Oefentoets Biologie: Plantenanatomie | VWO 5/VWO 6 | variant 8

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VWO 5, VWO 6

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Plantenfysiologie

Zonne-energie.

Een vegetatie, bijvoorbeeld die van een moeras, gaat meer zonne-energie vastleggen wanneer er anorganische mest in terecht komt.

De hoeveelheid vastgelegde zonne-energie zal tevoren beperkt geweest zijn door de hoeveelheid

Plantenfysiologie

Autotrofe planten.

Door autotrofe planten opgenomen sulfaat dient onder andere voor

Plantenfysiologie

Opname van mineralen.

De opname van mineralen door de wortels van een plant berust ten dele op actieve processen en ten dele op passieve processen.

De opname van mineralen door wortels begint passief met

Plantenfysiologie

Vleesetende planten.

Sommige vleesetende planten met bladgroen zullen bij toevoeging van bepaalde voedingsstoffen aan de bodem een andere bladvorm krijgen. Ze vormen dan alleen blaadjes die ongeschikt zijn voor het vangen van insecten.

Welke voedingsstoffen die de plant opneemt uit de bodem, bewerkstelligen dat?

Plantenfysiologie

Experiment met eendenkroos.
Zie figuur B 178 van de bijlage.

Eendenkroos is een klein plantje met bladgroen dat op het water drijft. Bij een experiment wordt in vier schaaltjes eendekroos gekweekt op een voedingsoplossing waarop deze plantjes gewoonlijk goed groeien en zich voortplanten. In elk schaaltje worden drie plantjes gedaan. Aan de voedingsoplossing worden al of niet bepaalde stoffen toegevoegd:

schaaltje 1: drie plantjes op de voedingsoplossing;
schaaltje 2: drie plantjes op de voedingsoplossing, waaraan bovendien gelijke hoeveelheden van de stoffen P en Q zijn toegevoegd;
schaaltje 3: drie plantjes op de voedingsoplossing, waaraan alleen eenzelfde hoeveelheid van stof P is toegevoegd als aan schaaltje 2;
schaaltje 4: drie plantjes op de voedingsoplossing, waaraan alleen eenzelfde hoeveelheid van stof Q is toegevoegd als aan schaaltje 2.

De vier schaaltjes worden enkele dagen weggezet. Hierna zien ze er uit zoals in de tekeningen is weergegeven.

Welke van de onderstaande conclusies uit dit experiment zou juist kunnen zijn?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Ionen in sap van houtvaten.
Zie figuur B 170 van de bijlage.

Bij een tomatenplant werd op drie plaatsen (zie tekening) de ionenconcentratie van het sap in de houtvaten bepaald. Daarbij bleek dat de ionenconcentratie in de houtvaten van de bladnerf het laagst was (zie het diagram in figuur B 170).

Het verschil in ionenconcentratie tussen een houtvat in de bladnerf (3) en een houtvat in de stengel wordt veroorzaakt door

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Planten en sulfaat.

Planten hebben sulfaat nodig voor een gezonde groei. Iemand wil dit met een experiment aantonen. Daarbij heeft zij de beschikking over pas ontkiemde haverplanten en vier series reageerbuizen die het volgende bevatten:

1. serie 1: gedestilleerd water;
2. serie 2: gedestilleerd water, met daarin opgelost alleen sulfaat;
3. serie 3: een volledige voedingsoplossing;
4. serie 4: een oplossing waaraan sulfaat ontbreekt, maar die verder een volledige voedingsoplossing is.

In welke buizen zal zij tenminste haverplanten moeten kweken om aan te tonen dat haverplanten sulfaat nodig hebben om goed te groeien?

Plantenfysiologie

Stikstof in plant.

Alle planten hebben een hoeveelheid stikstof nodig.

Deze stikstof wordt door de meeste planten verkregen

Plantenfysiologie

Zwavel in planten.

Het element zwavel komt in planten vooral voor in eiwitten en vrije aminozuren. De hoeveelheid zwavel per volume-eenheid verschilt per plantendeel. Op een zomerse dag in Nederland worden monsters genomen van de volgende delen van een boom: cambium, epidermis, houtvaten en sponsparenchym. In deze monsters wordt de hoeveelheid zwavel per volume-eenheid bepaald.

In welk van deze monsters is de hoeveelheid zwavel per volume-eenheid het grootst?

Plantenfysiologie

Verdamping en wateropname door plant.
Zie figuur B 2494 van de bijlage.

Tijdens een experiment met een bonenplant werden de verdamping door het blad en de wateropname door de wortel gemeten.

Uit het diagram kan men afleiden dat op tijdstip t1 de plant werd overgeplaatst

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Druppelen van bladeren.

Planten scheiden soms aan de bladranden druppels water uit.

Bij welke bodemtemperatuur en welke relatieve luchtvochtigheid kan een dergelijke waterafscheiding vooral worden verwacht?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Druppelen van bladeren.
Zie figuur B 57 van de bijlage.

Aan de rand van de bladeren van de Oost-Indische Kers bevinden zich speciale openingen in de opperhuid. Achter deze openingen eindigen kleine vaatbundeltjes. Onder bepaalde omstandigheden wordt water in druppelvorm door deze openingen heen naar buiten geperst. Dit verschijnsel heet het druppelen van de plant (zie afbeelding).

Vindt dit druppelen plaats bij een hoge of bij een lage luchtvochtigheid?
Welke betekenis heeft dit druppelen voor de plant?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Deel van tak.
Zie figuur A 233 van de bijlage.

In de afbeelding is schematisch een deel van een tak weergegeven. Vier plaatsen zijn aangegeven met de cijfers 1, 2, 3 en 4.
In de boom met deze tak vindt fotosynthese plaats. De boom beschikt over voldoende water. Op tijdstip q begint het plotseling te waaien na een windstille periode. Op de plaatsen 1, 2 en 4 (zie afbeelding 1) wordt de hydrostatische druk bepaald.

Op welke van de plaatsen 1, 2 en 4 wordt de hydrostatische druk vanaf tijdstip q lager?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Watertransport in planten.

Het watertransport in zaadplanten wordt onder meer bewerkstelligd door de worteldruk en de door de bladeren uitgeoefende zuigspanning.

Zal bij een in Nederland voorkomende plant het watertransport maximaal zijn bij hoge of bij lage bodemtemperatuur?
En bij een hoge of lage relatieve vochtigheid van de lucht?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Opname en verdamping van water bij planten.
Zie figuur B 254 van de bijlage.

Van een plant worden gedurende een bepaalde proef de wateropname en de waterverdamping gemeten.
Van tijdstip S tot tijdstip T wordt een luchtstroming langs de plant tot stand gebracht.

Gedurende welke periode(s) is de osmotische waarde van het bladweefsel hoger dan die in de beginsituatie, voorafgaande aan tijdstip S?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Waterbalans van plant.

Bij een proef over de waterbalans in een plant is de proefopstelling zó gemaakt dat de luchttemperatuur gewijzigd kan worden, terwijl de bodemtemperatuur constant blijft. In deze proefopstelling staan drie planten (p, q en r) van dezelfde soort, waaraan het volgende is waar te nemen:

- bij luchttemperatuur 1 druppelt plant p aan de bladtoppen,
- bij luchttemperatuur 2 druppelt plant q niet en vertoont geen verwelkingsverschijnselen,
- bij luchttemperatuur 3 is plant r verwelkt.

Hoe is de volgorde van de luchttemperaturen, te beginnen bij de laagste?

Plantenfysiologie

Transport van water in plant.

Van drie even grote planten die in het licht staan, wordt gedurende één uur de verdamping gemeten. Vervolgens worden de stengels vlak boven de grond afgesneden en wordt onder dezelfde omstandigheden gemeten hoeveel bloeding in één uur optreedt. Bloeding is het vrijkomen van vocht uit het afgesneden deel met wortels, de wortelstomp. De resultaten zijn:
afbeeldingafbeelding

Welke van de onderstaande conclusies is uit deze gegevens te trekken?

Plantenfysiologie

1/3 Watertransport in tak.
Zie figuur C 77 van de bijlage.

In een experiment wordt onder gelijke proefomstandigheden het watertransport in twee takken gemeten. De takken zijn van dezelfde struik afkomstig, ze zijn even dik en hebben oorspronkelijk evenveel bladeren met een gelijk oppervlak. Tak 2 wordt gedeeltelijk ontbladerd.
De mate van verdamping wordt afgemeten aan de waterverplaatsing in een buis waarlangs een schaalverdeling is gelegd. In de afbeelding zijn de proefopstellingen aan het begin van elk experiment weergegeven. Met behulp van een föhn kan een krachtige luchtstroom langs elk van de takken worden geblazen. De luchtstroom heeft dezelfde temperatuur als de omringende lucht. De proefopstellingen staan in het licht.
Gedurende 20 minuten wordt de waterverplaatsing per tak gemeten. Eerst zonder föhn, daarna met de föhn aan. De luchtstroom is steeds even sterk en heeft steeds dezelfde temperatuur.
De gemeten waterverplaatsingen zijn weergegeven in de tabel hieronder.
afbeeldingafbeelding

De zuigkracht op het snijvlak van tak 1 wordt in beide situaties na 20 minuten vergeleken met die op het snijvlak van tak 2.

Bij welke tak in welke situatie is de zuigkracht op het snijvlak gedurende dit experiment het kleinst?



-

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

2/3 Watertransport in tak.
Zie figuur C 77 van de bijlage.

De zuigkracht op het snijvlak van tak 1 wordt in beide situaties na 20 minuten vergeleken met die op het snijvlak van tak 2.

Bij welke tak in welke situatie is de zuigkracht op het snijvlak gedurende dit experiment het grootst?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

3/3 Watertransport in tak.
Zie figuur C 77 van de bijlage.

Vervolgens wordt een experiment uitgevoerd, met dit verschil dat nu met de föhn lucht die 5°C warmer is, langs de takken wordt geblazen.

Neemt de snelheid van de waterverplaatsing dan toe in buis 1?
En in buis 2?

afbeeldingafbeelding