Oefentoets Biologie: Assimilatie-dissimilatie | HAVO 4/HAVO 5 | variant 4

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

HAVO 4, HAVO 5

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Assimilatie_dissimilatie

Zetmeelvorming in een groenblad.

Een groen blad dat zonlicht, kooldioxide en water krijgt, vormt zetmeel in de bladgroen bevattende cellen. Een groen blad van dezelfde plant dat in het donker drijft op een glucose-oplossing, vormt ook zetmeel dat vooral in cellen langs de nerven te vinden is.

Welke van onderstaande hypothesen wordt door bovenstaand experiment bevestigd?

Assimilatie_dissimilatie

Watervlooien (Daphnia) en waterpest.
Zie figuur C 29 van de bijlage.

Watervlooien (Daphnia) kunnen in zuurstofarm milieu hemoglobine maken, waardoor de lichaamskleur rood wordt; onder andere omstandigheden zijn Daphnia's kleurloos. Men vult vier erlenmeyers (1 t/m 4) met water en Daphnia's.
Erlenmeyer 2 wordt afgesloten met een rubber stop.
In de erlenmeyers 3 en 4 bevindt zich een gelijke kleine hoeveelheid waterpest.
Aan het begin van de proef zijn alle Daphnia's kleurloos.
Nu worden alle vier de erlenmeyers in het daglicht geplaatst.

In welke erlenmeyer zullen de Daphnia's het langst kleurloos blijven en in welke erlenmeyer zullen zij het eerst rood worden?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Assimilatie_dissimilatie

de O2 -opname en O2 -afgifte van een plant.
Zie figuur B 351 van de bijlage.

Bij een in Nederland groeiende plant met bladgroen wordt in de zomer de O2 -opname en O2 -afgifte gedurende een etmaal gemeten.
De metingen beginnen om 12 uur 's middags en eindigen 24 uur later.

In welk stadium kunnen de resultaten van de metingen zijn weergegeven?

afbeeldingafbeelding

Assimilatie_dissimilatie

Een groene plant die geheel onder water leeft.

Men heeft een groene plant die geheel onder water leeft. Men doet hier vier experimenten mee steeds onder andere omstandigheden.

afbeeldingafbeelding

Bij welk(e) experiment(en) wordt zuurstof aan het water afgegeven en wordt energie vastgelegd?

Assimilatie_dissimilatie

de O2 -afgifte en de O2 -opname van een plant.
Zie figuur B 619 van de bijlage.

In het diagram is de O2 -afgifte en de O2 -opname van een plant uitgezet tegen de verlichtingssterkte.

In welk(e) van de aangegeven trajecten 1, 2 of 3 neemt het drooggewicht van de plant toe?

afbeeldingafbeelding

Assimilatie_dissimilatie

De zuurstofafgifte of -opname bij toenemende verlichtingssterkte.
Zie figuur B 590 van de bijlage.

Bij een plant met bladgroen werd het verband bepaald tussen de zuurstofafgifte of -opname en de verlichtingssterkte. In het diagram is het resultaat weergegeven.

Treedt in deze plant bij verlichtingssterkte P fotosynthese op?
En dissimilatie?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Assimilatie_dissimilatie

De zuurstofafgifte of -opname bij toenemende verlichtingssterkte.
Zie figuur B 572 van de bijlage.

Bij een plant met bladgroen werd het verband bepaald tussen de hoeveelheid afgegeven of opgenomen O2 en de verlichtingssterkte. De resultaten staan in het diagram.

Bij welke van de verlichtingssterkten P, Q en R vindt dissimilatie plaats?

afbeeldingafbeelding

Assimilatie_dissimilatie

De zuurstofafgifte of -opname bij toenemende verlichtingssterkte.
Zie figuur B 559 van de bijlage.

Van een plant met bladgroen wordt de zuurstofafgifte of -opname in ml per uur gemeten bij verschillende verlichtingssterkten. De resultaten staan in het diagram. De mate van dissimilatie is constant en onafhankelijk van de verlichtingssterkte.

Hoeveel zuurstof wordt er bij verlichtingssterkte P geproduceerd door de fotosynthese?

afbeeldingafbeelding

Assimilatie_dissimilatie

De zuurstofafgifte per tijdseenheid van een zonnebloemplant.
Zie figuur B 550 van de bijlage.

De zuurstofafgifte per tijdseenheid door een hele zonnebloemplant van 20 cm hoogte wordt gemeten bij verschillende verlichtingssterkten. In het diagram van figuur B 550 is het resultaat van deze metingen uitgezet. De metingen worden herhaald als de plant 40 cm hoog is geworden. De omstandigheden zijn gelijk gebleven.

Zie figuur B 551 van de bijlage.

Welk diagram geeft de resultaten bij deze 40 cm hoge zonnebloemplant waarschijnlijk juist weer?

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Assimilatie_dissimilatie

Stofwisselingsprocessen zonder zuurstofverbruik.

Bij levende organismen kunnen onder andere de volgende stofwisselingsprocessen plaatsvinden:

1. fotosynthese;
2. melkzuurgisting;
3. alcoholische gisting.

Bij welk of bij welke van deze processen wordt geen zuurstof verbruikt?

Assimilatie_dissimilatie

1/2 Assimilatie en dissimilatie.
Zie figuur A 597 van de bijlage.

Bij een plant wordt de afgifte of de opname van CO2 door bladeren bepaald bij temperaturen tussen 5°C en 40°C. De eerste bepalingen worden gedaan bij een optimaal CO2 -gehalte van de lucht en bij een lage (1) en een hoge (2) verlichtingssterkte. Vervolgens worden ook bepalingen gedaan bij een normaal CO2 -gehalte van de lucht bij hoge verlichtingssterkte (2).
In het diagram (afbeelding 4) zijn de resultaten van de metingen weergegeven.

Welke van de volgende uitspraken over de stofwisseling van de plant bij verlichtingssterkte 1 en 33°C is juist?

afbeeldingafbeelding

Assimilatie_dissimilatie

2/2 Assimilatie en dissimilatie.

Welke abiotische factor is in elk geval beperkend voor de groei van deze plant wanneer deze staat bij verlichtingssterkte 2, een temperatuur van 30°C en een normaal CO2 -gehalte van de lucht?

afbeeldingafbeelding

Assimilatie_dissimilatie

1/3 Bonte kamerplanten.
Zie figuur B 2706 van de bijlage.

afbeeldingafbeelding

Er zijn veel kamerplanten waarvan de bladeren niet geheel groen zijn. Dergelijke planten worden bontbladig genoemd. Twee voorbeelden van planten met bonte bladeren zijn de bontbladige geranium en de siernetel. Bij de bontbladige geranium zijn de randen van de bladeren wit. Bij de siernetel zijn allerlei kleurencombinaties mogelijk zoals: de binnenste delen rood, de buitenste delen wit en de zone daartussenin donkergroen (zie de afbeelding). De kleuren van de siernetel komen tot stand door de aan- of afwezigheid van bladgroen en de kleur van het vacuolevocht.
Uit verschillende delen van het blad van de bontbladige geranium en het blad van de siernetel, zoals die zijn weergegeven in de afbeelding, zijn cellen geïsoleerd.

Zie volgende scherm.

Assimilatie_dissimilatie

2/3 Bonte kamerplanten.
Zie figuur B 2707 van de bijlage.

In de afbeelding zijn schematisch drie van deze cellen, P Q en R weergegeven. De cellen P, Q en R zijn van drie verschillende delen afkomstig. Vijf delen in het blad van de bontbladige geranium en van de siernetel zijn:

S : in het groene deel van het blad van de geranium;
T : in het witte deel van het blad van de geranium;
U : in het donkergroene deel van het blad van de siernetel;
W : in het rode deel van het blad van de siernetel;
X : in het witte deel van het blad van de siernetel.

Is cel P afkomstig van deel S, T, U, W of X?
En cel Q en cel R? Schrijf je antwoord in de vorm van een tabel zoals hieronder is weergegeven.

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Assimilatie_dissimilatie

3/3 Bonte kamerplanten.

Een kweker kan, door toevoeging van bepaalde stoffen aan het zaad, plantjes kweken met witte stelen en witte bladeren. In een onderzoek werd een week na het ontkiemen het drooggewicht van witte en van even oude groene kiemplantjes bepaald. De gevonden waarden werden vergeleken met het drooggewicht van het zaad. Van alle witte kiemplantjes was het drooggewicht lager dan dat van het zaad, bij de groene kiemplantjes was het drooggewicht gelijk aan of zelfs hoger dan dat van het zaad. Het drooggewicht is het gewicht van een plant waaruit al het water is verdampt.

Verklaar waardoor het drooggewicht van de witte kiemplantjes lager is dan dat van de groene kiemplantjes en ook lager dan dat van het zaad.

Assimilatie_dissimilatie

1/4 Een onderzoek naar de groeisnelheid van gist.
Zie figuur A 838 van de bijlage.

Leerlingen willen de invloed van zuurstof op de groeisnelheid van gist bestuderen. Zij ontwerpen hiervoor twee opstellingen (zie de afbeelding). Deze opstellingen bestaan uit een glazen cilinder waarin zich een geschikte voedingsoplossing voor gistcellen bevindt. Aan beide cilinders worden evenveel gistcellen toegevoegd.
Door opstelling 1 wordt lucht geleid; door opstelling 2 wordt stikstofgas geleid. Twee uur na het begin van het onderzoek blijkt er in de tweede opstelling geen zuurstof meer aanwezig te zijn.
Drie dagen na de start van het experiment wordt bij beide opstellingen het aantal levende gistcellen per milliliter bepaald. In de eerste opstelling is dit aantal sterk toegenomen. In de tweede opstelling is het aantal levende gistcellen gelijk gebleven.
Een leerling trekt uit deze gegevens de conclusie dat gistcellen zich uitsluitend onder aërobe omstandigheden delen.

Leg uit dat deze conclusie op grond van deze resultaten onjuist is.

afbeeldingafbeelding

Assimilatie_dissimilatie

2/4 Een onderzoek naar de groeisnelheid van gist.
Zie figuur A 838 van de bijlage.

Na deze drie dagen blijkt in opstelling 1 in de cilinder nog voedsel aanwezig te zijn. Een week na de start is het voedsel op. Het onderzoek duurt tien dagen.

Zie figuur A 425 van de bijlage.

Schets in een diagram op de bijlage de grafieklijn die weergeeft hoe in opstelling 1, naar schatting, het aantal gistcellen verandert gedurende de 10 dagen van het onderzoek. Benoem de assen.

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Assimilatie_dissimilatie

3/4 Een onderzoek naar de groeisnelheid van gist.
Zie figuur A 838 van de bijlage.

In beide opstellingen wordt tijdens het experiment voortdurend de temperatuur gemeten.

Stijgt in opstelling 1 de temperatuur de eerste drie dagen van het experiment?
En in opstelling 2?

afbeeldingafbeelding

Assimilatie_dissimilatie

4/4 Een onderzoek naar de groeisnelheid van gist.

Na toevoeging van het sap van uitgeperste gistcellen aan een glucose-oplossing blijkt de gisting van glucose niet zo goed te verlopen als na toevoeging van levende gistcellen. Gisting met het sap van gistcellen wordt 'celvrije gisting' genoemd.

Welke stoffen uit dit sap zorgen voor het optreden van de celvrije gisting?

Assimilatie_dissimilatie

1/2 Koolstofdioxide in een sparrenbos.
Zie figuur C 139 van de bijlage.

In een sparrenbos van ongeveer 30 meter hoogte is gedurende een zonnige dag in augustus de CO2 -concentratie bepaald op verschillende hoogten boven de grond. Deze gegevens zijn weergegeven in het diagram van de afbeelding.
De lijnen in dit diagram verbinden de hoogten boven de grond waar de CO2 -concentratie op bepaalde tijdstippen gelijk is. De concentratie is uitgedrukt in deeltjes per miljoen (ppm).
Bijvoorbeeld om 6 uur 's ochtends ligt de CO2 -concentratie 10 meter boven de grond tussen de 370 en 380 ppm.
Met behulp van het diagram kan worden bepaald op welke hoogte boven de grond en op welke uren van de dag de fotosynthese-activiteit het grootst is.
In het diagram zijn met de letters P, Q, R en S vier combinaties van hoogte en tijd aangegeven.

Bij welke combinatie van hoogte en tijd is er sprake van de grootste fotosynthese-activiteit?

afbeeldingafbeelding