Ecologie
1/3 De Turkse mot.
Zie figuur B 6810 van de bijlage.
De Turkse mot is een vlindertje dat in Nederland veel voorkomt in kassen waarin paprika's worden geteeld.
Hoe heten de ademhalingsorganen van een Turkse mot. [invulveld]
afbeelding
Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.
20
Biologie
VO Kerndoel 31: Processen in de natuur
VMBO theoretische leerweg, 3, VMBO theoretische leerweg, 4
NVON
cc-by-sa-40
1/3 De Turkse mot.
Zie figuur B 6810 van de bijlage.
De Turkse mot is een vlindertje dat in Nederland veel voorkomt in kassen waarin paprika's worden geteeld.
Hoe heten de ademhalingsorganen van een Turkse mot. [invulveld]
afbeelding
2/3 De Turkse mot.
Zie figuur B 6810 van de bijlage.
De Turkse mot legt eitjes op paprikaplanten. De rupsen van de mot voeden zich met de bladeren en kunnen daardoor veel schade aanrichten in de paprikateelt. De vrouwtjes van de Turkse mot lokken de mannetjes met geurstoffen, zogenaamde feromonen. Om de Turkse mot te bestrijden wordt wel gebruik gemaakt van feromoonvallen. Deze vallen worden tussen de paprikaplanten geplaatst. Door de feromonen worden mannetjesmotten de vallen in gelokt en daarna gedood.
Leg uit hoe een plaag van Turkse motten in een kas tegengegaan wordt door alleen maar de mannetjes weg te vangen.
afbeelding
3/3 De Turkse mot.
Bestrijding van de Turkse mot door middel van feromoonvallen is veel minder schadelijk voor het milieu dan bestrijding met chemische middelen.
Noem twee voordelen van bestrijding met feromoonvallen, waardoor deze bestrijding minder schadelijk is dan met chemische middelen.
1/4 Parasitaire planten.
Zie figuur B 6811 van de bijlage.
Maretak en duivelsnaaigaren zijn plantensoorten die, om te kunnen leven, aangewezen zijn op andere planten. Ze leven op een andere plant en onttrekken daaraan stoffen.
De maretak leeft onder andere op populieren en appelbomen en onttrekt daaraan water en zouten. De maretak bezit bladgroen en heeft houtige stengels. De plant kan jaren oud worden.
Duivelsnaaigaren is een éénjarige plant die geen bladgroen bevat en die onder andere leeft op en van brandnetels en heideplanten. Hieraan worden water, zouten en assimilatieproducten onttrokken.
Kan de maretak zelf organische stoffen produceren of is dat niet uit de gegevens af te leiden?
afbeelding
2/4 Parasitaire planten.
Uit welke vaten van de brandnetel haalt het duivelsnaaigaren de noodzakelijke stoffen?
3/4 Parasitaire planten.
Is duivelsnaaigaren autotroof of heterotroof of is dit niet te zeggen?
4/4 Parasitaire planten.
Komt bij duivelsnaaigaren alleen verbranding voor, alleen fotosynthese of komen beide voor?
1/2 Vetblad.
Zie figuur B 3462 van de bijlage.
Vetblad (zie de afbeelding) is een zeldzame plantensoort die op vochtige, voedselarme veengrond groeit. De plant met groene bladeren "vangt" dieren. Kleine insecten blijven hangen aan het vocht dat door haren op de bladeren wordt afgescheiden. Andere delen van het blad scheiden een stof af waardoor de insecten worden verteerd. Het blad neemt de uit het insect vrijgekomen stoffen op. Op het blad leven ook kleine schimmels van de resten van de insecten. De meeste planten kunnen niet groeien op voedselarme grond.
Hebben zij op die grond vooral gebrek aan koolhydraten, aan koolstofdioxide, aan water of aan bepaalde zouten?
afbeelding
2/2 Vetblad.
Twee beweringen over de schimmels op de bladeren van vetblad zijn:
1. de schimmels nemen organische stoffen op uit de resten van de insecten;
2. de schimmels zetten resten van de insecten om in anorganische stoffen.
Welke van deze beweringen is of welke zijn juist?
afbeelding
1/4 Wiertjes in een pantoffeldiertje.
Zie figuur B 914 van de bijlage.
Het komt voor dat bepaalde organismen in andere organismen leven.
In sommige eencellige diertjes, zoals het pantoffeldiertje (zie de afbeelding), kunnen bijvoorbeeld groenwiertjes voorkomen.
Deze wiertjes bezitten bladgroen en onttrekken bepaalde stoffen aan het pantoffeldiertje. De wiertjes gebruiken deze stoffen voor hun fotosynthese. Het pantoffeldiertje krijgt op zijn beurt bepaalde stoffen van de wiertjes.
Welke stof geven de pantoffeldiertjes en de wiertjes beide af wanneer ze in het donker leven?
afbeelding
2/4 Wiertjes in een pantoffeldiertje.
In welk of in welke van deze organismen wordt energie vrijgemaakt door verbranding?
3/4 Wiertjes in een pantoffeldiertje.
Welke zijn de 'bepaalde stoffen' die aan het pantoffeldiertje worden onttrokken?
4/4 Wiertjes in een pantoffeldiertje.
Welke zijn de 'bepaalde stoffen' die aan het pantoffeldiertje worden gegeven?
1/2 Korstmossen.
Korstmossen komen vooral voor op stenen, op takken en stammen van bomen, en op droge grond zoals heidegrond. Een korstmos bestaat uit schimmeldraden en ééncellige wieren.
Een korstmos neemt uit de omgeving uitsluitend water en zouten op. Glucose wordt door een korstmos zelf geproduceerd door fotosynthese.
Treedt er fotosynthese op in de schimmeldraden van een korstmos?
En in de wieren? Leg je antwoord uit.
2/2 Korstmossen.
De meeste korstmossen zijn goed bestand tegen droogte en veel zon, maar ze zijn erg gevoelig voor luchtverontreiniging. Vooral zwaveloxiden en ammoniak vormen een ernstige bedreiging.
Wordt de luchtvervuiling door zwaveloxiden vooral veroorzaakt door de bio-industrie of vooral door de verbranding van fossiele brandstoffen?
En de luchtvervuiling door ammoniak?
afbeelding
1/5 Vleesetende planten.
Zie figuur B 3326 van de bijlage.
Vleesetende planten komen voor in een omgeving met weinig voedingszouten in de bodem. Zulke planten lokken, vangen, doden en verteren hun 'prooien'. Uit de verteerde prooien nemen ze voedingszouten op, zoals nitraten. In vleesetende planten treedt wèl fotosynthese op. In de afbeelding is een cel uit een blad van een vleesetende plant weergegeven.
Welke letter geeft een deel aan waarin fotosynthese optreedt?
afbeelding
2/5 Vleesetende planten.
Zie figuur B 461 van de bijlage.
Sommige vleesetende planten vangen hun 'prooi' met vangbekers (zie de afbeelding). In de vangbekers bevindt zich regenwater met bacteriën. Een insect dat in zo'n beker terechtkomt, kan niet meer ontsnappen en verdrinkt. De bacteriën verteren de prooi, waarna de plant de vrijgekomen voedingszouten kan opnemen.
In de tekst worden bacteriën, insecten en planten genoemd. Deze vertonen zowel verschillen als overeenkomsten in de bouw van hun cellen.
Welke van deze organismen hebben celwanden?
afbeelding
3/5 Vleesetende planten.
Welke energierijke stof maakt de plant door fotosynthese?
De stof [invulveld]
4/5 Vleesetende planten.
Voor de opbouw van welke voedingsstoffen gebruikt een plant nitraten?
5/5 Vleesetende planten.
Andere vleesetende planten verteren de prooien zelf met enzymen en zuren. De zuren beïnvloeden de werking van de enzymen.
Twee omgevingsfactoren zijn de temperatuur en de hoeveelheid te verteren prooi.
Welk van deze omgevingsfactoren heeft invloed op de werking van enzymen?