Oefentoets Biologie: Gedrag - Prikkel-motivatie | HAVO 3/HAVO 4/HAVO 5

Deze oefentoets bevat 11 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

11

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

HAVO 3, HAVO 4, HAVO 5

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Gedrag

2/6 Roerdompen.

Een roerdomp reageert niet altijd even heftig op het kartonnen model.

Geef hiervoor de verklaring.

Gedrag

3/6 Roerdompen.

De oogpikbeweging van een roerdomp kan erfelijk vastgelegd zijn. Ook is het mogelijk dat dat gedrag wordt aangeleerd.

Beschrijf de opzet van een experiment waarmee je kunt vaststellen of het naar de ogen pikken bij de roerdomp erfelijk vastgelegd is en niet is aangeleerd. Je mag bij je proefopzet ervan uitgaan dat de roerdomp geen zeldzame vogel is en dat je de beschikking hebt over een aantal broedende roerdompen.

Geef aan welke uitkomst van het experiment tot de conclusie kan leiden dat het gedrag erfelijk is vastgelegd.

Gedrag

4/6 Roerdompen.

De roerdomp heeft als leefgebied het vochtige rietland. Het aannemen van de paalhouding is van belang voor de vergroting van de overlevingskans van de roerdomp.

Leg dit uit.

Gedrag

5/6 Roerdompen.

Langs de waterkant is deze vogel op zoek naar vis. Een volwassen roerdomp heeft eigenlijk geen natuurlijke vijand. Het mannetje laat in de paartijd een ver dragend, resonerend 'boehoem' horen, dat sommige mensen aan het brullen van een stier doet denken. Mannetjes en vrouwtjes zien er hetzelfde uit: ze hebben een bruinzwart gestreept verenkleed.

Leg uit dat het in verband met zijn leefomgeving functioneel is dat het mannetje bij de balts een geluidssignaal gebruikt.

Gedrag

6/6 Roerdompen.

Dat roerdompen steeds zeldzamer worden komt onder andere door het voortdurend maaien van rietlanden.
Dat maaien gebeurt hoofdzakelijk in de winter, als er ijs ligt omdat de maaiers dan makkelijker bij het riet kunnen komen.

Leg uit hoe juist de combinatie van deze twee factoren, maaien als er ijs ligt, de sterfte onder de roerdomp in de winter versterkt.

Gedrag

1/5 Nachtzwaluwen.

Tekst:
Bij de Nachtzwaluw (Caprimulgus europaeus) verlopen de balts en het broedgedrag als volgt.
Het mannetje glipt geruisloos tussen de bomen door. Soms gaat hij op een tak zitten "err-en": hij maakt een lang trillend geluid, dat klinkt als "errr-or err-or err". Soms antwoordt het wijfje en vliegt op. Hij volgt haar dan onmiddellijk, vliegt recht omhoog en maakt een aantal prachtige buitelingen, waarbij hij vaak zijn vleugels boven zijn rug tegen elkaar kletst. Vaak hoor je een kreet als "schroei". De achtervolging eindigt als ze een geschikte nestelplaats ergens op de grond gevonden hebben. Ze strijken samen neer, het vrouwtje neemt een gebogen houding aan en de vogels gaan over tot de paring.
Ze bouwen geen nest, maar maken een eenvoudig kuiltje op de kale grond, waarbij het vrouwtje hinderlijke grashalmen verwijdert. Vanaf half mei legt het vrouwtje twee eieren in het kuiltje. Bij het broeden draait het vrouwtje de dagdiensten alleen, pas bij het invallen van de duisternis komt manlief haar voor een korte periode aflossen. Als een mens of dier het legsel heeft aangeraakt of verschoven, rolt de nachtzwaluw de eieren naar een ander plekje, enkele meters van het oorspronkelijke. Als ze worden verrast bij het nest, doen de vogels alsof ze vleugellam zijn en lopen ze langzaam bij het nest weg.

bronnen: Grzimek, Het leven der dieren; deel Vll: Vogels 2, p. 479 Thijsse, J.P., Zomer, Verkade album, p. 37-38

In Nederland komen naast de Nachtzwaluw (Caprimulgus europaeus), die overigens geen echte zwaluw is maar meer verwant is aan de spechten, ook de Gierzwaluw (Apus apus), de Boerenzwaluw (Hirundo rustica), de Huiszwaluw (Delichon urbica) en de Oeverzwaluw (Riparia riparia) als broedvogel voor.

Tot hoeveel genera (geslachten) worden deze vijf in Nederland broedende vogelsoorten gerekend? Leg je antwoord uit.

Gedrag

2/5 Nachtzwaluwen.

Noem drie in de tekst vermelde prikkels, die een bepaalde reactie opwekken bij het mannetje of het vrouwtje; zet achter alle drie tot welke reactie die prikkel leidt.

Gedrag

3/5 Nachtzwaluwen.

Ook volwassen nachtzwaluwen die hun ouders nooit gezien hebben, lopen vleugellam weg als ze op het nest verrast worden.

Hoe komt dit type gedrag tot stand?

Gedrag

4/5 Nachtzwaluwen.

Nachtzwaluwen leven van insecten, waarop ze in de schemering jacht maken. Op een bewolkte, koude avond zijn er vaak weinig insecten, zodat de vogels honger lijden. Houdt die honger enige tijd aan, dan kunnen nachtzwaluwen in een soort "koudeverstijving" raken: hun lichaamstemperatuur daalt, waardoor ze niet actief kunnen zijn.

Leg uit waardoor de daling van hun lichaamstemperatuur leidt tot een verlaging van de stofwisseling.

Gedrag

5/5 Nachtzwaluwen.

Welk voordeel heeft deze inactiviteit voor de nachtzwaluw?