Oefentoets Biologie: Bloed - lymfe | HAVO 4/HAVO 5

Deze oefentoets bevat 17 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

17

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

HAVO 4, HAVO 5

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Bloed

Lymfe.

Komen er bij de mens witte bloedcellen in lymfe voor?
Komen in lymfe antistoffen voor?

afbeeldingafbeelding

Bloed

Verzadiging van hemoglobine en kooldioxide.
Zie figuur A 118 van de bijlage.

Het diagram geeft het verband weer tussen het percentage met zuurstof verzadigde hemoglobine en de hoeveelheid kooldioxide in het bloed van de mens.

Met welke van de onderstaande plaatsen zouden de punten 1 en 2 overeen kunnen komen?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Bloed

De hoeveelheid O2 Hb gebonden.
Zie figuur B 1372 en figuur B 1400 van de bijlage.

In de afbeelding zijn schematisch enkele longblaasjes en het hart weergegeven. De longblaasjes en het hart zijn niet op dezelfde schaal getekend.
De hoeveelheid O2 die per ml bloed aan hemoglobine (Hb) is gebonden,
wordt gemeten op de plaatsen 1 t/m 6.

Zie figuur B 1400 van de bijlage.

In de afbeelding zijn drie diagrammen getekend.

In welke van deze diagrammen is de hoeveelheid O2 die per ml bloed aan Hb is gebonden voor de plaatsen 1 t/m 6 juist weergegeven?

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Bloed

Zuurstof in weefselvloeistof.

Op welke wijze wordt zuurstof in weefselvloeistof van de mens vervoerd?

Bloed

Witte bloedcellen in lymfe.

Komen er bij de mens witte bloedcellen in lymfe voor?
Komen in lymfe antistoffen voor?

afbeeldingafbeelding

Bloed

Uitwisseling tussen bloed, weefselvloeistof en lymfe.
Zie figuur B 525 van de bijlage.

De tekening geeft schematisch een deel van een orgaan in het lichaam van de mens weer.
Over de uitwisseling van stoffen tussen het bloed in de haarvaten, de weefselvloeistof en de lymfe in het lymfevat worden de volgende uitspraken gedaan:

1. als de eiwitconcentratie van het bloed daalt, neemt het volume van de weefselvloeistof en de lymfe af.
2. transport van zuurstof van het bloed naar de weefselvloeistof vindt onder andere plaats door diffusie.
3. vanuit de weefselvloeistof gaan stoffen naar het lymfevat en ook naar de haarvaten.

Welke uitspraak of welke uitspraken is (zijn) juist?

afbeeldingafbeelding

Bloed

Bloedvloeistof en weefselvloeistof.

Aan het begin van een haarvatennet wordt een deel van de bloedvloeistof met opgeloste stoffen vanuit de haarvaten naar het omringende weefsel gevoerd. Verderop in het haarvat wordt een deel van de weefselvloeistof met opgeloste stoffen weer toegevoegd aan het bloed. Beide verschijnselen worden onder andere beïnvloed door de bloeddruk en de osmotische waarde van het bloed.

Welke factor overheerst bij het uittreden van bloedvloeistof uit de bloedbaan en welke bij het terugkeren van weefselvloeistof naar de bloedbaan?

afbeeldingafbeelding

Bloed

Weefselvloeistof en haarvaten.

Het komt bij de mens voor, dat tengevolge van een tekort aan bepaalde voedingsstoffen in het bloed de weefselvloeistof niet in voldoende mate terugkomt in de haarvaten.

Aan welke stoffen in het voedsel is er dan een tekort?

Bloed

Vorming van weefselvocht.

Aan het begin van een haarvatennet treedt vocht uit de bloedvaten en vormt weefselvocht.
Dit geldt alleen voor de haarvatennetten van de grote bloedsomloop. In haarvatennetten van de kleine bloedsomloop gebeurt dit vrijwel niet.

Hoe kan dit verschil verklaard worden?

Bloed

Het opnemen van weefselvocht.

Waar kan bij de mens een deel van het weefselvocht in een vaatstelsel opgenomen worden?

Bloed

Uitwisseling tussen bloed, weefselvloeistof en lymfe.

Over de uitwisseling van water tussen bloed, weefselvloeistof en lymfe bij de mens worden de volgende uitspraken gedaan:

1. Water uit het bloed kan in de lymfe terechtkomen.
2. Water uit de lymfe kan in het bloed terechtkomen, zonder dat dit water door een laag dekweefsel heen gaat.
3. Water uit de weefselvloeistof kan in het bloed terechtkomen, waarbij dit water hoogstens door een laag dekweefsel heen gaat.

Welke uitspraken zijn juist?

Bloed

De terugkeer van weefselvloeistof.

Bij een zoogdier stroomt bloed vanuit de slagaders de haarvaten in. Aan het begin van ieder haarvat wordt een deel van de bloedvloeistof door de bloeddruk uit het haarvat geperst. Op deze wijze wordt weefselvloeistof gevormd. Het grootste deel van de gevormde weefselvloeistof wordt aan het eind van het haarvat weer in het bloed opgenomen.

Door welke oorzaak komt deze terugkeer van weefselvloeistof in de haarvaten tot stand?

Bloed

1/3 Bloed en lymfe.
Zie figuur B 2524 van de bijlage.

In de afbeelding is schematisch een haarvatennet bij de mens getekend. Enkele delen zijn met cijfers aangegeven.

Met welk cijfer is een adertje aangegeven?

afbeeldingafbeelding

Bloed

2/3 Bloed en lymfe.
Zie figuur B 2524 van de bijlage.

In de ruimte bij 2 bevindt zich vloeistof. Enkele stoffen die in het lichaam van de mens voorkomen, zijn: aminozuren, glucose, keukenzout en zuurstof.

Welke van deze stoffen bevinden zich in de vloeistof bij 2?

afbeeldingafbeelding

Bloed

3/3 Bloed en lymfe.
Zie figuur B 2524 van de bijlage.

Normaal stroomt bij 4 vloeistof uit het weefsel de haarvaten in. Als er een tekort is aan een bepaalde stof of aan bepaalde stoffen in het bloed vindt dit terugstromen onvoldoende plaats.

Zal er dan in het bloed een tekort zijn aan aminozuren, aan bepaalde eiwitten of aan glucose?

afbeeldingafbeelding

Bloed

1/2 Vocht in de weefsels.
Zie figuur A 412 van de bijlage.

In de weefsels verlaten water en opgeloste stoffen het bloed dat in de haarvaten aanwezig is.
Vanuit de weefsels keert ook weer vocht terug in het bloed.

Via welke weg kan vocht vanuit de weefsels terugkeren in het bloed?

afbeeldingafbeelding

Bloed

2/2 Vocht in de weefsels.

Bij een bepaalde vorm van ondervoeding is de hoeveelheid vocht die in de haarvaten terugkeert, verminderd.

Waardoor wordt deze verminderde terugstroom bij ondervoeding vooral veroorzaakt?