Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.
Griep wordt veroorzaakt door een virus. Als iemand die griep heeft, hoest of niest, kunnen er vochtdruppeltjes met daarin het griepvirus in de lucht komen. Door het inademen van zulke druppeltjes treedt besmetting met het griepvirus op.
Treedt besmetting sneller op bij het inademen door de mond of bij het inademen door de neus? Of maakt het geen verschil?
Ziekten
2/2 Griep.
Als het griepvirus het lichaam binnengedrongen is, duurt het enige tijd voordat ziekteverschijnselen optreden. De verschijnselen zijn onder andere hoge koorts, spierpijn en hoofdpijn. Deze zijn het gevolg van de reacties van het lichaam op het binnengedrongen virus. Eén van de reacties is het produceren van antistoffen.
Welke bloeddeeltjes produceren antistoffen?
Ziekten
1/2 Griepepidemie.
Wetenschappers spreken van een griepepidemie als van elke 10.000 mensen er minstens 15 griep hebben. In de tabel is het aantal inwoners van de verschillende provincies weergegeven. afbeelding
Hoeveel grieppatiënten zijn er in Zeeland als er daar een griepepidemie is?
-
Ziekten
2/2 Griepepidemie. Zie figuur B 3232 van de bijlage.
Iemand met griep heeft vaak koorts. We spreken van koorts als de lichaamstemperatuur hoger dan 38°C is. In de afbeelding is per dag de hoogste lichaamstemperatuur van een grieppatiënt weergegeven.
Op welke dagen had deze patiënt koorts?
afbeelding
Ziekten
1/4 Infecties. Zie figuur B 3116 van de bijlage.
Soms veroorzaken infecties met bacteriën ernstige ziekten. In de afbeelding zijn drie typen cellen weergegeven.
Welke letter geeft bacteriecellen weer? De letter [invulveld]
afbeelding
Ziekten
2/4 Infecties.
Bacteriën worden in het verteringskanaal gedood.
In welk deel van het verteringskanaal worden de meeste bacteriën gedood? In de [invulveld]
Ziekten
4/4 Infecties.
Heeft een ernstige nierbeschadiging gevolgen voor de hoeveelheid afvalstoffen in het bloed?
Ziekten
1/4 Infectieziekten.
Op een internetsite van de GGD is de volgende tekst te lezen. 1. Infectieziekten zijn besmettelijke ziekten die kunnen ontstaan nadat ziekteverwekkers, meestal micro-organismen, het lichaam zijn binnengedrongen. 2. Ziekteverwekkers kunnen niet zomaar het lichaam binnendringen. Ze worden onder andere tegengehouden door de huid of door de slijmvliezen. Lukt het om toch binnen te dringen, dan wil dat nog niet zeggen dat je ook ziek wordt. 3. Na een infectie zetten afweercellen en antistoffen de aanval tegen de binnendringers in. Het duurt enige tijd voordat zo'n afweerreactie van het lichaam goed op gang komt. Gedurende deze periode vermenigvuldigen de ziekmakende organismen zich wel, maar er zijn er dan nog te weinig om je ziek te maken. De tijd tussen de besmetting en de eerste ziekteverschijnselen wordt de incubatietijd genoemd. 4. Na genezing is er meestal een periode waarin je de ziekte niet opnieuw kunt krijgen. Dit wordt natuurlijke immuniteit genoemd. Door vaccinatie kan voor verschillende ziektes een kunstmatige immuniteit worden opgebouwd.
In alinea 1 wordt gesproken over micro-organismen.
Noem twee groepen micro-organismen die ziekten kunnen veroorzaken.
Ziekten
2/4 Infectieziekten.
2. Ziekteverwekkers kunnen niet zomaar het lichaam binnendringen. Ze worden onder andere tegengehouden door de huid of door de slijmvliezen. Lukt het om toch binnen te dringen, dan wil dat nog niet zeggen dat je ook ziek wordt.
In alinea 2 staat dat slijmvliezen ziekteverwekkers tegenhouden. Dit geldt onder andere voor de slijmvliezen van het verteringskanaal. Ziekteverwekkers worden in het verteringskanaal ook onschadelijk gemaakt door stoffen in verteringssappen.
Noem twee verteringssappen die stoffen bevatten die ziekteverwekkers doden.
Ziekten
3/4 Infectieziekten.
3. Na een infectie zetten afweercellen en antistoffen de aanval tegen de binnendringers in. Het duurt enige tijd voordat zo'n afweerreactie van het lichaam goed op gang komt. Gedurende deze periode vermenigvuldigen de ziekmakende organismen zich wel, maar er zijn er dan nog te weinig om je ziek te maken. De tijd tussen de besmetting en de eerste ziekteverschijnselen wordt de incubatietijd genoemd.
Tijdens de incubatietijd van een infectieziekte (laatste regel van alinea 3) zijn er geen ziekteverschijnselen. Veel infectieziekten zijn besmettelijk.
Kan tijdens de incubatietijd van zo'n besmettelijke ziekte de ziekte overgedragen worden op andere personen? Leg je antwoord uit.
Ziekten
4/4 Infectieziekten.
4. Na genezing is er meestal een periode waarin je de ziekte niet opnieuw kunt krijgen. Dit wordt natuurlijke immuniteit genoemd. Door vaccinatie kan voor verschillende ziektes een kunstmatige immuniteit worden opgebouwd.
Is de kunstmatige immuniteit die in alinea 4 wordt genoemd een actieve of een passieve immuniteit? Leg je antwoord uit.
Ziekten
1/5 Kinkhoest.
Sinds 1952 worden in Nederland bijna alle baby's ingeënt tegen de kinkhoestbacterie. Na 1952 is de sterfte onder baby's en jonge kinderen door kinkhoest sterk gedaald. Sinds een aantal jaren komt kinkhoest bij kinderen tussen vier en twaalf jaar steeds vaker voor, hoewel ze als baby zijn ingeënt. In 1995 ontdekte een onderzoeker dat er een verandering in een gen van de kinkhoestbacterie was opgetreden. De bacterie is hierdoor zó veranderd dat kinderen er, ondanks inenting, toch ziek van worden.
Hoe heet zo'n verandering in een gen? Dit is een [invulveld]
Ziekten
2/5 Kinkhoest.
Bij inenting wordt een verdunde oplossing van dode kinkhoestbacteriën ingespoten.
Leg uit dat dit actieve immunisatie wordt genoemd.
Ziekten
3/5 Kinkhoest.
Welke bloeddeeltjes maken antistoffen?
Ziekten
4/5 Kinkhoest. Zie figuur B 2914 van de bijlage.
In het diagram van de onderstaande afbeelding is van de periode 1995 tot en met 1999 weergegeven hoeveel meldingen van kinkhoestinfecties bij de inspectie van de volksgezondheid werden gedaan.
Hoe groot was het totaal aantal meldingen van kinkhoest in 1999 volgens de gegevens uit het diagram?
afbeelding
Ziekten
5/5 Kinkhoest.
Over het aantal kinkhoestmeldingen in de periode van 1995 tot en met 1999 worden twee beweringen gedaan.
I. In de loop van 1996 nam het aantal meldingen toe. II. In de zomer van 1998 was het aantal meldingen kleiner dan in de winter daarna.
Ziekten
1/2 Polio. Zie figuur B 3313 van de bijlage.
Polio of kinderverlamming is een besmettelijke ziekte die wordt veroorzaakt door een virus. Het virus kan door hoesten overgebracht worden. Na een infectie vermenigvuldigt het virus zich in de slijmvliezen van de keel en van het verteringskanaal. Met het bloed en via zenuwbanen kan het virus terechtkomen in de hersenstam en in bewegingszenuwcellen in het ruggenmerg.
De afbeelding B 3313 geeft onder andere een deel van het zenuwstelsel weer.
Welke letter geeft de hersenstam aan?
afbeelding
Ziekten
2/2 Polio. Zie figuur B 3314 van de bijlage.
De afbeelding geeft een dwarsdoorsnede van het ruggenmerg weer waarin schematisch drie zenuwcellen zijn getekend. De pijlen geven aan in welke richting impulsen geleid worden.
Welke letter geeft een bewegingszenuwcel aan?
afbeelding
Ziekten
1/3 Medicijn uit aardappels.
In ontwikkelingslanden sterven veel jonge kinderen als gevolg van diarree. Meestal wordt diarree veroorzaakt door het eten van voedsel dat besmet is met een bacterie die de dikke darm aantast. De kinderen overlijden dan vooral door uitdroging.
Als de dikke darm door een infectie niet goed functioneert, bevat de ontlasting veel water.