Oefentoets Biologie: Ecologie | VMBO theoretische leerweg, 3/VMBO theoretische leerweg, 4 | variant 24

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VMBO theoretische leerweg, 3, VMBO theoretische leerweg, 4

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Ecologie

1/2 Ecologische verbindingszone.

De natuur in Nederland is versnipperd in kleine stukjes. De overheid en natuurbeheerorganisaties proberen deze stukjes natuur met elkaar te verbinden door ecologische verbindingszones aan te leggen.
Tussen twee natuurgebieden wordt een ecologische verbindingszone aangelegd. Het betreft een wildtunnel onder een drukke weg.

Waarom worden de twee natuurgebieden met elkaar verbonden?

Ecologie

2/2 Ecologische verbindingszone.

Het verbinden van twee natuurgebieden heeft voordelen.
Hieronder staan vier beweringen over verbindingszones.

Welke van deze beweringen is of welke zijn juist?

I. Een bomenrij met daaronder struiken kan dienen als ecologische verbindingszone.
II. Rijen bomen langs de weg hebben alleen een sierfunctie.
III. Door natuurgebieden te verbinden zal er minder inteelt onder de dieren plaatsvinden.
IV. Omdat dieren zich meer verplaatsen tussen de natuurgebieden worden plantensoorten ook meer verspreid.

Ecologie

Planten en licht.
Zie figuur B 5300 van de bijlage.

Lux is een eenheid die de lichtsterkte aangeeft. Eén lux komt ongeveer overeen met het licht dat één kaars geeft. Op een zonnige dag kan het buiten wel 100.000 lux zijn.
De lichtsterkte wordt met een luxmeter gemeten.
Interieurbeplanters gebruiken deze meter om te bepalen welke planten geschikt zijn voor bijvoorbeeld een kantoorruimte.
Een luxmeter geeft 1100 lux aan.

Welke van de hieronder genoemde planten is of welke planten zijn geschikt om te groeien bij deze lichtsterkte?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

1/4 Surinaamse kringloop.
Zie figuur B 5306 van de bijlage.

Hiernaast zie je een schema van een Surinaamse kringloop.

Welk organisme is of welke organismen zijn een producent?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

2/4 Surinaamse kringloop.
Zie figuur B 5306 van de bijlage.

De gadotjo is een consument.

Van welke orde?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

3/4 Surinaamse kringloop.
Zie figuur B 5306 van de bijlage.

Welk organisme is of welke organismen zijn afvaleters?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

4/4 Surinaamse kringloop.
Zie figuur B 5306 van de bijlage.

Welk organisme is of welke organismen zijn reducenten?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

1/3 Surinaams voedselweb.
Zie figuur A 1175 van de bijlage.

Hiernaast zie je een Surinaams voedselweb.

Noteer een voedselketen die bestaat uit vijf schakels.

afbeeldingafbeelding

Ecologie

2/3 Surinaams voedselweb.
Zie figuur A 1175 van de bijlage.

Door welke organismen worden sriba's allemaal gegeten?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

3/3 Surinaams voedselweb.
Zie figuur A 1175 van de bijlage.

Stel dat de tjontjon (zie afbeelding hieronder) uitsterft.
afbeeldingafbeelding
Noem vier soorten die dan in aantal toenemen.

afbeeldingafbeelding

Ecologie

Planten op een onbebouwde plek.
Zie figuur B 5307 van de bijlage.

Een stuk grond wordt ontbost. Nadat het stuk helemaal schoon is, ontstaan na enige tijd op onbebouwde plekken in Suriname bepaalde grassen, zoals liemswied (nr. 1) en gadodede (nr. 2) in de afbeelding hiernaast.

Hoe noemt men deze eerst groeiende plantensoorten op een onbegroeide plek?

Dat noemt men .................................

[invulveld]

afbeeldingafbeelding

Ecologie

3/4 Voedselrelaties in Suriname.
Zie figuur B 5308 van de bijlage.

Hoe noemen we de voedselrelatie tussen de wilde doks en de slakken?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

4/4 Voedselrelaties in Suriname.
Zie figuur B 5308 van de bijlage.

Welke van de volgende dieren kan in schakel 3 thuishoren?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

Reisverslag.

De onderstaande tekst komt uit een reisverslag.

Eindelijk is het dan zover. Na een week rijden door de droogte zijn we nu aan de kust. Vandaag zijn we met een gids het regenwoud in geweest. Het was echt niet te geloven. Veel planten die we in het tuincentrum hebben staan, groeien hier gewoon in het wild!
Planten die aan bomen groeien, tillandsia’s van bijna een halve meter doorsnede, orchideeën die hoog in de bomen hun mooiste bloemen laten zien en veel verschillende bromelia’s! Morgen gaan we naar de Curtain Fig tree, een grote ficus met een gordijn van luchtwortels.

Orchideeën, bromelia’s en tillandsia’s hebben één gemeenschappelijk kenmerk.
Ze groeien op andere planten zonder daar voedsel aan te onttrekken.

Hoe worden deze niet parasiterende planten ook wel genoemd?

Ecologie

3/3 Ziekten en plagen.

Bij welke weersomstandigheden worden planten het meest aangetast door schimmels?

Ecologie

Agapornissen.

Er is veel onderzoek gedaan naar agapornissen. Zo heeft men in Zambia onderzocht, wat de oorzaak was van de sterke afname van een populatie zwartwang agapornissen.
Uit het onderzoek bleek dat er voldoende voedsel en nestgelegenheid was. Ook was er geen sprake van een besmettelijke ziekte.
De onderzoekers ontdekten dat de zwartwang agapornis minstens tweemaal per dag moet drinken. In de periode voorafgaand aan het onderzoek was minder regen gevallen dan normaal. Dit had uitdroging van het gebied tot gevolg gehad.

In de informatie staat dat er onderzoek is gedaan naar mogelijke oorzaken voor de afname van een populatie agapornissen. Er worden enkele factoren genoemd die als oorzaak uitgesloten kunnen worden.

Noem een biotische factor uit de informatie die als oorzaak uitgesloten kan worden.