Oefentoets Biologie: Voortplanting | HAVO 4/HAVO 5 | variant 2

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

HAVO 4, HAVO 5

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Voortplanting

Het begrip kloon.

Een aantal organismen kan samen een kloon vormen.

Het begrip kloon is van toepassing op alle individuen die ontstaan

Voortplanting

Geraniumplant met bonte bladeren.

Men heeft een geraniumplant met bonte bladeren.
Het allel voor bonte bladeren is dominant over dat voor egaal groene bladeren.
Men wil meer van deze bont gekleurde geraniums kweken.

Bij welke van onderstaande methoden is de kans het grootst dat de nieuwe planten zulke bont gekleurde bladeren zullen hebben?

1. stekken van deze plant,
2. zelfbestuiving met een andere plant met bonte bladeren,
3. kruisbestuiving met een andere plant met bonte bladeren.

De grootste kans op planten met bonte bladeren geeft/geven

Voortplanting

Kenmerk van geslachtelijke voortplanting.

Waardoor is geslachtelijke voortplanting gekenmerkt?

Voortplanting

Een proces schematisch voorgesteld
Zie figuur B 340 van de bijlage.

De cellen in het schema hebben elk twee chromosomen in de kern.

Welk proces stelt dit schema voor?

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

Geslachtelijke voortplanting bij planten en dieren.

Wat is kenmerkend voor geslachtelijke voortplanting bij planten en bij dieren?

Voortplanting

Celdeling & gen.

I. Celdeling wordt geregeld vanuit de chromosomen.
II. Elk gen bevat de informatie om een eiwit te maken.

Voortplanting

Delingsweefsel in een worteltop.

In een microscopisch preparaat van een worteltop van een ui wordt bij een vergroting van 400x gezocht naar delingsweefsel.
Er worden in het preparaat de volgende cellen gevonden:

1. cellen waarin een kern zichtbaar is.
2. cellen waarin chromosomen zichtbaar zijn.
3. cellen waarin een grote, centrale vacuole zichtbaar is.

Welke van deze cellen kunnen in het delingsweefsel voorkomen?

Voortplanting

Levenscyclus van een algensoort.
Zie figuur A 116 van de bijlage.

In het schema is de levenscyclus van een algensoort weergegeven.
Hierin wisselen geslachtelijke en ongeslachtelijke voortplanting elkaar af; de ene generatie is haploïd, de andere is diploïd.

Welke generatie is haploïd?
Welke generatie plant zich ongeslachtelijk voort?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

Geslachtelijke voortplanting bij ééncellige organismen.

Eéncellige organismen planten zich in het algemeen ongeslachtelijk voort.
Onder bepaalde milieu-omstandigheden treedt echter vaak geslachtelijke voortplanting op.

Zal dit gebeuren als de milieu-omstandigheden verbeteren of verslechteren?
Waarin verschilt het effect van deze geslachtelijke voortplanting met dat van ongeslachtelijke voortplanting?

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

Voortplanting bij draadwieren.
Zie figuur B 1113 van de bijlage.

Draadwieren kunnen zich op twee manieren voortplanten. Bij de ene vorm van voortplanting breekt een stukje van een wier af. Dit stukje groeit weer uit tot een nieuw wier. Bij de andere vorm van voortplanting wordt een zygote gevormd zoals de afbeelding weergeeft.
De twee wieren P en Q vormen uitstulpingen, die met elkaar een verbinding vormen. Via deze verbinding verplaatst een cel uit wier P zich naar een cel in wier Q. Beide cellen versmelten met elkaar, zodat een zygote ontstaat. Deze zygote ondergaat meiose, waarna een nieuw draadwier groeit.
Het aantal chromosomen van de zygote is 28.

Hoe groot is het aantal chromosomen van een cel in wier P?

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

Voortplantingsproces bij wieren
Zie figuur B 1113 van de bijlage.

Over het afgebeelde voortplantingsproces bij wieren worden de volgende beweringen gedaan:

1. Door dit proces kunnen wieren ontstaan met een ander genotype dan de oorspronkelijke wieren P en Q.
2. Door dit voortplantingsproces is de overlevingskans van deze draad wiersoort groter dan wanneer dit voortplantingsproces niet zou bestaan.

Welke van deze beweringen is of welke zijn juist?

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

1/3 Levenscyclus een veelcellig draadwiertje (Ulothrix)
Zie figuur A 162 van de bijlage.

De afbeelding geeft de levenscyclus weer van een veelcellig draadwiertje (Ulothrix), dat in zoet water leeft. De cellen van een wierdraad zijn haploïd. Sommige cellen kunnen zich delen. De cytoplasma-bolletjes die dan ontstaan, komen door een opening in de celwand naar buiten. Ze vormen vier zweepharen en zwemmen weg: zwermsporen. Een zwermspore kan tot een nieuw draadwiertje uitgroeien.
Andere cellen kunnen gameten vormen. Een gameet heeft twee zweepharen. Een gameet afkomstig uit een bepaalde wierdraad kan versmelten met een gameet die uit een andere wierdraad afkomstig is. Zo ontstaat een zygote. Onder gunstige omstandigheden deelt deze zygote zich en vormt vier sporen die zich ieder tot een nieuw draadwiertje ontwikkelen.

Ontstaan zwermsporen door meiose of door mitose?
En gameten van Ulothrix?

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

2/3 Levenscyclus een veelcellig draadwiertje (Ulothrix).
Zie figuur A 162 van de bijlage.

De afbeelding geeft de levenscyclus weer van een veelcellig draadwiertje (Ulothrix), dat in zoet water leeft. De cellen van een wierdraad zijn haploïd. Sommige cellen kunnen zich delen. De cytoplasma-bolletjes die dan ontstaan, komen door een opening in de celwand naar buiten. Ze vormen vier zweepharen en zwemmen weg: zwermsporen. Een zwermspore kan tot een nieuw draadwiertje uitgroeien.
Andere cellen kunnen gameten vormen. Een gameet heeft twee zweepharen. Een gameet afkomstig uit een bepaalde wierdraad kan versmelten met een gameet die uit een andere wierdraad afkomstig is. Zo ontstaat een zygote. Onder gunstige omstandigheden deelt deze zygote zich en vormt vier sporen die zich ieder tot een nieuw draadwiertje ontwikkelen.

Waaruit zullen wiertjes ontstaan die zeker hetzelfde genotype hebben als de ouderplant (aangenomen dat er geen mutaties plaatsvinden)?

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

3/3 Levenscyclus een veelcellig draadwiertje (Ulothrix)
Zie figuur A 162 van de bijlage.

De afbeelding geeft de levenscyclus weer van een veelcellig draadwiertje (Ulothrix), dat in zoet water leeft. De cellen van een wierdraad zijn haploïd. Sommige cellen kunnen zich delen. De cytoplasma-bolletjes die dan ontstaan, komen door een opening in de celwand naar buiten. Ze vormen vier zweepharen en zwemmen weg: zwermsporen. Een zwermspore kan tot een nieuw draadwiertje uitgroeien.
Andere cellen kunnen gameten vormen. Een gameet heeft twee zweepharen. Een gameet afkomstig uit een bepaalde wierdraad kan versmelten met een gameet die uit een andere wierdraad afkomstig is. Zo ontstaat een zygote. Onder gunstige omstandigheden deelt deze zygote zich en vormt vier sporen die zich ieder tot een nieuw draadwiertje ontwikkelen.
Gameten, sporen en zwermsporen van Ulothrix worden met elkaar vergeleken.

Welke van deze cellen zijn haploïd?

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

Afsnoering bij poliepen.

Sommige organismen, bijvoorbeeld poliepen, kunnen zich door afsnoering vermeerderen.

Wat is de juiste benaming voor alle nakomelingen die op deze wijze uit één organisme zijn ontstaan?

Voortplanting

Een bijenvolk.
Zie figuur B 1119 van de bijlage.

Een bijenvolk bestaat uit darren (mannetjes), werksters (vrouwtjes) en een koningin (vrouwtje).
In figuur B 1119 van de bijlage zijn deze drie typen bijen weergegeven.
Darren ontstaan uit onbevruchte eicellen. Werksters en koninginnen ontstaan uit bevruchte eicellen. Een larve, ontstaan uit een bevruchte eicel, ontwikkelt zich afhankelijk van de hoeveelheid en de samenstelling van het toegediende voedsel tot een werkster of tot een koningin.
Naar aanleiding van deze gegevens worden de volgende beweringen gedaan:

1. Bij het ontstaan van het verschil in fenotype tussen een dar en een koningin spelen verschillen in genotype een belangrijke rol.
2. Bij het ontstaan v an het verschil in fenotype tussen een werkster en een koningin spelen milieufactoren een belangrijke rol.

Welke van deze beweringen is of welke zijn juist?

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

Vorming van vrouwelijke voortplantingscellen.
Zie figuur B 2515 van de bijlage.

Bij gewervelde dieren vindt de vorming van vrouwelijke voortplantingscellen plaats volgens één van de volgende schema's.

Welk schema is het juiste?

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

De levenscyclus van de bananenvlieg.
Zie figuur B 459 van de bijlage.

In de afbeelding is de levenscyclus van de bananenvlieg weergegeven. De verschillende stadia zijn op onderling verschillende schaal getekend. Het aantal chromosomen in een lichaamscel van deze bananenvliegen bedraagt 8.

In welke van de stadia 1, 2 en 3 zijn diploïde cellen aanwezig?

afbeeldingafbeelding

Voortplanting

Cromosomen bij de meiose-I.

Bij dier P ondergaat een cel meiose-I. Bij het begin van de meiose-I komen in deze cel 8 chromosomen voor. Er ontstaan twee dochtercellen. Aangenomen wordt, dat er geen breuken in de chromosomen optreden.

Hoeveel chromosomen komen er in elk van deze door meiose I ontstane dochtercellen voor?
Wat is er te zeggen over de herkomst van deze chromosomen?

Voortplanting

Celtype van een paard.

Van een paard worden de chromosomen in een bepaald celtype geteld. In elke cel van dat type bevinden zich 33 chromosomen.

Welk type cel kan dat zijn?