren?
En welke bij de oorkwal?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

Voortplantingwijze van varens.
Zie figuur A 23 van de bijlage.

De tekening geeft weer de voortplantingswijze van varens.
Uit een spore van een diploïde varenplant ontstaat door mitose een zogenaamde voorkiem.
De voorkiem vormt door mitose gameten. Uit de zygote ontstaat door mitose weer een varenplant.

Is de voorkiem haploïd of diploïd?
Ontstaan de sporen door mitose of door meiose?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

De levenscyclus van een varen.
Zie figuur C 100 van de bijlage.

In de levenscyclus van de watervaren Salvinia natans wisselt een geslachtelijke generatie af met een ongeslachtelijke generatie. Bij deze varensoort ontstaan na meiose twee typen sporen: macrosporen en microsporen. Uit een macrospore ontstaat een vrouwelijke voorkiem en uit een microspore ontstaat een mannelijke voorkiem. In de voorkiemen worden gameten gevormd. Een mannelijke gameet versmelt met een vrouwelijke gameet. De hierdoor ontstane zygote ontwikkelt zich tot een varenplant.
In de afbeelding is deze generatiewisseling schematisch weergegeven. Er wordt van uitgegaan dat geen mutaties optreden.
Drie beweringen over de generatiewisseling in de afbeelding zijn:

1. een macrospore van een Salvinia natans-plant heeft altijd hetzelfde genotype als een microspore van dezelfde plant;
2. een macrospore van een Salvinia natans-plant heeft een ander fenotype dan een microspore van dezelfde plant;
3. gameten ontstaan door mitose uit de cellen van de voorkiem van een Salvinia natans-plant.

Welke van deze beweringen is of welke zijn juist?

afbeeldingafbeelding

Groei_ontwikkeling

Twee stekjes.

Je zet twee even grote stekjes van dezelfde plant op de vensterbank en geeft ze regelmatig met een gieter evenveel water. Eén van de twee stekjes aai je elke dag een beetje, het andere laat je onberoerd.

Welk effect heeft deze behandeling na een paar weken op de groei van de planten?