Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.
Aantal vragen
20
Vak(ken)
Biologie
Kerndoel(en)
VO Kerndoel 31: Processen in de natuur
Leerniveau(s)
VWO 1, VWO 2
Uitgever
NVON
Copyright
cc-by-sa-40
Bloed
1/2 Beenmerg. Zie figuur B 3221 van de bijlage.
Bloeddeeltjes worden gevormd in het rode beenmerg. In de afbeelding is een lengtedoorsnede van een dijbeen weergegeven.
Welke letter geeft de plaats aan waar het rode beenmerg zich bevindt?
afbeelding
Bloed
3/3 Deeltjes in het bloed.
Noem enkele bestanddelen van de stof uit de vorige vraag.
Bloed
1/3 Bloedplaatjes. Zie figuur B 2851 van de bijlage.
In de afbeelding zijn verschillende bloeddeeltjes weergegeven, zoals je die door een microscoop zou kunnen zien.
Welk van de bloeddeeltjes P, Q en R is een bloedplaatje?
afbeelding
Bloed
2/3 Bloedplaatjes.
Bij Karin wordt vastgesteld dat het aantal bloedplaatjes per ml bloed veel lager is dan normaal. Over de directe gevolgen hiervan worden drie beweringen gedaan:
1. Het bloed van Karin vervoert minder zuurstof. 2. Het bloed van Karin doodt minder ziektekiemen. 3. Het bloed van Karin stolt minder snel.
Welke bewering is juist?
Bloed
3/3 Bloedplaatjes.
1. Het bloed van Karin vervoert minder zuurstof. 2. Het bloed van Karin doodt minder ziektekiemen. 3. Het bloed van Karin stolt minder snel.
Welke bewering(en) is(zijn) juist?
Bloed
1/3 Bloeddeeltjes. Zie figuur B 3107 van de bijlage.
In het beenmerg van bepaalde botten worden bloeddeeltjes gemaakt. In de afbeelding zijn enkele van deze botten met grijs aangegeven. Ook is een bepaald type bloeddeeltjes te zien.
In welke botten worden volgens de bovenstaande informatie bloeddeeltjes gemaakt?
afbeelding
Bloed
2/3 Bloeddeeltjes. Zie figuur B 3107 van de bijlage.
Welke bloeddeeltjes zijn in de afbeelding weergegeven?
afbeelding
Bloed
3/3 Bloeddeeltjes.
Bloeddeeltjes hebben bepaalde taken. In het schema staan drie taken.
afbeelding
Welke taak hoort bij welk bloeddeeltje? (combineer het nummer met de juiste letter)
Bloed
1/3 Bloedplaatjesarmoede.
Een patiënt met 'bloedplaatjesarmoede' heeft een zo groot tekort aan bloedplaatjes, dat dit levensgevaarlijk kan zijn.
Leg uit waardoor een tekort aan bloedplaatjes levensgevaarlijk kan zijn.
Bloed
2/3 Bloedplaatjesarmoede. Zie figuur B 3272 van de bijlage.
In de afbeelding is een microscopisch beeld van bloed te zien.
Met welke letter wordt een bloedplaatje aangegeven?
afbeelding
Bloed
1/2 Bloedplaatjes-armoede. Zie figuur B 1453 van de bijlage.
Sommige mensen hebben te weinig bloedplaatjes in hun bloed. Dit wordt bloedplaatjes-armoede genoemd. In de afbeelding zijn van gezond bloed drie verschillende bloeddeeltjes weergegeven.
Welk bloeddeeltje stelt een bloedplaatje voor?
afbeelding
Bloed
2/2 Bloedplaatjes-armoede.
Wat is het gevolg van bloedplaatjes-armoede?
Bloed
1/2 Bloedcellen.
In welk orgaan worden rode bloedcellen afgebroken?
Bloed
2/2 Bloedcellen.
In welk orgaan worden bloedcellen gemaakt?
Bloed
Bloeddeeltjes met kern.
Welke bloeddeeltjes hebben een kern?
Bloed
Tandvleesontsteking.
Sommige mensen hebben problemen met hun tandvlees. Door bacteriën in de mond kan het tandvlees ontstoken raken. Bepaalde bloeddeeltjes bestrijden deze bacteriën.
Welke bloeddeeltjes zijn betrokken bij het bestrijden van deze bacteriën? En op welke twee manieren kunnen deze type bloedcellen bacterien uitschakelen als zij zich in het lichaam bevinden?