Oefentoets Biologie: Bloed - bloedgroepen | HAVO 4/HAVO 5

Deze oefentoets bevat 21 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

21

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

HAVO 4, HAVO 5

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Bloed

Verkeerde menging.

Men heeft serum van bloedgroep A en serum van bloedgroep B. Men neemt van ieder serum een druppeltje en doet er een druppeltje bloed bij waarvan de bloedgroep niet bekend is.
Er vindt samenklontering plaats met het serum van bloedgroep A, maar niet met het serum van bloedgroep B.

Welke bloedgroep heeft het toegevoegde bloed?

Bloed

Resusfactor.

In bepaalde gevallen kan de combinatie van de resusfactor van de moeder en de resusfactor van het zich in haar ontwikkelende kind gevaar opleveren voor dit kind.

In welke van de volgende vier gevallen is dit zo?

afbeeldingafbeelding

Bloed

Bloedgroepen.

Een man heeft bloedgroep AB en is resus-positief. Zijn vrouw heeft bloedgroep O en is resus-negatief. Hun zoontje heeft bloedgroep A en vertoont bij de geboorte de verschijnselen van een resus-kind.

Welke antistoffen zal men dan met betrekking tot de ABO- en de resus-bloedgroepen in het bloed van vader en moeder aantreffen?

afbeeldingafbeelding

Bloed

Bloedtransfusie.

Iemand met resus-positief bloed krijgt voor het eerst een bloedtransfusie. Hij ontvangt resus-negatief bloed dat, wat het ABO-systeem betreft, van dezelfde bloedgroep is als zijn eigen bloed.

Wat zal er in zijn lichaam met het bloed gebeuren ten aanzien van een mogelijke afweerreactie?

Bloed

Bloedgroepen.

P heeft bloedgroep AB en is resus-positief. Q heeft bloedgroep O en is resus-negatief. Beide mensen hebben nog nooit een bloedtransfusie gehad.

Welke antistoffen zullen P en Q met betrekking tot de ABO-bloedgroepen en de resusfactor kunnen maken?

afbeeldingafbeelding

Bloed

Bloedgroepen.

Het bloed van iemand met bloedgroep B wordt vergeleken met het bloed van iemand met bloedgroep O.

Wat is het verschil in samenstelling ten aanzien van factoren die kenmerkend zijn voor deze bloedgroepen?

Bloed

Bloedgroepen.

Een resus-negatieve patiënt met bloedgroep A ontvangt een kleine hoeveelheid resus-positief bloed van een donor met bloedgroep O.
Enkele dagen later wordt bepaald welke antistoffen in het bloed van deze patiënt aanwezig zijn.

Welke van deze antistoffen kunnen van de donor afkomstig zijn?

Bloed

Bloedgroepantistoffen.

Bij twee soorten testserum met antistoffen worden rode bloedcellen van een bepaalde persoon gevoegd.
Serum 1 bevat antistof anti-A, serum 2 bevat antistof anti-B.
In testserum 1 vindt samenklontering (agglutinatie) van de rode bloedcellen plaats, in testserum 2 niet.

Welke bloedgroep heeft de betrokken persoon?

Bloed

Bloedgroepen.

Een patiënt met resus-negatief bloed en bloedgroep AB ontvangt voor het eerst in zijn leven een bloedtransfusie. Hij krijgt bij vergissing een kleine hoeveelheid resus-positief bloed van een donor met bloedgroep A.
Enkele weken later wordt bepaald welke antistoffen in het bloed van deze patiënt aanwezig zijn.

Is in het lichaam van de patiënt tengevolge van deze transfusie antistof anti-A gevormd?
En anti-resus?

Bloed

Bloedonderzoek.

Het bloed van een persoon van wie de ABO-bloedgroep en de resus-bloedgroep onbekend zijn, wordt onderzocht. In zijn bloedplasma worden geen antistoffen gevonden die kunnen reageren met een antigeen van een ABO-bloedgroep of met het resus-antigeen.

Tot welke ABO-bloedgroep en tot welke resus-bloedgroep kan de onderzochte persoon behoren?

Bloed

Bloedtransfusie.

Het is bekend dat een donor met bloedgroep B geen bloed kan geven aan iemand met bloedgroep O zonder enige nadelige gevolgen voor de ontvanger.

De oorzaak hiervan is, dat

Bloed

Bloedgroepen.
Zie figuur C 17 van de bijlage.

Een bloedgroep van het ABO-bloedgroepenstelsel kan worden bepaald door telkens een druppel bloed te mengen met een druppel testserum. Er worden twee testsera gebruikt:

- een testserum met antistof a (anti-A) en
- een met antistof b (anti-B).

In de afbeelding geven de tekeningen l t/m 4 weer welke reacties tussen bloed en testserum mogelijk zijn.
Een jongen heeft de bloedgroep AB.

In welke van de tekeningen is de reactie van zijn bloed met de testsera juist weergegeven?

afbeeldingafbeelding

Bloed

Antistoffen.

Een patiënt met resus-negatief bloed en bloedgroep AB ontvangt voor het eerst in zijn leven een bloedtransfusie. Hij krijgt bij vergissing een kleine hoeveelheid resus-positief bloed van een donor met bloedgroep A.
Twee weken later wordt bepaald welke antistoffen in het bloed van deze patiënt aanwezig zijn.

Is in het lichaam van de patiënt tengevolge van deze transfusie antistof anti-A gevormd?
En anti-resus?

Bloed

Resusantistoffen.

Bij de mens kan in het bloed het resus-antigeen voorkomen. Mensen die het resus-antigeen bezitten, worden resuspositief (Rh+) genoemd; mensen die het resus-antigeen niet bezitten, worden resusnegatief genoemd (Rh-).
Een bepaalde vrouw is resusnegatief. Zij krijgt een kind dat resuspositief is. Binnen 24 uur na de bevalling krijgt de vrouw een injectie met resus-antistof. Over de reden voor deze injectie met resusantistof, worden vier beweringen gedaan:

1. Door behandeling met resus-antistof, zal de vrouw na de bevalling zelf resus-antigeen gaan maken.
2. Door behandeling met resus-antistof, zal de vrouw na de bevalling zelf, geen resus-antistof gaan maken.
3. Door behandeling knoet resus-antistof, zal het volgende kind van de vrouw gedurende de zwangerschap geen resus-antigeen gaan maken.
4. Door behandeling met resus-antistof zal het volgende kind van de vrouw gedurende de zwangerschap geen resus-antistof gaan maken.

Welke van deze beweringen is juist?

Bloed

Resusfactoren.

Een vrouw heeft resus-negatief bloed. Indien zij in verwachting is van een kind met resuspositief bloed, bestaat er in bepaalde gevallen een kans dat rode bloedcellen van het kind worden afgebroken.

Hoe kan enkele maanden voor de geboorte van het kind worden nagegaan of er gedeeltelijke afbraak van het bloed van het kind zal plaatsvinden?

Bloed

Antigeen en antistof.

Een vrouw heeft bloedgroep A. Zij bevalt van een kind dat bloedgroep 0 heeft. Tijdens de bevalling komt de antistof anti-B van de moeder in het bloed van het kind.

Vindt als reactie op dit anti-B in het bloed van het kind vorming van antigeen of antistof plaats?
Zo ja, van welk antigeen of van welke antistof?

Bloed

Bloedgroepenschema.
Zie figuur A 563 van de bijlage.

In het afgebeelde bloedgroepenschema is een aantal namen vervangen door cijfers.

Geef de betekenis van de cijfers.

afbeeldingafbeelding
  • antigeen A;
  • antigeen B;
  • antigeen A;
  • antigeen B;
  • geen antigeen A en B;
  • anti-B;
  • anti-A;
  • geen anti-A en -B;
  • anti-A;
  • anti-B;
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10

Bloed

Bloedgroepen.

Waar vindt men Resus-antistoffen in het bloed?

Bloed

Bloedgroepen.
Zie figuur B 4966 van de bijlage.

Bij een bloedgroepenonderzoek treedt bij twee personen I en II het nevenstaande beeld op.

Welke bloedgroepen hebben de personen I en II dan?

afbeeldingafbeelding

Bloed

Resus

Bij sommige mensen komt resus-antistof voor in het bloed, bij anderen niet.

Waar in het bloed bevindt zich deze antistof?