Oefentoets Biologie: Voortplanting - hormonen | HAVO 4/HAVO 5 | variant 3

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

HAVO 4, HAVO 5

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Voortplanting

Hypofyse, het ovarium en de baarmoeder.
Zie figuur A 264 van de bijlage.

In het schema is met pijlen aangegeven hoe de hypofyse, het ovarium en de baarmoeder elkaars activiteit kunnen beïnvloeden door middel van hormonen.
Van deze hormonen zijn er enkele die tijdens de zwangerschap geproduceerd worden en enkele die tijdens zwangerschap juist niet geproduceerd worden.

In het schema worden de hormonen die tijdens de gevorderde zwangerschap wel geproduceerd worden aangegeven met de pijlen

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

Een hormoon voor de opbouw van het slijmvlies van de baarmoeder.

Wáár in het lichaam van een niet-zwangere vrouw wordt een hormoon gemaakt dat direct, zonder tussenschakeling van een andere hormoonklier, verantwoordelijk is voor de opbouw van het slijmvlies van de baarmoeder?

Voortplanting

De concentratie van progesteron in het bloed.

De concentratie van progesteron in het bloed van een vrouw is niet constant.

Wanneer is die concentratie het hoogst?

Voortplanting

Het mannelijke geslachtshormonen tijdens de puberteit.

Tijdens de puberteit van een jongen neemt de productie van mannelijke geslachtshormonen toe.
Deze toename vindt plaats onder directe invloed van een ander hormoon.

In welk orgaan wordt dit laatste hormoon gemaakt?

Voortplanting

Processen in de voortplantingsorganen van de vrouw.

Vier beweringen over processen in de voortplantingsorganen van de vrouw zijn:

1. Als gevolg van de ovulatie ontstaat een rijp follikel in een ovarium.
2. Na de ovulatie ontstaat een geel lichaam in een ovarium.
3. De ovulatie vindt plaats terwijl het baarmoederslijmvlies nog in dikte toeneemt.
4. De menstruatie vindt plaats doordat het gele lichaam een hormoon gaat afscheiden.

Welke beweringen zijn juist?

Voortplanting

Progesteron.

Gedurende de menstruatiecyclus schommelt de progesteronconcentratie in het bloed van een vrouw.
Vier tijdstippen in een cyclus zijn:

1. de tweede dag van de menstruatie,
2. zeven dagen na het eind van de menstruatie,
3. de dag van de ovulatie,
4. zeven dagen na de ovulatie.

Op welk van deze tijdstippen is de progesteronconcentratie in het bloed het hoogst?

Voortplanting

De ovulatie en progesteron.

Na de ovulatie wordt in een ovarium bij de vrouw meer progesteron gemaakt dan ervoor.

Wanneer begint de concentratie van dit hormoon in het bloed duidelijk weer te dalen als de vrouw niet in verwachting raakt?

Voortplanting

Puberteit en organen zoals eierstokken, thymus, hypofyse en teelballen.

In het begin van de puberteit neemt bij jongens en meisjes de productie van bepaalde hormonen toe in verband met het lichamelijk volwassen worden.
Enkele hormoonproducerende organen zijn eierstokken, thymus, hypofyse en teelballen.

Welk van deze organen gaat of welke gaan bij jongens in het begin van de puberteit minder hormoon produceren in verband met het lichamelijk volwassen worden?
En bij meisjes?

Voortplanting

Een ovulatiecyclus.
Zie figuur B 1454 van de bijlage.

In de afbeelding zijn twee stadia van dezelfde eicel getekend die na elkaar in een ovarium van een 30-jarige vrouw voorkomen.

Vindt de overgang van stadium 1 naar stadium 2 vooral plaats onder invloed van FSH, van LH, van oestrogenen of van progesteron?

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

Anticonceptie.

Een bepaalde anticonceptiepil bevat een stof die dezelfde werking heeft als progesteron.

Beïnvloedt deze anticonceptiepil de afgifte van luteïniserend hormoon (LH) door de hypofyse?
Zo ja, welke invloed heeft deze anticonceptiepil op de afgifte van LH door de hypofyse?

Voortplanting

De secundaire geslachtskenmerken bij de vrouw.

Welk hormoon zorgt bij de vrouw voor de secundaire geslachtskenmerken?

Voortplanting

Een hormoonklier en drie organen van de man.
Zie figuur B 3802 van de bijlage.

In de afbeelding is in figuur 1 de ligging van hormoonklier Q bij de mens schematisch getekend.
In de afbeelding zijn in figuur 2 drie organen die bij een man voorkomen, aangegeven met R, S en T.

Welk(e) van deze organen wordt (worden) door hormoonklier Q gestimuleerd tot productie en afgifte van hormonen?

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

Het bloed van een zwangere en niet-zwangere vrouw.

Het bloed van een zwangere vrouw wordt vergeleken met het bloed van een niet-zwangere vrouw, die net een menstruatie heeft gehad.

Welk van de hormonen FSH, LH, oestrogeen en progesteron komt in het bloed van de zwangere vrouw in een hogere concentratie voor dan in het bloed van de niet-zwangere vrouw?

Voortplanting

Menstruatiecyclus en het luteïniserend hormoon.

Tijdens een menstruatiecyclus is het gehalte aan luteïniserend hormoon (LH) in het bloed van een vrouw niet constant.

Wanneer is dit gehalte het hoogst?

Voortplanting

1/3 Een testisbuisje.
Zie figuur B 2764 van de bijlage.

In de afbeelding is een gedeelte van een testis van een volwassen man weergegeven met daarin enkele testisbuisjes in dwarsdoorsnede.
In deze afbeelding zijn drie cellen aangegeven met X, Y en Z.

Welke van deze cellen produceert hormonen?

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

2/3 Een testisbuisje.
Zie figuur B 2764 van de bijlage.

Onderstaande tabel kun je gebruiken bij de beantwoording van de volgende vraag.
afbeeldingafbeelding

Welke van de in afbeelding B 2764 aangegeven cellen wordt of worden beïnvloed door het hormoon FSH?

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

3/3 Een testisbuisje.

De spermacellen die de testisbuisjes verlaten, worden elders opgeslagen.

Waar worden de spermacellen vooral opgeslagen?

Voortplanting

2/2 Geslachtsorganen bij de mens.

Bij een man schommelt het testosterongehalte van het bloed normaal rond een bepaalde waarde R. Als gevolg van een ontsteking is bij een bepaalde man één van de zaadleiders afgesloten.

Wordt als gevolg van deze afsluiting de waarde R kleiner, blijft zij gelijk of wordt zij groter?

Voortplanting

1/2 Castraten.
Zie figuur C 83 van de bijlage.

Van de 17e tot in de 19e eeuw was het tamelijk gebruikelijk om jongens die als kind goed konden zingen vóór de puberteit te castreren, dat wil zeggen hun zaadballen te verwijderen. Een gevolg daarvan was dat ze niet 'de baard in de keel' kregen, zodat hun stem hoog bleef.

Behalve de hoge stem en het ontbreken van de zaadballen waardoor ze onvruchtbaar waren, vertoonden deze zogenoemde castraten nog meer verschillen met ongecastreerde mannen.

Noem twee andere zichtbare verschillen die bij castraten als gevolg van de castratie ontstonden.

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

2/2 Castraten.
Zie figuur C 83 van de bijlage.

De zaadballen bevinden zich in de balzak. Pas kort voor of vlak na de geboorte dalen de zaadballen af in de balzak. Wanneer dit niet gebeurt, kan vóór de puberteit operatief worden ingegrepen. Zonder zo'n operatie is de jongen later onvruchtbaar. De overige eigenschappen van een castraat komen bij deze vorm van onvruchtbaarheid niet voor. De concentraties testosteron en LH in het bloed van een man van wie de zaadballen niet zijn ingedaald en die niet is geopereerd, worden vergeleken met die in het bloed van een castraat.

Is de concentratie testosteron bij de castraat gemiddeld hoger dan, even hoog als of lager dan bij de man met niet-ingedaalde zaadballen?
En de concentratie LH? Leg je antwoord uit, eventueel met behulp van een schema.

afbeeldingafbeelding